Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-07-13
ECLI:NL:RBNNE:2023:2865
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
25,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rekestnummer: C/18/216689 / FA RK 22-4052 en C/18/218878 / FA RK 22-5644
echtscheidingsbeschikking met nevenvoorzieningen van 27 juni 2023
in de zaak van
[de vrouw]
,
die woont in [woonplaats],
en die hierna "de vrouw" wordt genoemd,
advocaat mr. I.M. Feenstra, die kantoor houdt in Groningen,
en
[de man]
,
die woont in [woonplaats],
en die hierna "de man" wordt genoemd,
advocaat mr. M.H. Heeg, die kantoor houdt in Groningen.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het echtscheidingsverzoek van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 19 september 2022;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen bij de rechtbank op 6 december 2022;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 15 maart 2023;
- de akte uitlating en overlegging producties van de man, ingekomen bij de rechtbank op 25 mei 2023;
- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 30 mei 2023.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op 5 juni 2023. Tijden deze mondelinge behandeling zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, alsmede de heer [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen "de Raad") verschenen en gehoord.
1.3.
Het minderjarige kind van partijen ([minderjarige 2]) is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft dit zowel schriftelijk als mondeling gedaan.
1.4.
Tenslotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.
Feiten
2.1.
Bij de beoordeling van de verzoeken kan de rechter uitgaan van de volgende feiten, die volgen uit de onweersproken inhoud van de processtukken en de daarop tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting.
2.2.
De vrouw heeft de Spaanse nationaliteit en de man de Duitse nationaliteit.
2.3.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaats], [land]) met elkaar gehuwd.
2.4.
Partijen zijn de ouders van de negentienjarige [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] in de [geboorteplaats], en de zeventienjarige [minderjarige 2], die zich identificeert als [minderjarige 2] en als "hij", geboren op [geboortedatum] in de [geboorteplaats]. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 2].
2.5.
Partijen hebben in de Verenigde Staten onder andere in [plaats] gewoond. In 2014 zijn partijen met het gezin in Nederland komen wonen, in eerste instantie in [plaats].
2.6.
Partijen zijn in of omstreeks [datum 1] uit elkaar gegaan. Tot [datum 1] verbleef [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man. Sindsdien verblijft [minderjarige 2] volledig bij de vrouw.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) tussen partijen, die op [huwelijksdatum] te [plaats] ([land]), in het huwelijk
zijn getreden, de echtscheiding uit te spreken;
b) te bepalen dat met ingang van de datum van de in deze af te geven beschikking, het
hoofdverblijf van de minderjarige, [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
bij de vrouw zal worden bepaald;
c) te bepalen dat de man primair met ingang van 1 januari 2021, althans 1 februari 2022,
althans datum indiening verzoekschrift, gehouden zal zijn bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]) met
mee bedrag van € 385,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen,
althans een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum als uw rechtbank in goede
justitie rechtvaardig oordeelt;
d) partijen te gelasten over te gaan tot afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van
partijen naar het recht van Massachusetts (VS).
3.2.
De man voert verweer en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze af te wijzen. Bij wege van zelfstandig verzoek, verzoekt de man:
I. tussen partijen op [huwelijksdatum] in [plaats] met elkaar gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
II. voor recht te verklaren dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het
recht van Massachusetts (VS) van toepassing is en te bepalen dat partijen volgens het recht van Massachusetts hun huwelijksvermogensregime als volgt dienen af te wikkelen dan wel de volgende wijze van verdeling c.q. verrekening te gelasten dan wel de verdeling c.q. verrekening in goede justitie vast te stellen c.q. te gelasten:
te bepalen dat het onroerend goed in [land] aan de [adres] in de equitable distribution (billijke verdeling) tussen partijen betrokken dient te worden en te bepalen dat de vrouw een vergoeding aan de man dient te voldoen gelijk aan 57,55% van de overwaarde van de woning dan wel een vergoeding door uw rechtbank in goede justitie te bepalen dan wel te bepalen dat de woning te [plaats] tussen partijen verdeeld dient te worden en deze woning toe te bedelen aan de vrouw onder de verplichting om aan de man een onderbedelingsvergoeding te voldoen gelijk aan 57,55% van de overwaarde van de woning. Indien de vrouw aangeeft dat zij de woning in [plaats] niet toebedeeld wenst te krijgen te bepalen dat de woning verkocht dient te worden, beide partijen bij dit verkoopproces betrokken dienen te worden en de vrouw de man van alle van belang zijnde ontwikkelingen in de verkoop dient te informeren en te consulteren en te bepalen dat de verkoopprijs door partijen gezamenlijk bepaald en aanvaard dient te worden.
