Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2023-09-08
ECLI:NL:RBNNE:2023:3782
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 22/1089 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2023 in de zaak tussen [naam uit woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.H. Wormmeester), en de Korpschef van de Politie eenheid Noord-Nederland, de korpschef (gemachtigden: [naam] en [naam] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking bij besluit van 21 oktober 2021 van de eerder verleende toestemmingen aan [bedrijf] te Hoogezand en Stichting [stichting] te Emmen om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. 1.1. Met het bestreden besluit van 21 maart 2022 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij dat besluit gebleven. 1.2. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, bijgestaan door mr. Post en de gemachtigden van de korpschef. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de korpschef de verleende toestemmingen om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten kon intrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4. De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen ter zitting hebben bevestigd dat de beroepsgronden die betrekking hebben op de dwangsommen niet langer in geschil zijn en dat de rechtbank zich hierover niet verder hoeft uit te laten. 5. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank de vraag voor of het bestreden besluit, waarbij de korpschef is gebleven bij de intrekking op 21 oktober 2021 van de op 4 mei 2020 en 13 mei 2021 verleende toestemmingen om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, rechtmatig is. 6. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:931), overweegt de rechtbank dat de korpschef beoordelingsruimte toekomt bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn. Mocht de korpschef afzien van het horen van eiser voorafgaand aan het intrekkingsbesluit van 21 oktober 2021? 7. Eiser heeft aangevoerd dat de korpschef ten onrechte eiser niet heeft gehoord voorafgaand aan het intrekkingsbesluit van 21 oktober 2021. 7.1. Op grond van artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de korpschef besluiten om iemand niet eerst in de gelegenheid te stellen om een zienswijze naar voren te brengen tegen een beschikking die diegene niet heeft aangevraagd en waartegen diegene naar verwachtingen bedenkingen zal hebben, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. De korpschef heeft van deze bevoegdheid met het besluit van 21 oktober 2021 gebruik gemaakt. 7.2. De korpschef heeft in het besluit van 21 oktober 2021 overwogen dat het dringend gewenst werd geacht dat eiser voorlopig geen beveiligingswerkzaamheden meer kon uitvoeren ter voorkoming van escalatie in het publieke domein. Hierbij heeft de korpschef aangegeven dat de teamchef van de basiseenheid had gerapporteerd over grote spanningen tussen een aantal bij de politie Emmen bekende personen. Gelet hierop is eisers toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken zonder wederhoor. 7.3. Uit het dossier blijkt dat er op 16 oktober 2021 een incident heeft plaatsgevonden en dat eiser Hierbij heeft de korpschef aangegeven dat deze registratie niet in de onderhavige besluitvorming zal worden betrokken. Nu de rechtbank niet is gebleken dat de korpschef de registratie van 24 december 2020 wel bij zijn besluitvorming heeft betrokken behoeft deze registratie geen verdere bespreking. 8.4. Ten aanzien van de overige feiten en / of omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat aan eiser toestemming is verleend om beveiligingswerkzaamheden te verrichten stelt de rechtbank vast dat de korpschef heeft gewezen op de registratie van 16 oktober 2021. Volgens de korpschef heeft eiser in het bijzijn van de politie iemand telefonisch bedreigd met de dood. Voor dit incident is eiser op 17 oktober 2021 ook aangehouden en verhoord. Hierover wordt als volgt overwogen. 8.4.1. De rechtbank stelt vast dat eiser op 6 februari 2023 is vrijgesproken ten aanzien van de in een dagvaarding van 10 augustus 2022 genoemde feiten. In die dagvaarding is opgenomen dat eiser wordt verdacht van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling op of omstreeks 16 oktober 2021. 8.4.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de AbRS, waaronder de uitspraak van 23 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:564) kan, indien een bestuursorgaan vooruitlopend op het oordeel van de strafrechter feiten uit een strafdossier aan een besluit ten grondslag legt, de uitkomst van de strafzaak nader licht werpen op die feiten en om die reden bij de beoordeling van het besluit worden betrokken. Een latere uitspraak van de strafrechter over die feiten is een bewijsstuk met betrekking tot het feitencomplex waarop het besluit is gebaseerd. 8.4.3. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de korpschef voor een andere beoordeling staat dan de strafrechter. In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 is in dit verband opgenomen dat de korpschef in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden kan hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming. 8.4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef in het onderhavige geval niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet (langer) voldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de korpschef als concreet feit heeft genoemd de bedreiging door eiser op 16 oktober 2021. Van dit concrete feit is eiser echter vrijgesproken door de strafrechter. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gegeven relevant voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er is sprake van een nauw verband tussen de feiten die in de strafprocedure zijn beoordeeld en die in deze bestuursrechtelijke procedure moeten worden beoordeeld. De vrijspraak gaat immers over dezelfde vraag, namelijk of eiser op 16 oktober 2021 een bedreiging heeft geuit. Ook steunt het standpunt van de korpschef op dezelfde bewijsmiddelen als waarover de strafrechter beschikte. Gelet hierop had het, naar het oordeel van de rechtbank, op de weg van de korpschef gelegen om nader te motiveren waarom eiser, ondanks de vrijspraak, toch in verband met de registratie van 16 oktober 2021 onvoldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Deze motivering is door de korpschef niet gegeven. Gelet hierop kleeft naar het oordeel van de rechtbank aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd dat eiser niet (meer) voldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Hierbij betrekt de rechtbank dat de korpschef ter zitting heeft betoogd dat er meer concrete feiten zijn die aan het bestreden besl (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken) De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet: binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of, binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd Verlenging terugkijktermijn Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen. Transacties en strafbeschikkingen Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. Hoger beroep Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg. Buitenlandse veroordelingen Een veroordeling in het buitenland, wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, wordt gelijk gesteld met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. Afwijking termijnen De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang. Andere rechterlijke uitspraken dan veroordelingen Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan gedacht worden aan zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Die situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een toestemming te weigeren. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming. Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Sepots, processen-verbaal en mutaties Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt