Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-12-01
ECLI:NL:RBNNE:2023:4970
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,118 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Assen
parketnummer 18.272123-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
1december 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 november 2023 (inhoudelijke behandeling) en 1 december 2023 (sluiting van het onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.G. Hassink, advocaat te Zwolle.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Assen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere (valse) geldbiljetten en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde,
te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
die [slachtoffer] (tegen zijn wil) vast te houden in een kamer van het pand [adres] , en/of
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, al dan niet met een voorwerp, in/tegen zijn gezicht/hoofden/of lichaam te stompen en/of te slaan, en/of
die [slachtoffer] van de trap te duwen, althans een duw (richting de trap) te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Assen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere (valse) geldbiljetten en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en/of
hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Assen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, al dan niet met een voorwerp, in/tegen zijn gezicht/hoofden/of lichaam te stompen en/of te slaan, en/of
die [slachtoffer] van de trap te duwen, althans een duw (richting de trap) te geven.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van al hetgeen ten laste is gelegd moet worden vrijgesproken omdat er, gelet op de inconsistenties in de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de ontkennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota primair betoogd dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat op basis van de zich in het strafdossier bevindende vage en tegenstrijdige verklaringen van aangever [slachtoffer] , niet kan worden vastgesteld welke rol verdachte heeft gespeeld bij de gepleegde diefstal met geweld dan wel diefstal en/of mishandeling waarvan aangever het slachtoffer zou zijn geweest.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2023.