Ten slotte te bepalen dat de opbrengst van de woning in [plaats] tussen partijen bij helfte gedeeld dient te worden dan wel de vrouw bij de levering een onderbedelingsvergoeding aan de man dient te voldoen ter grootte van het aandeel van de man in de woning zijnde een aandeel van 57,55% van de overwaarde van de woning dan wel het aandeel door uw rechtbank in goede
justitie vast te stellen c.q. een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen verdeling/verrekening te bepalen ten aanzien van het onroerend goed in [plaats] en te bepalen dat de door de vrouw aan de man te voldoene vergoeding vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente over deze vergoeding vanaf de datum indiening van dit verweerschrift tot de datum der algehele voldoening;
de waarde van de woning in [plaats] door uw rechtbank in goede justitie te bepalen door een deskundige c.q. makelaar aan te wijzen die het onroerend goed in [plaats] dient te waarderen dan wel te bepalen dat door partijen gezamenlijk ter waardering van de woning een deskundige, zoals een makelaar, aangewezen dient te worden waarbij de man drie namen van
deskundigen (zoals makelaars) in [land] aan de vrouw zal voorleggen (binnen veertien dagen na de in deze te wijzen beschikking) en de vrouw vervolgens binnen veertien dagen nadat de man deze namen van deskundigen c.q. makelaars aan de vrouw heeft voorgelegd hieruit een keuze dient te maken waarbij de kosten van de waardering van de woning door partijen bij helfte gedeeld dienen te worden en voorts te bepalen dat beide partijen hun volledige medewerking dienen te verlenen aan de waardering van de woning in [plaats] ([land]);
voorts te bepalen dat de vrouw op straffe van een dwangsom van C 2.000,00 per dag c.q. dagdeel dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft (dan wel op straffe van een dwangsom door uw rechtbank in goede Justitie te bepalen) haar medewerking dient te verlenen aan het gestelde onder II van dit verweerschrift.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Zij verzoekt om toewijzing van het verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken en om afwijzing van de overige verzoeken.
Beoordeling
Verzoek tot echtscheiding
4.1.
Partijen hebben beiden verzocht om de echtscheiding uit te spreken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.2.
Partijen hebben beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom op grond van artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 ("Brussel II-ter") rechtsmacht om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
4.3.
Uit artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing is.
4.4.
Op grond van artikel 815, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk gezag uitoefenen. Hieraan is niet voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen voorafgaand aan de procedure wel hebben geprobeerd om tot een regeling over [minderjarige 2] te komen, maar dat dat niet goed is gelukt. Het is voldoende gebleken dat overlegging van een ouderschapsplan op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarmee is voldaan aan de uitzondering die artikel 815, lid 6, Rv bevat op het vereiste van overlegging van een ouderschapsplan.
4.5.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Hoofdverblijf [minderjarige 2]
4.6.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar zal zijn. De man heeft hiermee ingestemd.
4.7.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter rechtsmacht ter zake kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [minderjarige 2] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is, gelet hierop, ook Nederlands recht van toepassing.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat er overeenstemming bestaat over het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw. [minderjarige 2] wil zelf ook graag bij de vrouw wonen. Omdat niet is gebleken dat dit in strijd is met zijn belang, zal de rechtbank op dit punt conform het verzoek van de vrouw beslissen.
Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2]
4.9.
De vrouw heeft verzocht dat de rechtbank een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] vaststelt van € 385,- per maand. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
4.10.
Uit de rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding volgt de rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen, zie artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009, PbEU 2009, L 7/1). Op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 is Nederlands recht van toepassing, nu Sebastian zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.11.
De rechtbank zal vaststellen hoe de kosten tussen partijen moeten worden verdeeld. Daarbij volgt de rechtbank het rekenmodel en de daarin opgenomen aanbevelingen die alle rechtbanken en gerechtshoven gebruiken. Die rekenregels worden wel de “Tremanormen” genoemd en zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit brengt voor de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding het volgende mee.
Behoefte [minderjarige 2]
4.12.
Partijen verschillen van mening over de behoefte van [minderjarige 2]. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte is de leeftijd van de minderjarige en het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen. De rechtbank zal - in de lijn met wat partijen hierover stellen - uitgaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.956,- per maand.
