Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-16
ECLI:NL:RBNNE:2023:4002
Civiel recht; Insolventierecht
Beschikking
2,296 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
Zaaknummer: C/18/225470/ FT RK 23.451
beschikking d.d. 16 augustus 2023
in de zaak van:
[verzoekster]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster.
PROCESGANG
Op 14 augustus 2023 heeft verzoekster een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en een verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad ingediend. Beide verzoeken zijn ingediend door G. Benedictus, werkzaam bij Bureau Benedictus te Garijp.
De gevraagde voorziening richt zich tegen ING Bank N.V., vertegenwoordigd door Syncasso Gerechtsdeurwaarders, Postbus 6002, 1005 EA Amsterdam, hierna te noemen: ING.
RECHTSOVERWEGINGEN
De gevraagde voorziening houdt in opschorting van het door ING gelegde executoriaal derdenbeslag op het inkomen van verzoekster totdat op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is beslist.
Verzoekster heeft aangevoerd dat de gevraagde voorziening bij voorraad noodzakelijk is omdat door het gelegde executoriaal (derden)beslag op het inkomen van verzoekster haar poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen wordt doorkruist.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat er sprake is van een bedreigende situatie. Uit het verzoek blijkt dat (derden)beslag op het inkomen is gelegd en dat hierdoor de poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen wordt doorkruist en dat in het zicht van een mogelijke toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) nieuwe schulden dreigen te ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening daarmee ook spoedeisend is.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoekster in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling.
Zonder de gevraagde voorziening kan immers niet ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers worden gereserveerd. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling tot stand komt zo klein is dat de gevraagde voorziening niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het door ING executoriaal gelegde (derden)beslag op het inkomen van verzoekster gedurende vier maanden opschorten.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van deze voorlopige voorziening een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoekster dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.
Dictum
De rechtbank:
- schort tijdens de looptijd van deze voorziening het door ING gelegde executoriaal gelegde derdenbeslag op het inkomen van verzoekster op;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden na heden;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel de beslissing op dat verzoek in kracht van gewijsde is gegaan;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat degene die namens verzoekster de buitengerechtelijk schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorlopige voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Gewezen door mr. D.J. Klijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
16 augustus 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Door de verzoekers en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
Zaaknummer: C/18/225470/ FT RK 23.451
beschikking d.d. 16 augustus 2023
in de zaak van:
[verzoekster]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster.
PROCESGANG
Op 14 augustus 2023 heeft verzoekster een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en een verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad ingediend. Beide verzoeken zijn ingediend door G. Benedictus, werkzaam bij Bureau Benedictus te Garijp.
De gevraagde voorziening richt zich tegen ING Bank N.V., vertegenwoordigd door Syncasso Gerechtsdeurwaarders, Postbus 6002, 1005 EA Amsterdam, hierna te noemen: ING.
RECHTSOVERWEGINGEN
De gevraagde voorziening houdt in opschorting van het door ING gelegde executoriaal derdenbeslag op het inkomen van verzoekster totdat op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is beslist.
Verzoekster heeft aangevoerd dat de gevraagde voorziening bij voorraad noodzakelijk is omdat door het gelegde executoriaal (derden)beslag op het inkomen van verzoekster haar poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen wordt doorkruist.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat er sprake is van een bedreigende situatie. Uit het verzoek blijkt dat (derden)beslag op het inkomen is gelegd en dat hierdoor de poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen wordt doorkruist en dat in het zicht van een mogelijke toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) nieuwe schulden dreigen te ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening daarmee ook spoedeisend is.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoekster in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling.
Zonder de gevraagde voorziening kan immers niet ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers worden gereserveerd. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling tot stand komt zo klein is dat de gevraagde voorziening niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het door ING executoriaal gelegde (derden)beslag op het inkomen van verzoekster gedurende vier maanden opschorten.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van deze voorlopige voorziening een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoekster dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.
Dictum
De rechtbank:
- schort tijdens de looptijd van deze voorziening het door ING gelegde executoriaal gelegde derdenbeslag op het inkomen van verzoekster op;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden na heden;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel de beslissing op dat verzoek in kracht van gewijsde is gegaan;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat degene die namens verzoekster de buitengerechtelijk schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorlopige voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Gewezen door mr. D.J. Klijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op
16 augustus 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Door de verzoekers en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.