Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-02
ECLI:NL:RBNNE:2023:3468
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,346 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaakgegevens: C/19/144174 / FA RK 23-1164
datum uitspraak: 2 augustus 2023
beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Groningen,
betreffende
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4]
, geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1] , hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
[belanghebbende 2] , hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
beiden bijgestaan door mr. R. Eefting
[belanghebbende 3] en [belanghebbende 4] , hierna te noemen: de pleegouders.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stiching Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, hierna te noemen: de GI.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de Raad van 12 juni 2023, ingekomen bij de griffie op 12 juni 2023.
1.2.
De rechtbank heeft op 7 juli 2023 een informatieve brief ontvangen van de GI.
1.3.
Op 20 juli 2023 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder,
- de vader,
- de heer mr. Eefting namens beide ouders,
- de heer [vertegenwoordiger van de raad] als vertegenwoordiger van de Raad,
- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] als vertegenwoordigsters van de GI.
De pleegouders zijn opgeroepen, maar waren met kennisgeving niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling.
2
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 23 maart 2022 zijn de kinderen onder toezicht van de GI gesteld. Sinds 26 april 2022 zijn de kinderen met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 23 maart 2024.
2.3.
Sinds 3 mei 2022 verblijven de kinderen in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.
2.4.
De GI heeft zich tijdens de zitting op 20 juli 2023 mondeling bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad vraagt de rechtbank om, op grond van artikel 1:267, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), te beoordelen of het ouderlijk gezag van de moeder en de vader over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] moet worden beëindigd. De Raad heeft na onderzoek besloten geen beëindiging van het ouderlijk gezag van ouders over de kinderen te verzoeken, terwijl de GI een gezagsbeëindigende maatregel wel in het belang van de kinderen acht. Nu de Raad en de GI hierover van mening verschillen, vraagt de Raad op verzoek van de GI aan de rechtbank hierover een oordeel te geven. De rechtbank kan vervolgens na een eigen afweging het gezag van ouders ambtshalve beëindigen.
4Het standpunt van de Raad
4.1.
De Raad verwijst voor een onderbouwing van zijn standpunt naar het raadsrapport van 12 juni 2023, waarin onder meer het volgende wordt aangevoerd.
4.2.
Hoewel ouders het beste met de kinderen voor hebben, is sprake geweest van een voor de kinderen beschadigende opvoedsituatie. Ouders konden de zorg voor de kinderen niet aan. Bij beide ouders is er voorafgaand aan de ondertoezichtstelling sprake geweest van jarenlange ernstige overbelasting en overvraging en een tekort aan opvoedvaardigheden, wat leidde tot onderstimulering en een gebrek aan inzicht in wat kinderen nodig hebben. De kinderen hebben geleefd in een ernstig vervuilde woning, waarbij het hun niet alleen heeft ontbroken aan hygiëne en persoonlijke verzorging, gezonde voeding en schone kleding, maar waarbij ook sprake is geweest van ernstige affectieve verwaarlozing. Dit kwam niet voort uit onwil van ouders, maar uit onmacht. Alle vier de kinderen hebben een verzwaarde opvoedvraag, die door ouders niet of onvoldoende is herkend en waarop om die reden ook niet adequaat is gereageerd. Ouders zijn tot op heden afhankelijk van hulp om hun leven en huishouden op orde te krijgen.
4.3.
De kinderen zijn samen in een pleeggezin geplaatst. Het pleeggezin komt voldoende tegemoet aan de behoeften van de kinderen op de korte en lange termijn. Door de veiligheid, stabiliteit en stimulans die zij in het pleeggezin ontvangen kunnen zij zich adequaat ontwikkelen. De pleegouders hebben aangegeven perspectiefbiedend te willen zijn voor de kinderen.
4.4.