4.13.
Partijen zijn omstreeks februari 2020 feitelijk uit elkaar gegaan. [minderjarige 1] was op dat moment minderjarig. Dit brengt met zich dat [minderjarige 1] ook in de behoefteberekening moet worden betrokken. Daarmee komt de behoefte van [minderjarige 2] uit op € 665,- per maand (in 2022: = € 698,-).
Draagkracht
4.14.
De vrouw rekent de rechtbank voor dat zij - afgezien van de bijdrage van € 100,- per maand die partijen elk voldoen aan [minderjarige 1] - een draagkracht heeft van € 1.400,- per maand. Volgens de man heeft de vrouw een draagkracht van € 1.406,- per maand. De rechtbank vindt het redelijk dit minimale verschil te delen en zal daarom uitgaan van een draagkracht van de vrouw van € 1.403,- per maand.
4.15.
De man rekent de rechtbank voor dat hij over een draagkracht beschikt van
€ 1.195,- per maand en heeft de berekening met bewijsstukken onderbouwd. De vrouw heeft de berekening van de man niet betwist. De rechtbank komt dit bedrag niet onredelijk voor en gaat daarom ook daarvan uit.
4.16.
De totale draagkracht van de ouders samen is dus € 2.598,- per maand. Dit overstijgt de behoefte van [minderjarige 2].
4.17.
De verdeling van de kosten van Sebastian over beide ouders wordt als volgt berekend:
- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt € 1.403,- / € 2.598,- x € 698,- = € 377,- per maand;
- het eigen aandeel van de man bedraagt € 1.195,- / € 2.598,- x € 698,- = € 321,- per maand.
Zorgkorting
4.18.
Het toepasselijke percentage van zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Gelet op de feitelijke situatie zoals die op dit moment bestaat, waarin [minderjarige 2] geen contact heeft met de man en er geen indicatie is dat dit op korte termijn wezenlijk zal veranderen, zal de rechtbank een zorgkorting hanteren van 5%, zijnde € 35,--.
Conclusie
4.19.
De man moet een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] aan de vrouw betalen (één en ander conform de aan deze beschikking gehechte berekening) van € 321,- minus € 35,- = € 286,- per maand.
4.20.
Partijen gaan beiden op een verschillende manier om met de bijdrage van € 100,- per maand die zij aan [minderjarige 1] betalen. De vrouw trekt deze bijdrage af van de draagkracht; de man vindt dat de bijdrage uit de vrije ruimte moet worden voldaan. Voor beide keuzes is wat te zeggen. Gelet op de omvang van de vrije ruimte, vindt de rechtbank het redelijk dat partijen een eventuele bijdrage aan [minderjarige 1] uit hun vrije ruimte voldoen.
Ingangsdatum
4.21.
De vrouw wil dat de onderhoudsverplichting ingaat op 1 januari 2021, althans 1 februari 2022, althans de datum van indiening van het verzoekschrift. De rechtbank gaat van deze laatste datum uit. Volgens vaste rechtspraak moet terughoudend worden omgegaan met de verlening van terugwerkende kracht vanwege de financiële gevolgen daarvan. Daarnaast heeft de man gemotiveerd betwist dat hij niet heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen.
Verdere vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk: de woning in [plaats] ([land])
4.22.
Partijen twisten in het kader van de afwikkeling van hun huwelijk over wat er moet gebeuren met de woning in [plaats] ([land]), die op naam staat van de vrouw.
Het toepasselijke recht
4.23.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, is er ook rechtsmacht met betrekking tot deze vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Op grond van artikel 4 lid 1 jo artikel 17 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 moet dit geschilpunt worden beoordeeld naar het recht van de Amerikaanse staat Massachusetts.
4.24.
De vrouw heeft een advies ingebracht van het Internationaal Juridisch Instituut ("IJI") over het op dit geschilpunt toepasselijke recht. De rechtbank zal dit advies als basis voor de beoordeling gebruiken. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard hiermee in te stemmen.
4.25.
