Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-10-27
ECLI:NL:RBNNE:2023:4532
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,862 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/578
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: H. Nieuwendijk en A.A. Wups).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot herziening van de huurtoeslag over het toeslagjaar 2021.
1.1.
Verweerder heeft het herzieningsverzoek van eiser bij besluit van 7 november 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 februari 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om de definitieve berekening van de huurtoeslag over het toeslagjaar 2021 te herzien. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. De rechtbank constateert dat naast de herzieningsprocedure ook een bezwaarprocedure liep tegen het oorspronkelijke besluit (de definitieve berekening van de huurtoeslag 2021). De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op zijn bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit.
6.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de definitieve berekening huurtoeslag 2021 van 29 juli 2022 had moeten herzien. Eiser vindt namelijk dat verweerder voor de vaststelling van de huurtoeslag 2021 ten onrechte is uitgegaan van het gehele jaarinkomen van zijn zoon, terwijl zijn zoon alleen voor een gedeelte van het jaar – van
1 januari 2021 tot en met 31 mei 2021 – inwonend was.
6.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in het herzieningsverzoek in vergelijking met het bezwaar tegen de definitieve berekening huurtoeslag 2021 geen nieuwe informatie heeft aangevoerd. Hiertoe merkt verweerder op dat eiser zowel in het bezwaar als in het herzieningsverzoek heeft aangevoerd dat het onterecht is dat het gehele jaarinkomen van zijn zoon in de berekening is gebruikt, omdat zijn zoon alleen in de periode
1 januari 2021 tot en met 31 mei 2021 inwonend was.
6.3.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Artikel 4:6 van de Awb geldt ook in geval van een herzieningsverzoek.
6.4.
De rechtbank toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
6.5.
De rechtbank kan zich met verweerders standpunt verenigen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden ten aanzien van het bezwaar oplevert op grond waarvan is komen vast te staan dat definitieve vaststelling van de huurtoeslag over het jaar 2021 moet worden herzien. Verweerder heeft het verzoek om herziening van eiser dan ook kunnen afwijzen op de grond dat eiser bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld.
6.6.
Voor zover eiser bedoeld heeft te stellen dat het besluit evident onredelijk is, is de rechtbank van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Verweerder heeft ter zitting voldoende duidelijk gemaakt dat het inkomen van de zoon van eiser over het jaar 2021 weliswaar mede betrokken is bij de vaststelling van eisers recht op huurtoeslag maar dat dit slechts geldt voor de eerste vijf maanden van 2021, de maanden waarin de zoon bij eiser inwoonde. Er is geen sprake van evident onredelijke besluitvorming.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat verweerder – indien eiser daarom verzoekt – een betalingsregeling biedt waarbij rekening kan worden gehouden met de financiële situatie van eiser.
6.7.
Uit wat is overwogen onder 6.3 tot en met 6.6 volgt dat verweerder het herzieningsverzoek van eiser mocht afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb en dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.