Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-01-18
ECLI:NL:RBNNE:2023:4385
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,231 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 24 augustus 2022 de onderhavige strafzaak geseponeerd in verband met het ontbreken van voldoende bewijs.
Op 13 oktober 202 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt in het kader van voornoemdklaagschrift tegen de inhouding van zijn rijbewijs tot een bedrag van
€ 907,50
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van € 340,-, tevermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 26 oktober 2022, de door de advocaat op 4 november 2022 nagestuurde aanvullende stukken, het nadere standpunt van de officier van justitie van 23 november 2022 en de aanvulling van de advocaat van 18 januari 2023.
De rechtbank heeft – met toestemming van de advocaat en de officier van justitie – besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
Verzocht wordt vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de klaagschriftprocedure ex artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen wettelijke grondslag is te vinden in art. 530 van het Wetboek van Strafvordering voor het vergoeden van deze kosten. De officier van justitie verwijst in dat kader naar een arrest van de Hoge Raad van 22 september 2015.1 In voornoemd arrest komt onder andere aan bod dat voor de klaagschriftprocedure van art. 164, achtste lid, WvW 1994 geen aparte, zelfstandige regeling is getroffen voor wat betreft de vergoeding van proceskosten, zoals dat wel het geval is voor de procedures van art. 552a tot en met 552b Sv. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat daaruit – of anderszins uit het arrest van de Hoge Raad – niet volgt dat er in het geheel geen wettelijke grondslag bestaat voor de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het kader van voornoemde klaagschriftprocedure. In het betreffende arrest wordt naar het oordeel van de rechtbank enkel benadrukt dat de klaagschriftprocedure accessoir is aan de latere strafzaak en de uitkomst daarvan (waar dat bij de procedures van art. 552a tot en met 552b Sv niet het geval is), hetgeen betekent dat de kosten van rechtsbijstand in het kader van de klaagschriftprocedure enkel voor vergoeding in aanmerking komen wanneer de latere strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Voor de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het kader van de klaagschriftprocedure van art. 164, achtste lid, WvW 1994 bestaat dus weliswaar geen aparte regeling, maar deze kosten kunnen worden beschouwd als
onderdeel van de kosten van rechtsbijstand in de (onderliggende) strafzaak.2
Nu in het onderliggende geval de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr, komen de kosten van rechtsbijstand in het kader van de klaagschriftprocedure van art. 164, achtste lid, WvW 1994 voor vergoeding in aanmerking. De urenspecificatie van de advocaat komt de rechtbank voorts niet onredelijk voor, zodat het gevraagde bedrag aan advocaatkosten in het geheel zal worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift een vergoeding inclusief BTW toekennen van € 340,-.
Dictum
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 1.247,50.
Deze beslissing is gegeven door Mr. G. Eelsing, rechter,
bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier,
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van € 1.247,50 (zegge: duizendtweehonderdzevenenveertig euro en vijftig eurocent), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Logemann strafrechtadvocaat onder vermelding van [verzoeker] 22/023374.
HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757.
Zie ook Gerechtshof Den Haag 18 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2129 en Rechtbank Gelderland 16 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:7443.