De GI heeft geconcludeerd dat het perspectief van de kinderen niet meer bij ouders ligt. Ouders hebben dit aanvaard en zien dat het nu goed gaat met de kinderen. Ouders hebben in een gesprek met de kinderen aangegeven dat het woon- en opgroeiperspectief van de kinderen bij pleegouders ligt. Hierdoor ervaren de kinderen geen onzekerheid over hun woon- en opgroeiperspectief en hebben ouders de kinderen emotionele toestemming gegeven om het fijn te hebben bij het pleeggezin. Het lukt ouders om hun ouderschap op afstand goed vorm te geven. De kinderen profiteren op dit moment van het beste van beide werelden en er komen geen zorgen naar voren die het tegendeel bewijzen. Het is van belang dat dit zo blijft.
4.5.
Nu duidelijk is dat het perspectief van de kinderen niet meer bij (één van beide) ouders ligt, moet worden bekeken welke kinderbeschermingsmaatregel de meest passende is. Hierbij dient altijd voor de lichtste en minst ingrijpende maatregelen te worden gekozen. Dit zou een verblijf van de kinderen in het pleeggezin zijn met begeleiding vanuit het vrijwillig kader. De Raad heeft afgewogen of het vrijwillig kader hiertoe toereikend zou zijn. De samenwerking met ouders wordt door de GI als positief ervaren. Bij de argumentatie van het verzoek tot gezagsbeëindiging stelt de GI dat er sprake is van een belasting van ouders wanneer zij bijvoorbeeld een handtekening moeten zetten voor toestemming voor hulpverlening. De Raad heeft dit met ouders besproken en zij ontkennen dat dit een belasting voor hen is. Daarbij noemen ouders aan de Raad (en zo laten zij dit tot nu toe ook zien) aan alle hulpverlening voor de kinderen mee te willen werken. De GI heeft onvoldoende vertrouwen in de samenwerking, medewerking en mogelijkheden van ouders binnen het vrijwillig kader en voorziet stagnering van hulpverlening en overbelasting van pleegouders wanneer de Raad uitkomt op een perspectiefbesluit zonder gezagsbeëindiging binnen het vrijwillig kader. De GI geeft aan dat in het verleden al is gebleken dat het vrijwillig kader ontoereikend was, maar dit was in de situatie dat de kinderen (en hun halfzus) allen nog thuis
woonden. Er is nu sprake van een nieuwe situatie waarin bezien moet worden of het verblijf van de kinderen in het pleeggezin met hulp van het vrijwillig kader veilig kan worden gesteld. Ouders geven er blijk van het belang van het verblijf van de kinderen in het pleeggezin in te zien en staan ook achter dit verblijf. Naar de mening van de Raad dient daarom eerst goed uitgezocht te worden of ouders in staat zijn om snel en adequaat te reageren op verzoeken die de kinderen betreffen en of zij hierbij wellicht hulp nodig hebben zodat een gezagsbeëindiging achterwege zou kunnen worden gelaten. Volgens de Raad is door de GI tot op heden nog onvoldoende met ouders en pleegouders gesproken over en onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van samenwerking binnen het vrijwillig kader en de (on)mogelijkheden daartoe.
4.6.
Daarnaast is er naar de mening van de Raad binnen de ondertoezichtstelling tot op heden ook onvoldoende aandacht geweest voor overige mogelijkheden zoals het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en indien een gezagsbeëindigende maatregel wel noodzakelijk wordt geacht, voogdij bij pleegouders. Wel is duidelijk geworden tijdens onderhavig onderzoek dat pleegouders denken dat, indien de GI niet meer betrokken is, er een dusdanig groot beroep zal worden gedaan op pleegouders dat op termijn crisisopvang bieden niet tot de mogelijkheid zal behoren. Pleegouders hopen dat zij zich blijvend mogen richten op de ontwikkeling en de verzorging van de kinderen. Zij lijken dan ook niet open te staan voor pleegoudervoogdij.
4.7.
