Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-11-08
ECLI:NL:RBNNE:2023:4969
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,663 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/189569 / FA RK 23-1024
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 8 november 2023
inzake
[naam]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. F. Stoelinga, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
[naam]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.H. Jansen, kantoorhoudende te Groningen.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juli 2023, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de rechtbank in de bodemprocedure bepaald dat de vrouw de man zo spoedig mogelijk moet informeren over zaken gerelateerd aan de gezondheid van de kinderen en medische zaken betreffende de kinderen. Daarnaast is een voorlopige omgangsregeling bepaald, die - kort weergegeven - inhoudt dat na een opbouwregeling de kinderen met ingang van 2 september 2023 van zaterdag 10:00 uur tot zondag 13:00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt. De man heeft zijn verzoeken in het incident ingetrokken, zodat de rechtbank hier niet meer op hoeft te beslissen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang en het gezag is aangehouden, in afwachting van de uitkomst van het traject ouderschapsmediation bij het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding (hierna: KKE) waar partijen door de rechtbank naar zijn doorverwezen.
1.2.
Na de beschikking van 20 juli 2023 heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:
- de brief van het KKE, ingekomen bij de griffie op 1 augustus 2023;
- het e-mailbericht met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK), ingekomen bij de griffie op 2 augustus 2023;
- het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen bij de griffie op 27 september 2023;
- het e-mailbericht van de RvdK, ingekomen bij de griffie op 10 oktober 2023.
1.3.
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 17 oktober 2023. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door mr. F. Stoelinga;
- de vrouw, bijgestaan door mr. E.H. Jansen.
1.4.
De RvdK was uitgenodigd voor de zitting, maar heeft zich afgemeld wegens ziekte.
2De verdere beoordeling
2.1.
Uit de brief van het KKE, ingekomen bij de griffie op 1 augustus 2023, volgt dat het traject ouderschapsmediation niet is opgestart, omdat de vrouw niet met de man in één ruimte wil zijn. De RvdK heeft hierop besloten om onderzoek te gaan doen naar het gezag en de omgang.
2.2.
De man heeft de rechtbank laten weten dat er na de zitting van 5 juli 2023 twee keer omgang heeft plaatsgevonden conform de voorlopige omgangsregeling. Op 16 juli 2023 is [minderjarige A] weggelopen bij de vrouw. Sindsdien verblijft [minderjarige A] bij de man. [minderjarige A] heeft volgens de man aangegeven dat hij zich niet veilig voelt bij de vrouw, omdat hij door haar wordt geslagen en geknepen. Op 17 juli 2023 zijn er afspraken gemaakt met Veilig Thuis en Jeugdhulp Friesland. Er is afgesproken dat ambulante spoedhulp zou worden ingezet. Uit het verslag van Jeugdhulp Friesland, dat is overgelegd door de man, blijkt dat de ambulante spoedhulp niet van de grond is gekomen, omdat de vrouw hier niet meer voor open stond. Veilig Thuis heeft vervolgens onderzoek gedaan en heeft de RvdK verzocht om een beschermingsonderzoek te doen.
2.3.
Op 15 augustus 2023 heeft een beschermtafel plaatsgevonden. Er is afgesproken dat [minderjarige A] voorlopig bij de man verblijft en dat partijen met behulp van [het gebiedsteam] gaan werken aan contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige A] en tussen de man en [minderjarige B] . [minderjarige B] heeft sinds 15 juli 2023 geen omgang meer gehad met de man. Daarnaast is afgesproken dat partijen opnieuw naar het KKE gaan voor ouderschapsmediation. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij er nu wel mee instemt om fysiek in dezelfde ruimte te zijn als de man, omdat zij inziet dat zij geen andere keuze heeft.
2.4.
De man heeft naar voren gebracht dat hij spoedig met het gezag over [minderjarige A] belast wenst te worden. Naar verwachting zal het nog een aantal maanden duren totdat het raadsonderzoek is afgerond en dat kan volgens de man niet langer afgewacht worden. [minderjarige A] verblijft nu volledig bij de man en de man loopt tegen problemen aan, doordat hij geen gezag heeft over [minderjarige A] . Hij krijgt bijvoorbeeld geen of moeizaam informatie van de huisarts en de school. Het gaat volgens de man niet goed met [minderjarige A] . Hij is angstig, heeft last van nachtmerries en heeft moeite om zich op school te concentreren. De man wil graag het gezag over [minderjarige A] , zodat er hulpverlening voor hem geregeld kan worden. De man heeft er onvoldoende vertrouwen in dat dit van de grond komt als de vrouw met het eenhoofdig gezag over [minderjarige A] belast blijft. De man vraagt de rechtbank om nu alleen een beslissing te nemen over het gezag over [minderjarige A] . Het verzoek ten aanzien van het gezag over [minderjarige B] en de definitieve omgangsregeling met beide kinderen kan worden aangehouden, in afwachting van het raadsonderzoek, aldus de man.
2.5.
De vrouw is van mening dat de uitkomst van het raadsonderzoek afgewacht moet worden en dat het te prematuur is om nu gezamenlijk met het gezag over [minderjarige A] belast te worden. De relatie tussen partijen is ernstig verstoord en daarom lijkt het de vrouw geen goed idee om nu - zonder dat er gesprekken bij het KKE hebben plaatsgevonden - gezamenlijk het gezag over [minderjarige A] uit te oefenen. Zij voorziet hierin grote moeilijkheden. De vrouw betwist dat zij [minderjarige A] heeft mishandeld en wil dat [minderjarige A] zo snel mogelijk weer bij haar terug komt.
2.6.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er nu een beslissing moet worden genomen op het verzoek van de man om met het gezag over [minderjarige A] belast te worden, terwijl het raadsonderzoek nog niet is afgerond. De rechtbank overweegt dat de situatie van [minderjarige A] wezenlijk is veranderd ten opzichte van de situatie ten tijde van de vorige beschikking. [minderjarige A] verblijft op dit moment feitelijk volledig bij de man. De rechtbank ziet in deze gewijzigde omstandigheid aanleiding om het verzoek van de man om mede met het gezag over [minderjarige A] belast te worden nu (gedeeltelijk opnieuw) te beoordelen.
2.7.
Op grond van artikel 1:253c Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. De rechtbank wijst dit verzoek slechts af indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.8.
Het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Een verzoek tot gezamenlijk gezag dient daarom alleen te worden afgewezen als zich een van de gronden van het tweede lid van artikel 1:253c BW voordoet. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat van een van de gronden onder a. en b. sprake is.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige A] , geboren op [geboortedatum] 2015 [geboorteplaats] , voorzover hun bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
3.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
verwijst de zaak naar de zitting van 26 maart 2024, voor een pro forma behandeling;
3.4.
verzoekt de RvdK uiterlijk op 12 maart 2024 te rapporteren en te adviseren, althans te berichten over de voortgang van het onderzoek;
3.5.
bepaalt dat partijen uiterlijk op 26 maart 2024 de rechtbank schriftelijk berichten over:
- hoe de hulpverlening is verlopen (en daar indien mogelijk rapportages van te overleggen);
- hun actuele standpunten ten aanzien van het advies van de RvdK en de voorliggende verzoeken;
- hoe de procedure voortgezet moet worden;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.J. van Dijk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden
fn: 871