Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-10-03
ECLI:NL:RBNNE:2024:4425
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,248 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: [nummer]
zaaknummer: 11064389 BU VERZ 24-821
uitspraak van de kantonrechter van 3 oktober 2024
inzake
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
gevestigd in [plaats]
(gemachtigde: M.J.M. Bergers, Boete.nu.).
Procesverloop
1.1
Aan betrokkene is een sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. De officier van justitie heeft het administratieve beroep ongegrond verklaard. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. De behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 20 september 2024.
1.2
Betrokkene zelf is niet op de zitting verschenen. De gemachtigde is op de zitting vertegenwoordigd door mr. F.P.B. Waals. Als vertegenwoordigster van de officier van justitie is verschenen mr. E. Berkeljon (hierna: de vertegenwoordigster).
2Standpunten van partijen
2.1
De verweten gedraging betreft ‘handelen in strijd met gesloten verklaring in
beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bepaalde categorie voertuigen’, verricht op 1 december 2022, om 18:52 uur, locatie: Markt te Dokkum, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde sanctie bedraagt € 159,00 (inclusief administratiekosten).
2.2
Betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld, omdat de
verbalisant geen rijdend voertuig heeft gezien. Hij trof namelijk alleen een geparkeerd voertuig aan. Daarnaast heeft betrokkene zijn auto niet op de Markt, maar in de Kerkstraat geparkeerd. Tussen 18:00 en 19:00 uur geldt bovendien een uitzondering voor bevoorradingsverkeer. Aangezien het ten tijde van de gedraging 18:52 uur was, valt betrokkene onder deze uitzondering. Voorts beroept betrokkene zich op het Scoppola-arrest, waarin wordt gesteld dat het meest gunstige tarief dat van toepassing was tussen de datum van de gedraging en de datum van uitspraak, moet worden toegepast. Tot slot is de hoorplicht geschonden en verzoekt betrokkene om vergoeding van de proceskosten.
2.3
De vertegenwoordigster vindt dat het beroep gegrond moet worden verklaard,
omdat de feitcode moet worden gewijzigd naar R550a, met het bijbehorende sanctiebedrag. De sanctie hoeft om twee redenen niet te worden gematigd. Ten eerste kan de gedraging worden vastgesteld. De Kerkstraat en de Markt raken elkaar en vallen beide onder een geslotenverklaring. De uitzondering voor bevoorradingsverkeer is niet van toepassing, aangezien de verbalisant heeft verklaard dat er geen laad- en losactiviteiten hebben plaatsgevonden. Ten tweede hoeft de sanctie niet gematigd te worden, omdat er een schriftelijke ronde is geboden aan gemachtigde. Hierdoor leidt de schending van de hoorplicht niet tot matiging.
Overwegingen
3.1
Betrokkene betwist de gedraging. In Mulderzaken is de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende voor het vaststellen van de gedraging. Dat is anders als de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden geeft die laten twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring, of als zulke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
3.2
De verklaring van de verbalisant van 1 december 2022, zoals opgenomen in het dossier, houdt onder meer het volgende in: “Ik zag dat de weg werd gebruikt terwijl deze in beide richtingen gesloten is, zoals ter plaatse aangeduid middels bord C1 RVV 1990, welke was voorzien van een onderbord. De uitzondering(en) genoemd op het (onder)bord, was (waren) niet van toepassing.” Daarnaast blijkt het volgende uit het aanvullend proces-verbaal van 3 juli 2023: “In de 25 minuten dat het voertuig geparkeerd stond aan de Markt te Dokkum heb ik geen personen gezien die bij het voertuig hoorden of handelingen met het voertuig aan het verrichten waren in de vorm van het laden en lossen van goederen.”
3.3
De stelling van betrokkene dat het voor de vaststelling van de gedraging is vereist dat op het moment van de constatering met het voertuig werd gereden, vindt geen grondslag in het recht. Dit volgt uit een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022.
3.4
Artikel 62 van het RVV 1990 luidt: “Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of een verbod inhouden.” Bijlage 1 van het RVV 1990 houdt in dat bord C1 betekent: “gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee.” Artikel 1 van het RVV 1990 bepaalt verder dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder ‘geslotenverklaring’ wordt verstaan: “verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken.” Gelet op deze regelgeving is het, anders dan betrokkene meent, niet alleen verboden om de betrokken weg in te rijden, maar ook is het gebruikmaken van de betrokken weg niet toegestaan.
3.5
Verder staat, op basis van de verklaring van de verbalisant en het aanvullende proces-verbaal, vast dat de betrokkene op de Markt heeft geparkeerd en dat er geen laad- en losactiviteiten hebben plaatsgevonden. De gedraging kan daarom worden vastgesteld.
3.6
Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de sanctie. De kantonrechter stelt vast dat gemachtigde namens betrokkene op 15 mei 2023 schriftelijk de nadere gronden van het administratief beroep heeft aangevuld, naar aanleiding van het wijzigen van de telefonische hoorzitting naar een schriftelijke hoorzitting vanwege capaciteitsproblemen bij de CVOM. Nu er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en gemachtigde evenmin in de gelegenheid is gesteld (telefonisch) te worden gehoord, is de kantonrechter van oordeel dat de hoorplicht is geschonden en zal hij dan ook overgaan tot het vernietigen van de beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter ziet echter in deze omstandigheid geen aanleiding de sanctie te matigen en verwijst daarbij naar een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 augustus 2023. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat in zaken waarin een betrokkene zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde, er op dit moment nog geen aanleiding bestaat eenzelfde compensatie te bieden als in zaken waarin een betrokkene dat niet doet. Het hof overweegt in rechtsoverweging 17 dat professioneel gemachtigden geacht mogen worden goed in staat te zijn de standpunten van een betrokkene schriftelijk weer te geven, doorgaans beter dan betrokkenen of niet-professionele gemachtigden dat kunnen.
3.7
De officier van justitie heeft een extra schriftelijke ronde geboden waarin gemachtigde het standpunt van betrokkene naar voren kon brengen. Uit de stukken in het dossier blijkt dat hij van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Aan de schending van de belangen van een betrokkene door het niet horen van zijn professioneel gemachtigde komt niet hetzelfde gewicht toe als in zaken waarin de betrokkene zich niet laat bijstaan door een professioneel gemachtigde. Van belang is verder dat ingaande 1 oktober 2023 de officier van justitie weer uitvoering is gaan geven aan de hoorplicht in zaken waarin de betrokkene zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde. Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter net als het hof thans nog geen aanleiding om in zaken waarin een betrokkene zich laat bijstaan door een professionele gemachtigde eenzelfde compensatie te bieden als in zaken waarin een betrokkene zich niet laat bijstaan door een professionele gemachtigde.
3.8
Verder heeft het hof Arnhem-Leeuwarden in een arrest van 9 juni 2023 overwogen dat op 1 maart 2023 het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, en het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (het Besluit) in werking zijn getreden (Staatsblad 2023, 53). Hierin is met betrekking tot de onderhavige feitcode, feitcode R550b, bepaald dat deze wegens inconsistent gebruik is afgesloten en dat voor de gedraging zoals omschreven in deze feitcode eveneens kan worden geverbaliseerd voor de meer generiek omschreven gedraging zoals opgenomen in feitcode R550a.
3.9
Tot wijziging van de feitcode behoeft dit niet te leiden, nu feitcode R550b ten tijde van de gedraging nog in gebruik was. Dit brengt echter wel mee dat, in aansluiting op rechtsoverweging 119 van het Scoppola-arrest het meest gunstige tarief toegepast dient te worden dat tussen de dag van de gedraging en de dag waarop de uitspraak wordt gedaan, heeft gegolden. De kantonrechter zal het sanctiebedrag daarom vaststellen op het ten tijde van de gedraging voor feitcode R550a geldende tarief van € 129,00 (inclusief administratiekosten).
3.10
Daarom zijn er gronden aanwezig om de door betrokkene gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024 komen de in administratief beroep gemaakte proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden toegekend één punt ter waarde van € 875,00 voor het indienen van een beroepschrift en één punt ter waarde van € 875,00 voor het verschijnen op de zitting. Gelet op de aard van de zaak en conform de lijn van het hof voor bezwaren en beroepen tegen beslissingen van vóór 1 januari 2024, past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. De berekening is als volgt: één punt x € 875,00 x 0,5 + één punt x € 875,00 x 0,5. Dit maakt een bedrag van € 875,00.
3.11
Met ingang van 1 januari 2024 is in artikel 13a, derde en vierde lid, van de Wahv bepaald dat uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de beschikking van de administratieve sanctie is opgelegd. Er is geen overgangsrecht van toepassing en deze vorderingen tot uitbetaling zijn niet vatbaar voor vervreemding of verpanding. Gelet op de jurisprudentie van het hof Arnhem-Leeuwarden is de kantonrechter niet bevoegd om te beslissen over de wijze van uitbetalen.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt die beslissing;
wijzigt de inleidende beschikking in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot
€ 129,00 (inclusief administratiekosten);
bepaalt dat betrokkene het teveel betaalde aan zekerheidstelling terugkrijgt;
veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van € 875,00;
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van
mr. W.B. Jongsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2024.
griffier, kantonrechter,
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Afschrift verzonden aan partijen op:
ECLI:NL:GHARL:2022:945.
ECLI:NL:GHARL:2023:6930.
ECLI:NL:GHARL:2023:4869.
EHRM, 17 september 2009, Scoppola tegen Italië, nr. 10249/03.
ECLI:NL:HR:2024:1012.
ECLI:NL:GHARL:2024:1.