Concluderend vindt de Raad een gezagsbeëindigende maatregel op dit moment (nog) niet passend. Ondanks dat niet meer gewerkt wordt aan terugplaatsing, het perspectief van de kinderen niet meer bij ouders ligt en de aanvaardbare termijn verstreken is, acht de Raad het verlengen van de huidige maatregelen met aanvullende doelen, om beter zicht te verkrijgen op de mogelijkheden dan wel onmogelijkheden voor een perspectiefbesluit zonder gezagsbeëindiging, het meest in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Zowel ouders als pleegouders moeten door de GI meegenomen worden in de afweging van minder
ingrijpende maatregelen. Naar de mening van de Raad is dit door de GI nog onvoldoende met ouders en pleegouders besproken en onderzocht op dit moment. Ook een pleegouder-voogdij regeling dient volgens de Raad (op termijn) overwogen te worden op het moment dat een gezagsbeëindiging noodzakelijk wordt geacht indien pleegouders hier voor open staan.
Beoordeling
8.1.
De rechtbank dient een verzoek tot gezagsbeëindiging te toetsen aan het bepaalde in artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van dit artikel kan het gezag van een ouder beëindigd worden, indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
8.2.
De situatie waarin de kinderen hebben verkeerd toen zij bij ouders woonden, leverde een ernstige bedreiging op voor hun ontwikkeling. Alle kinderen hebben een lange periode van verwaarlozing meegemaakt op alle leefgebieden. Zij woonden in een te kleine, slecht onderhouden en sterk vervuilde leefomgeving, er was onvoldoende basale dagelijkse zorg (voeding, schone kleding en hygiëne), onvoldoende oog voor emotionele en fysieke grenzen en er was te weinig aandacht voor de specifieke ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. De ouders en de betrokken instanties zijn het erover eens dat de ouders nu en in de toekomst niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen en dat het perspectief voor de kinderen bij de pleegouders ligt. Aan de vereisten voor gezagsbeëindiging volgens 1:266, eerste lid BW is daarmee voldaan. Aan de ouders valt een groot compliment te maken over de wijze waarop zij in staat zijn geweest te erkennen waar hun grenzen liggen en dat zij de kinderen de emotionele toestemming kunnen geven om op te groeien in het pleeggezin.
8.3.
De rechtbank moet het verzoek ook toetsen aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, moet deze volgens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verkozen worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. In het geval van een gezagsbeëindiging moet daadwerkelijk gebleken zijn dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Een gezagsbeëindiging is namelijk een zeer zwaar middel dat alleen in uitzonderlijke gevallen dient te worden toegepast. Zie ook het uitgebreide arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 13 januari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:76).
8.4.
Gelet op het bovenstaande moet de rechtbank afwegen of er minder ingrijpende alternatieven voor de hand liggen. Anders dan de Raad, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. De Raad heeft als eerste alternatief een verlenging van de jeugdbeschermingsmaatregelen (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) genoemd, waarvoor als uitgangspunt geldt dat op grond van artikel 1:255 BW een gerechtvaardigde verwachting moet bestaan dat de ouders binnen een, gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige, aanvaardbaar te achten termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Zoals hierboven vastgesteld, bestaat deze verwachting niet. Ouders kunnen de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding niet dragen en het perspectief van de kinderen ligt in het pleeggezin. Hoewel de verwachting is dat ouders zouden instemmen met verlenging van voornoemde maatregelen, vormt de jaarlijkse gerechtelijke procedure van verlenging toch een belasting voor ouders, zo hebben zij aangegeven. Het leidt tot onzekerheid en een pijnlijke confrontatie met het verleden. Ook zal sprake zijn van een belasting voor de kinderen wanneer zij de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt en zelf ook een oproep krijgen over de verlenging van maatregelen gehoord te worden.
8.5.
Namens de Raad is ter zitting aangevoerd dat een tijdelijke verlenging van de maatregelen nog zou kunnen opleveren dat het contact tussen de kinderen en hun halfzus A. wordt verbeterd. Ook zal beter kunnen worden onderzocht in hoeverre de pleegouders de voogdij op zich zouden willen nemen. De GI heeft hiertegen ingebracht dat het contact met pleegzus A. op dit moment voldoende wordt gefaciliteerd en dat verdere verbetering van dit contact met name af hangt van de opstelling van A. zelf. De GI kan hier verder geen invloed op uitoefenen. Ook heeft de GI aangevoerd dat de pleegouders duidelijk hebben aangegeven dat zij de voogdij niet op zich willen nemen, ook niet op termijn en dat zij hiervoor valide redenen hebben.