In de opinie van het IJI is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
2. Naar het recht van Massachusetts vindt de verdeling van het huwelijksvermogen plaats door middel van ‘equitable distribution’ op grond van section 34 van de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208. Dit houdt in dat een billijke verdeling van huwelijksvermogen plaatsvindt, hetgeen niet noodzakelijk een verdeling bij helfte hoeft in te houden. Bij de billijke verdeling worden verschillende factoren meegewogen, zoals de duur van het huwelijk, gedrag gedurende het huwelijk, leeftijd van de echtgenoten, gezondheid, beroep, inkomen, verdiencapaciteit, schulden, behoefte, zorg voor en behoefte van de kinderen, mate van bijdrage aan de verwerving van het eigen vermogen, mate van bijdrage in het huishouden en gezin. De rechter heeft bij de billijke verdeling een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij hij goed dient te motiveren in de uitspraak hoe hij alle factoren hij meegewogen en hoe tot een bepaalde verdeling is gekomen.
3. Naar het recht van Massachusetts kan al het vermogen van de echtgenoten worden betrokken bij de verdeling, dus ook voorhuwelijks vermogen en vermogen dat is verkregen als schenking of erfenis. Echter, indien er voldoende overige vermogensbestanddelen zijn om een billijke verdeling te bewerkstelligen, volgt uit de rechtspraak dat een rechter minder snel geneigd zal zijn voorhuwelijks vermogen of vermogen verkregen als schenking of erfenis te betrekken in de verdeling.
4. Ten aanzien van de peildatum voor de omvang en de waardering van het vermogen wordt als uitgangspunt de datum van de mondelinge behandeling gehanteerd, tenzij er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om daarvan af te wijken.
(…)
11. Het ‘common law’ huwelijksvermogensregime houdt een scheiding van goederen tussen de echtgenoten in. (…)
De rechten en verplichtingen, waaronder de eigendomsverhoudingen tussen echtgenoten staande het huwelijk zijn neergelegd in Chapter 209 van de Massachusetts General Laws, Part II, Title II. Section 1 van Chapter 209 luidt:
Section 1. The real and personal property of any person shall, upon marriage, remain the separate property of such person, and a married person may receive, receipt for, hold, manage and dispose of property, real and personal, in the same manner as if such person were sole. A husband and wife shall be equally entitled to the rents, products, income or profits and to the control, management and possession of property held by them as tenants by the entirety.
(…)
14. Het recht van Massachusetts kent geen vorm van een huwelijksgemeenschap gedurende het huwelijk. Echter, in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding vindt wel degelijk een verdeling van het (huwelijks)vermogen plaats. Het recht met betrekking tot verdeling kent veel aspecten. In het rapport zal dit slechts op hoofdlijnen worden besproken.
(…)
16. De verdeling van het (huwelijks)vermogen in Massachusetts is geregeld in section 34 van de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208, dat luidt:
‘Section 34. Upon divorce or upon a complaint in an action brought at any time after a divorce, whether such a divorce has been adjudged in this commonwealth or another jurisdiction, the court of the commonwealth, provided there is personal jurisdiction over both parties, may make a judgment for either of the parties to pay alimony to the other under sections 48 to 55, inclusive. In addition to or in Iieu of a judgment to pay alimony, the court may assign to either husband or wife all or any part of the estate of the other, including but not limited to, all vested and nonvested benefits, rights and funds accrued during the marriage and which shall include, but not be limited to, retirement benefits, military retirement benefits if qualified under and to the extent provided by federal law, pension, profit-sharing, annuity, deferred compensation and insurance. In fixing the nature and value of the property, if any, to be so assigned, the court, after hearing the witnesses, if any, of each of the parties, shall consider the length of the marriage, the conduct of the parties during the marriage, the age, health, station, occupation, amount and sources of income, vocational skills, employability, estate, liabilities and needs of each of the parties, the opportunity of each for future acquisition of capital assets and income, and the amount and duration of alimony, if any, awarded under sections 48 to 55, inclusive. In fixing the nature and value of the property to be so assigned, the court shall also consider the present and future needs of the dependent children of the marriage. The court may also consider the contribution of each of the parties in the acquisition, preservation or appreciation in value of their respective estates and the contribution of each of the parties as a homemaker to the family unit. When the court makes an order for alimony on behalf of a spouse, said court shall determine whether the obligor under such order has health insurance or other health coverage available to him through an employer or organization or has health insurance or other health coverage available to him at reasonable cost that may be extended to cover the spouse for whom support is ordered.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] ([land]) op [huwelijksdatum];
5.2.
