Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-05-23
ECLI:NL:RBNNE:2024:1955
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,130 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/4540
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. van der Meer),
en
het bestuur van de RSG Magister Alvinus, verweerder
(gemachtigde: mr. S.G. van der Galiën).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist over de verwijdering van haar zoon (hierna: leerling) van school, waartoe verweerder eerder het voornemen kenbaar had gemaakt.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3.1.
Bij brieven van 31 maart 2023 heeft verweerder aan de leerling en aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt om de leerling van de school verwijderen. Bij brief van 25 mei 2023 heeft verzoekster haar zienswijze op het voornemen tot verwijdering gegeven. Bij brief van 7 juli 2023 heeft de gemachtigde van verzoekster verweerder in gebreke gesteld omdat nog geen besluit over de verwijdering was genomen. Bij brief van 24 november 2023 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Bij besluit van 7 december 2023 heeft verweerder de leerling verwijderd van de school per 31 januari 2024.
3.2.
Bij brief I van 5 januari 2024 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd bij wijze van voorlopige voorziening het besluit tot verwijdering te schorsen. Bij brief II van 5 januari 2024 heeft verzoekster de gronden van het beroep tegen het niet tijdig beslissen aangevuld.
3.3.
In de uitspraak van 24 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen: ‘De voorzieningenrechter maakt hieruit de gevolgtrekking dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen aangemerkt dient te worden als een bezwaarschrift en dat de brief [II] van 5 januari 2024 aangemerkt dient te worden als een aanvulling van dit bezwaarschrift’.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op 7 december 2023 het besluit heeft genomen waarvan eiseres stelt dat het niet tijdig is genomen. Het belang van eiseres bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen is komen te vervallen.
4.2.
Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat in dit geval een beroep tegen het niet tijdig beslissen niet mogelijk is omdat het niet gaat om een besluit op aanvraag. Gezien overweging 4.1. is de beoordeling van deze stelling niet meer relevant, reden voor de rechtbank om deze achterwege te laten.
5. Wegens het ontbreken van belang is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.