Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-07-09
ECLI:NL:RBNNE:2024:2806
Civiel recht
Wraking
1,256 tokens
Dictum
RECHTBANK Leeuwarden
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/235766 KG RK 24-221
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
Handelend onder de naam De Stadsmeubelmaker
Wonende te [woonplaats] .
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. T.K. Hoogslag,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 juni 2024;
de schriftelijke reactie van de rechter van 26 juni 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 22 mei 2024
2Het wrakingsverzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak
met [zaaknummer in hoofdzaak] tussen verzoeker en [belanghebbende] , [handelsnaam] . Verzoeker is de gedaagde partij in deze procedure.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek klachten betreffende de wijze waarop hij door de rechter is bejegend tijdens de mondelinge behandeling op 22 mei 2024. Hij heeft onder meer – kort samengevat – aangevoerd dat de rechter de zaak niet goed had voorbereid, heeft willen sturen op een schikking en heeft geuit dat recht hebben niet hetzelfde is als gelijk krijgen. De rechter heeft vervolgens de naam van de verzoeker meermalen verkeerd gezegd en hem verward met de naam van zijn vorige werkgever.
Op 23 juni 2024 heeft de verzoeker in zijn zakelijke administratie een factuur gevonden, waaruit blijkt dat de rechter klant zou zijn geweest bij zijn meubelzaak. De verzoeker stelt dat deze eerdere zakelijke relatie tussen hem en de rechter mogelijk een negatieve invloed heeft gehad.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Hierbij heeft de rechter – onder meer en samengevat – laten weten dat het voorhouden van de mogelijkheid een minnelijke regeling te treffen aan partijen door kantonrechters een veelgebruikt middel is om de kosten voor partijen de minimaliseren. De rechter heeft met de uitlating ‘gelijk hebben is iets anders dan gelijk krijgen’ verwezen naar bewijsrisico’s die zich voordoen tijdens het procederen. De rechter betwist dat hij de zitting niet goed had voorbereid of dat hij geen zin zou hebben gehad in het opstellen van een vonnis. De rechter betreurt dat hij de verzoeker niet bij de juiste naam heeft genoemd, maar dat raakt niet zijn partijdigheid in deze zaak. Hij stelt voorts dat hij in 2015 tot tevredenheid gebruik heeft gemaakt van de diensten van de verzoeker, dit was een eenmalig contact.
Beoordeling
3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Het verzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op 22 mei 2024 en het verzoek is gedaan op 24 juni 2024. Voor het tijdsverloop is door verzoeker geen redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.
Dictum
De rechtbank
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.W. Couperus-Van Kooten in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A. Gaastra en in openbaar uitgesproken op 9 juli 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.