Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-04-05
ECLI:NL:RBNNE:2024:1272
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,188 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/193151 / FA RK 24-21
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 3 april 2024
inzake
[naam 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. R. Tamourt, kantoorhoudende te Burgum,
tegen
[naam 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
in persoon verschenen.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling).
Procesverloop
1.1.
De vrouw heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend, ingekomen op de griffie op 4 januari 2024.
1.2.
Door de man is geen verweerschrift ingediend.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2024 plaatsgevonden. Daarbij is verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Tamourt;
- de man;
- mevrouw M. Eekhof, namens de GI;
- mevrouw L. Jager, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is de minderjarige [de minderjarige] gehoord.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De vrouw heeft de Braziliaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Zij zijn ouders van de nog minderjarige [naam kind] , geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft [de minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4.
Bij beschikking van 14 juli 2023 van deze rechtbank is [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI.
3Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar alleen (eenhoofdig) te belasten met het gezag over [de minderjarige] .
Beoordeling
Internationale aspecten
4.1.
De rechtbank stelt vast dat deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten heeft.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Op grond van artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter) is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, nu [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.3.
Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing.
Beoordeling
4.4.
Op grond van artikel 253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel zijn het eerste en derde lid van artikel 251a van het BW van overeenkomstige toepassing.
4.5.
Op grond van artikel 251a, eerste lid, van het BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.6.
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de vrouw van mening is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw stelt dat er al geruime tijd geen uitvoering (meer) wordt gegeven aan de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] en dat de vrouw al enige tijd gezagsbeslissingen neemt zonder overleg met de man. Nu de vrouw haar verzoek heeft gebaseerd op een wijziging van omstandigheden is zij ontvankelijk in haar verzoek. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de gestelde wijziging van omstandigheden relevant is en zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
4.7.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangevoerd. Volgens de vrouw weigert de man zijn toestemming te geven ten aanzien van gezagsbeslissingen, houdt de man zich afzijdig en vervult hij geen vaderrol voor [de minderjarige] . Dit heeft zijn weerslag op [de minderjarige] . De vrouw stelt dat [de minderjarige] klem en verloren raakt. De man heeft aangegeven dat hij het gezag niet meer met de vrouw wil uitoefenen, aldus de vrouw. Gezien dit standpunt van de man is er volgens de vrouw ook geen kans op verbetering.
4.8.
De man heeft ter zitting erkend dat hij eerder op een zitting heeft aangegeven dat hij niet langer met het gezag over [de minderjarige] wil zijn belast. Dit moet volgens de man worden gezien als een uiting van onmacht. De man voelt zich op geen enkele wijze gehoord door de vrouw en hij is na vele jaren de strijd met de vrouw zat. De man wil het beste voor [de minderjarige] , ook als dat zou betekenen dat de man niet langer het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De man heeft betwist dat hij gezagsbeslissingen heeft tegengewerkt. Zo is vanuit de basisschool van [de minderjarige] geadviseerd om [de minderjarige] naar het speciaal onderwijs te laten gaan. De man heeft hiervoor zijn toestemming gegeven. Volgens de man heeft de vrouw, tot voor kort, hier juist niet aan willen meewerken en daarmee niet in het belang van [de minderjarige] gehandeld. De man zou graag het gezag over [de minderjarige] willen blijven uitoefenen, maar heeft hierbij hulp nodig, mede gelet ook op de houding van [de minderjarige] naar de man toe.
4.9.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige] aangegeven dat hij al geruime tijd niet naar school gaat en dat hij veel thuis zit. [de minderjarige] wil niet naar het speciaal onderwijs, maar naar het regulier onderwijs. Vanaf dat de omgangsreling tussen [de minderjarige] en de man is gestopt, had [de minderjarige] af en toe Whatsapp-contact met zijn vader. Volgens [de minderjarige] kan zijn vader erg boos zijn. Vanwege een vervelend telefoongesprek waarbij de man heeft gezegd dat hij geen vader meer wil zijn van [de minderjarige] , heeft [de minderjarige] geen behoefte meer aan contact met de man. [de minderjarige] wil dat zijn moeder alleen alle beslissingen over hem neemt.
4.10.
De GI heeft ter zitting aangegeven dat zij vanwege de vele wisselingen van de jeugdbeschermers de afgelopen periode niet daadkrachtig heeft kunnen optreden. Dit betreurt de GI, omdat dit niet in het belang van [de minderjarige] is. De GI heeft ter zitting aangegeven dat er onlangs een nieuwe jeugdbeschermer is aangesteld en dat deze snel tot actie moet overgaan. Wel is al veel eerder door de GI erop aangestuurd dat [de minderjarige] naar het voortgezet speciaal onderwijs moet. Dit is tegengehouden door de vrouw. Nu de vrouw inmiddels ook instemt met dat [de minderjarige] naar het speciaal onderwijs zal gaan, moet dit alsnog zo snel mogelijk in gang worden gezet. Ten aanzien van het gezag heeft de GI opgemerkt dat nergens uit blijkt de man misbruik zou maken van zijn gezag over [de minderjarige] . De man heeft daarentegen juist aangegeven dat hij het belangrijk vindt dat [de minderjarige] weer naar school zal gaan, ook als dat betekent dat [de minderjarige] naar het speciaal onderwijs moet. Tussen partijen is al jarenlang sprake van communicatieproblemen en dat wordt volgens de GI niet opgelost door de vrouw alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten.
4.11.
De Raad heeft ter zitting verklaard dat het zorgelijk is dat er in het kader van de ondertoezichtstelling geen betrokken jeugdbeschermer is. Tijdens de zitting destijds bleek dat de man en [de minderjarige] elkaar misten en meer contact met elkaar wilden. Het is triest dat daar niet volledig op is ingezet. Volgens de Raad heeft de vrouw veel invloed op [de minderjarige] en is het voor [de minderjarige] moeilijk om zijn eigen mening te vormen. Daardoor komt [de minderjarige] niet toe aan zijn eigen ontwikkeling. [de minderjarige] zit veel bij zijn moeder thuis en heeft een klein netwerk. De Raad acht het van belang dat de man het gezag over [de minderjarige] blijft uitoefenen. Er moet door de GI worden ingezet op een grotere rol van de man in het leven van [de minderjarige] . Ook de man moet zich daarvoor actief inzetten en hij moet leren wat er wel of juist niet tegen een kind gezegd kan worden. Beide ouders moeten een plek hebben in het leven van [de minderjarige] en daarin volop zelf de regie nemen. Tot slot merkt de Raad op dat [de minderjarige] zo snel mogelijk naar het speciaal onderwijs moet gaan, nu het niet in zijn belang is dat hij nog langer thuis zit.
4.12.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Volgens vaste rechtspraak brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Uitgangspunt is dat beide ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kind. Slechts wanneer sprake is van ernstige contra-indicaties voor gezamenlijk gezag, kan eenhoofdig gezag worden toegewezen.
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat het gezamenlijk gezag van de ouders in stand moet blijven. De vrouw heeft onvoldoende gesteld, waaruit volgt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] bij het in stand blijven van het gezamenlijk gezag klem of verloren raakt tussen de ouders, dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Zo is niet gebleken dat de voor [de minderjarige] benodigde beslissingen niet of met de onnodige vertragingen worden genomen. Dat de man geen toestemming heeft gegeven voor een vakantie is onvoldoende onderbouwd. De slechte communicatie tussen de ouders is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor het wijzigen van het gezamenlijk gezag. Ook is niet gebleken dat het gezamenlijk gezag op een andere manier tot problemen heeft geleid.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden.
fn: 902