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] (die zich identificeert als [minderjarige 2] en als "hij"), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]) de hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;
5.3.
bepaalt dat de man € 286,- per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van 19 september 2022, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
verklaart voor recht dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het recht van Massachusetts (VS) van toepassing is en bepaalt dat:
het onroerend goed in [land] aan de [adres], in de equitable distribution tussen partijen betrokken dient te worden;
de vrouw een vergoeding aan de man moet voldoen gelijk aan 50% van de overwaarde van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van het verweerschrift tot de dag van de algehele voldoening;
de waarde van de woning wordt vastgesteld als beschreven onder 4.32 van deze beschikking;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van 5.1 en 5.5;
5.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Dijkstra, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rekestnummer: C/18/216689 / FA RK 22-4052 en C/18/218878 / FA RK 22-5644
echtscheidingsbeschikking met nevenvoorzieningen van 27 juni 2023
in de zaak van
[de vrouw]
,
die woont in [woonplaats],
en die hierna "de vrouw" wordt genoemd,
advocaat mr. I.M. Feenstra, die kantoor houdt in Groningen,
en
[de man]
,
die woont in [woonplaats],
en die hierna "de man" wordt genoemd,
advocaat mr. M.H. Heeg, die kantoor houdt in Groningen.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het echtscheidingsverzoek van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 19 september 2022;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen bij de rechtbank op 6 december 2022;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 15 maart 2023;
- de akte uitlating en overlegging producties van de man, ingekomen bij de rechtbank op 25 mei 2023;
- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 30 mei 2023.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op 5 juni 2023. Tijden deze mondelinge behandeling zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, alsmede de heer [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen "de Raad") verschenen en gehoord.
1.3.
Het minderjarige kind van partijen ([minderjarige 2]) is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft dit zowel schriftelijk als mondeling gedaan.
1.4.
Tenslotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.
Feiten
2.1.
Bij de beoordeling van de verzoeken kan de rechter uitgaan van de volgende feiten, die volgen uit de onweersproken inhoud van de processtukken en de daarop tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting.
2.2.
De vrouw heeft de Spaanse nationaliteit en de man de Duitse nationaliteit.
2.3.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaats], [land]) met elkaar gehuwd.
2.4.
Partijen zijn de ouders van de negentienjarige [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] in de [geboorteplaats], en de zeventienjarige [minderjarige 2], die zich identificeert als [minderjarige 2] en als "hij", geboren op [geboortedatum] in de [geboorteplaats]. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 2].
2.5.
Partijen hebben in de Verenigde Staten onder andere in [plaats] gewoond. In 2014 zijn partijen met het gezin in Nederland komen wonen, in eerste instantie in [plaats].
2.6.
Partijen zijn in of omstreeks [datum 1] uit elkaar gegaan. Tot [datum 1] verbleef [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man. Sindsdien verblijft [minderjarige 2] volledig bij de vrouw.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) tussen partijen, die op [huwelijksdatum] te [plaats] ([land]), in het huwelijk
zijn getreden, de echtscheiding uit te spreken;
b) te bepalen dat met ingang van de datum van de in deze af te geven beschikking, het
hoofdverblijf van de minderjarige, [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
bij de vrouw zal worden bepaald;
c) te bepalen dat de man primair met ingang van 1 januari 2021, althans 1 februari 2022,
althans datum indiening verzoekschrift, gehouden zal zijn bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]) met
mee bedrag van € 385,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen,
althans een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum als uw rechtbank in goede
justitie rechtvaardig oordeelt;
d) partijen te gelasten over te gaan tot afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van
partijen naar het recht van Massachusetts (VS).
3.2.
De man voert verweer en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze af te wijzen. Bij wege van zelfstandig verzoek, verzoekt de man:
I. tussen partijen op [huwelijksdatum] in [plaats] met elkaar gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
II. voor recht te verklaren dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het
recht van Massachusetts (VS) van toepassing is en te bepalen dat partijen volgens het recht van Massachusetts hun huwelijksvermogensregime als volgt dienen af te wikkelen dan wel de volgende wijze van verdeling c.q. verrekening te gelasten dan wel de verdeling c.q. verrekening in goede justitie vast te stellen c.q. te gelasten:
te bepalen dat het onroerend goed in [land] aan de [adres] in de equitable distribution (billijke verdeling) tussen partijen betrokken dient te worden en te bepalen dat de vrouw een vergoeding aan de man dient te voldoen gelijk aan 57,55% van de overwaarde van de woning dan wel een vergoeding door uw rechtbank in goede justitie te bepalen dan wel te bepalen dat de woning te [plaats] tussen partijen verdeeld dient te worden en deze woning toe te bedelen aan de vrouw onder de verplichting om aan de man een onderbedelingsvergoeding te voldoen gelijk aan 57,55% van de overwaarde van de woning. Indien de vrouw aangeeft dat zij de woning in [plaats] niet toebedeeld wenst te krijgen te bepalen dat de woning verkocht dient te worden, beide partijen bij dit verkoopproces betrokken dienen te worden en de vrouw de man van alle van belang zijnde ontwikkelingen in de verkoop dient te informeren en te consulteren en te bepalen dat de verkoopprijs door partijen gezamenlijk bepaald en aanvaard dient te worden.