8.6.
De rechtbank vindt het standpunt van de GI voldoende onderbouwd. Zij acht het niet waarschijnlijk dat het aanhouden van de huidige maatregelen tot verbetering van het contact met halfzus A. zal leiden, of dat de pleegouders met meer tijd op andere gedachten zullen worden gebracht. De pleegouders hebben duidelijke en begrijpelijke overwegingen voor hun keuze om af te zien van pleegouder-voogdij. Ook om deze reden is een verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen naar het oordeel van de rechtbank dus niet geëigend.
8.7.
Het tweede alternatief voor een gezagsbeëindiging dat de Raad heeft aangevoerd, is dat de ouders hun gezag behouden en daarbij vanuit het vrijwillig kader worden ondersteund, of dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in elk geval nog tijdelijk kunnen worden benut om dit verder te onderzoeken. De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat begeleiding vanuit het vrijwillig kader bij behoud van het gezag van ouders op dit moment en in de toekomst onvoldoende waarborgen biedt. Daarbij overweegt zij in de eerste plaats dat de ouders gedurende enige tijd, ook na te zijn geadviseerd door een advocaat, duidelijk hebben aangegeven zelf af te willen zien van de belasting die het gezag met zich meebrengt. Hoewel het dubbel voelt, willen zij zich het liefst alleen bezig houden met de omgang met de kinderen. Het geeft hen rust om de regelzaken uit handen te geven. Op dit moment geven zij overigens ook weinig praktische invulling aan het gezag. De GI heeft toegelicht dat de ouders, ondanks hun goede intenties en hun medewerking, geen initiatieven nemen in de regelzaken voor de kinderen. Zij lijken niet altijd geïnteresseerd in de overwegingen voor bepaalde hulp, of lijken dit niet te begrijpen. Beëindiging van het gezag zal in dit opzicht dus geen wezenlijke verandering brengen.
8.8.
Verder overweegt de rechtbank dat de ouders pertinent niet willen samenwerken met de gemeente vanuit het vrijwillig kader. Hierin zijn zij volhardend. De begeleiding vanuit het vrijwillig kader is in het verleden onvoldoende gebleken en de ouders hebben hiervan veel druk ervaren. Hoewel de situatie op dit moment anders is (de kinderen wonen niet meer thuis), is het gebrek aan vertrouwen van de ouders in de begeleiding vanuit het vrijwillig kader een duidelijke contra-indicatie voor de kans van slagen.
8.9.
Bovendien heeft de GI - onbetwist - aangevoerd dat het vrijwillig kader vooral is ingericht om ondersteuning te bieden en in dit geval, gelet op de beperkte capaciteiten van de ouders en de vergrote zorgbehoefte van de kinderen, waarschijnlijk niet die mate van initiatief en regie kan bieden die nodig is. De ouders moeten aan de hand genomen worden bij het regelen van zaken en het maken van keuzes voor de kinderen. Daarbij komt nog dat het vrijwillig kader is toegespitst op de regio Emmen, waar de ouders wonen, terwijl de kinderen in Roodeschool wonen en daar hun zorg nodig hebben. Het is dus ook de vraag of het vrijwillig kader in Emmen voldoende zicht kan hebben op de situatie van de kinderen. De rechtbank acht de vrees gegrond dat het vrijwillig kader tekortschiet, met als gevolg dat de pleegouders hierdoor extra worden belast.
