Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-18
ECLI:NL:RBNNE:2023:3483
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
880 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3241
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2023 in de zaak tussen
[naam] , uit Arnhem, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, verweerder
(gemachtigde: M. Vriesema).
Procesverloop
In het besluit van 14 juli 2022 (primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe supermarkt op het perceel Foarstrjitte 49 te De Westereen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.
2. Het primaire besluit dateert van 14 juli 2022. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt bij brief met dagtekening 12 juli 2023, door verweerder ontvangen op 26 juli 2023. Bij brief van 27 juli 2023 heeft verweerder aan verzoeker gevraagd waarom het bezwaar te laat is ingediend. Verzoeker heeft geantwoord dat hij ten tijde van de publicatie van de vergunning in Malta woonde en er daardoor geen kennis van had kunnen nemen. Nadat het besluit hem bekend was geworden, heeft hij echter wel onverwijld bezwaar gemaakt.
3. Verzoeker heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij sinds april 2022 tracht om een woning te krijgen in de straat van de nieuwe supermarkt en dat dit thans ook lijkt te zijn gelukt.
4.1.
Niet is in geschil dat het bezwaar te laat is ingediend. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter leiden de door verzoeker daarvoor aangevoerde redenen, niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
4.2.
Ten tijde van de vergunningverlening woonde verzoeker, naar eigen zeggen, in Malta. Op dat moment was verzoekers belang dus niet rechtstreeks bij het besluit betrokken. Om die reden is verzoeker geen belanghebbende in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat verzoeker, die ten tijde van het maken van bezwaar woonachtig was te Arnhem, pogingen doet om een woning nabij het bouwproject te verkrijgen, doet in dit verband niet ter zake.
4.3.
Omdat het bezwaar onverschoonbaar te laat is ingediend en verzoeker geen belanghebbende is, dient het bezwaar naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk te worden geacht. Het bezwaar heeft dus geen redelijke kans van slagen. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, wordt het afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.