Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-08-30
ECLI:NL:RBNNE:2024:3346
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
822 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3341
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),
en
Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, het college
(gemachtigde: J.F. Meijer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de last onder dwangsom van 26 april 2024. Verzoekster moet voor 15 november 2024 -kort gezegd- enkele houtsingels herplanten. Doet zij dit niet conform de opgelegde last, dan moet zij dwangsommen van maximaal € 82.500,- betalen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De hoorzitting van de commissie Rechtsbescherming is gepland op 6 september 2024.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het college heeft aangegeven uiterlijk 31 oktober 2024 een besluit op het bezwaar te kunnen nemen. Dit betekent dat er voor het verstrijken van de begunstigingstermijn duidelijkheid is over de vraag of het college de last ongewijzigd in stand laat.
2.1.
Verzoekster heeft aangegeven dat zij tussen 31 oktober 2024 en datum waarop de begunstigingstermijn verstrijkt onvoldoende tijd heeft om aan de last te kunnen voldoen. De voorzieningenrechter overweegt dat – mocht dit daadwerkelijk het geval zijn –het college hiermee rekening kan houden in zijn beslissing op het bezwaar.
2.2.
De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.