Dictum
De rechtbank:
9.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2]
over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ;
9.2.
benoemt tot voogd over genoemde minderjarigen de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering;
9.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Woudenberg, voorzitter, en mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en mr. E.A.Th. Van Wijk, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 augustus 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Bij ontstentenis van de voorzitter wordt deze beschikking door mr. Dresselhuys-Doeleman ondertekend.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden
fn: 546/PvdL
Feiten
De Raad verzoekt de GI om hierover het gesprek met ouders en de pleegouders aan te
gaan, en om te onderzoeken wat er nodig is om tot een dergelijke regeling over te gaan, mocht de GI van mening blijven dat plaatsing binnen het vrijwillig kader geen optie is. De Raad heeft in deze afweging meegenomen dat het niet de verwachting is dat het in stand houden van het gezag van ouders tot problemen zal leiden in de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
5Het standpunt van de GI
5.1.
De GI vindt dat een gezagsbeëindiging de meest passende maatregel is. Ouders geven (emotionele) toestemming aan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor het wonen binnen het pleeggezin en accepteren dat de kinderen daar zullen opgroeien. Ouders werken goed samen met de GI. Zij nemen adviezen van de jeugdbeschermers en de ambulante hulpverlening ter harte en staan open voor hulp. Het contact tussen ouders en de kinderen kenmerkt zich voornamelijk in het leuk hebben met elkaar. Er is geen sprake van een opvoedende rol als zij elkaar zien.
5.2.
De GI is ervan overtuigd dat voortzetting van deze situatie vanuit het vrijwillig kader geen optie is. Het verleden heeft dit ruimschoots bewezen. Ouders hebben zeer negatieve ervaringen opgedaan met de hulp die in het verleden vanuit De Toegang is ingezet en hebben daarin geen enkel vertrouwen. Ook De Toegang geeft aan geen vertrouwen te hebben in het opbouwen van een constructieve samenwerking met ouders. Het is belangrijk dat de vele regelzaken die op korte termijn voorzienbaar zijn snel en effectief kunnen worden gedaan. Niet alleen is dat in het belang van de kinderen, maar ook worden de draagkracht en -last van pleegouders op deze wijze optimaal gefaciliteerd. Vanuit het gedwongen kader kan dit snel en bijna per direct geregeld en gewaarborgd worden. Het komt met regelmaat voor dat regelzaken rondom de kinderen stagneren omdat ouders stukken die getekend moeten worden laat of te laat terugsturen. Post wordt niet altijd gelezen en/of niet begrepen en/of niet beantwoord. De GI moet hier regelmatig achteraan. Zelf om hulp vragen laat zeer te wensen over. De coping stijl van ouders bestaat uit vermijden, uitstellen, afzeggen of niks doen. Ouders moeten continu gestimuleerd, aangestuurd en gecontroleerd worden. Ouders komen pas in actie als zij aan de hand worden meegenomen. Ook zijn er zorgen over de financiën van ouders. Zij hebben schulden en beheren hun financiën niet zelf. Wanneer ouders het gezag behouden, zullen zij financieel verantwoordelijk blijven voor de kinderen en de GI voorziet dat de kinderen dan niet (tijdig) de zorg krijgen die zij nodig hebben. Een overdracht naar het vrijwillig kader zal ouders enkel meer belasten. Het is belangrijk dat ouders hun ouderschap op afstand kunnen invullen en dat zij volledig ontlast worden ten aanzien van regelzaken omtrent de kinderen. Ouders dienen ontzorgd te worden zodat er een onbezorgd fijn contact kan zijn tussen ouders en kinderen. Door een voogd aan te stellen kunnen ouders zich volledig richten op het contact met de kinderen. In het verleden zijn ouders ernstig overvraagd en dit dient voorkomen te worden. Een voogd kan de belangen van de kinderen permanent behartigen.
5.3.
Nu duidelijk is dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt, is een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing volgens de GI ook niet meer de geëigende maatregel. Nog daargelaten dat de GI niet inziet aan welke doelen er in het kader van een ondertoezichtstelling nog gewerkt zou moeten worden, zullen de jaarlijkse verlengingszittingen een belasting vormen. Niet alleen willen ouders dit niet, maar ook is dit onwenselijk wanneer de kinderen de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt en een oproep krijgen hierover zelf gehoord te worden.
5.4.
De GI ziet niet in op welke wijze zij de mogelijkheden van pleegouder-voogdij nog nader zou kunnen onderzoeken. Pleegouders hebben duidelijk aangegeven dit niet te willen. Daar hebben zij redenen voor die te respecteren zijn. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden en meent dat op die manier de continuïteit in hulp en zorg het beste gewaarborgd is.
6Het standpunt van de ouders
6.1.
De ouders verklaren dat het goed gaat met de kinderen; ze zitten allemaal op zwemles en ze doen het goed op school. Het contact met de pleegouders is heel goed. Er is contact via de app of telefonisch. De ondersteuning vanuit 10 voor Toekomst loopt goed. Ze ondersteunen op meerdere vlakken, bijvoorbeeld bij het opruimen van de woning en om dit vast te houden.
Ouders staan er nog steeds achter dat de kinderen bij het pleeggezin verblijven, hoewel zij dit in hun hart natuurlijk lastig vinden. De hoop blijft dat de kinderen weer thuis komen wonen. Ouders hopen dat de contactmomenten uitgebreid worden.
6.2.
De ouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij de optie van begeleiding via het vrijwillig kader absoluut niet zien zitten. Dit is alleen mogelijk via De Toegang en daar hebben zij geen goede ervaring mee. Zij hebben in het verleden onvoldoende steun van De Toegang ervaren bij het behalen van doelen, waardoor zij veel druk hebben ervaren. Zij begrijpen, ook na een uitgebreid gesprek met hun advocaat, dat gezagsbeëindiging een ingrijpende maatregel is, maar hebben geen vertrouwen in een samenwerking met De Toegang of daaraan gelieerde organisaties, ook niet wanneer eerder betrokken medewerkers buiten het dossier worden gelaten. Liever zien zij dat het gezag wordt beëindigd en blijven zij op de huidige wijze in contact met de GI voor wat betreft de omgang met de kinderen. Ouders accepteren dat het perspectief van wonen en opgroeien van de kinderen binnen het pleeggezin ligt en zij zijn het eens met alle eerdere voorstellen van de GI met betrekking tot wat nodig is voor de kinderen. Zij kunnen er dan ook mee instemmen dat het gezag beëindigd wordt.
6.3.
Ouders hebben in hun gesprek met de Raad aangegeven dat zij graag zouden zien dat de voogdij bij pleegouders komt te liggen. Ouders hebben hier goed samen over nagedacht. Volgens moeder zou het makkelijker zijn om rechtstreeks met pleegouders te overleggen over wat nodig is voor de kinderen en ouders stemmen in met wat pleegouders noodzakelijk achten voor de kinderen.
7Het standpunt van pleegouders
7.1.
Met de kinderen gaat het volgens pleegmoeder goed. Ze lijken goed in hun vel te zitten. Omgang tussen ouders en de kinderen verloopt positief. Ze zien elkaar om de week twee uur op het kantoor van de GI in Groningen. Vaak knutselen ze dan samen. Het is opgevallen dat de kinderen beslissen en ouders volgen. Ouders houden veel van de kinderen en beiden vinden het fijn om elkaar te zien. Voor de kinderen is hun woon- en opgroeiperspectief duidelijk. Ouders hebben dit met de kinderen besproken met behulp van de GI en in het bijzijn van pleegmoeder.
7.2.
Het contact tussen pleegouders en ouders is positief, maar beperkt; zij zien elkaar tijdens de omgang met de kinderen maar het komt niet tot een gesprek. Ouders willen aan alles meewerken en zetten overal hun handtekening voor, echter lijken pleegouders en de jeugdbeschermers leidend te zijn in de keuzes voor de kinderen. Ouders hebben hier tot op heden geen eigen mening in laten zien en zijn voornamelijk volgend. Voor ouders is het fijn om zich te kunnen richten op het doen van leuke dingen met de kinderen.
7.3.
Pleegouders hebben de rechtbank voorafgaand aan de zitting telefonisch laten weten dat zij menen dat het passend zou zijn als het gezag van ouders beëindigd wordt. Pleegouders zouden graag zien dat de voogdij bij de GI wordt belegd.