Ten slotte te bepalen dat de opbrengst van de woning in [plaats] tussen partijen bij helfte gedeeld dient te worden dan wel de vrouw bij de levering een onderbedelingsvergoeding aan de man dient te voldoen ter grootte van het aandeel van de man in de woning zijnde een aandeel van 57,55% van de overwaarde van de woning dan wel het aandeel door uw rechtbank in goede
justitie vast te stellen c.q. een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen verdeling/verrekening te bepalen ten aanzien van het onroerend goed in [plaats] en te bepalen dat de door de vrouw aan de man te voldoene vergoeding vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente over deze vergoeding vanaf de datum indiening van dit verweerschrift tot de datum der algehele voldoening;
de waarde van de woning in [plaats] door uw rechtbank in goede justitie te bepalen door een deskundige c.q. makelaar aan te wijzen die het onroerend goed in [plaats] dient te waarderen dan wel te bepalen dat door partijen gezamenlijk ter waardering van de woning een deskundige, zoals een makelaar, aangewezen dient te worden waarbij de man drie namen van
deskundigen (zoals makelaars) in [land] aan de vrouw zal voorleggen (binnen veertien dagen na de in deze te wijzen beschikking) en de vrouw vervolgens binnen veertien dagen nadat de man deze namen van deskundigen c.q. makelaars aan de vrouw heeft voorgelegd hieruit een keuze dient te maken waarbij de kosten van de waardering van de woning door partijen bij helfte gedeeld dienen te worden en voorts te bepalen dat beide partijen hun volledige medewerking dienen te verlenen aan de waardering van de woning in [plaats] ([land]);
voorts te bepalen dat de vrouw op straffe van een dwangsom van C 2.000,00 per dag c.q. dagdeel dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft (dan wel op straffe van een dwangsom door uw rechtbank in goede Justitie te bepalen) haar medewerking dient te verlenen aan het gestelde onder II van dit verweerschrift.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Zij verzoekt om toewijzing van het verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken en om afwijzing van de overige verzoeken.
Beoordeling
Verzoek tot echtscheiding
4.1.
Partijen hebben beiden verzocht om de echtscheiding uit te spreken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.2.
Partijen hebben beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom op grond van artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 ("Brussel II-ter") rechtsmacht om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
4.3.
Uit artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing is.
4.4.
Op grond van artikel 815, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk gezag uitoefenen. Hieraan is niet voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen voorafgaand aan de procedure wel hebben geprobeerd om tot een regeling over [minderjarige 2] te komen, maar dat dat niet goed is gelukt. Het is voldoende gebleken dat overlegging van een ouderschapsplan op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarmee is voldaan aan de uitzondering die artikel 815, lid 6, Rv bevat op het vereiste van overlegging van een ouderschapsplan.
4.5.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Hoofdverblijf [minderjarige 2]
4.6.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar zal zijn. De man heeft hiermee ingestemd.
4.7.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter rechtsmacht ter zake kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [minderjarige 2] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is, gelet hierop, ook Nederlands recht van toepassing.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat er overeenstemming bestaat over het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw. [minderjarige 2] wil zelf ook graag bij de vrouw wonen. Omdat niet is gebleken dat dit in strijd is met zijn belang, zal de rechtbank op dit punt conform het verzoek van de vrouw beslissen.
Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2]
4.9.
De vrouw heeft verzocht dat de rechtbank een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] vaststelt van € 385,- per maand. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
4.10.
Uit de rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding volgt de rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen, zie artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009, PbEU 2009, L 7/1). Op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 is Nederlands recht van toepassing, nu Sebastian zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.11.
De rechtbank zal vaststellen hoe de kosten tussen partijen moeten worden verdeeld. Daarbij volgt de rechtbank het rekenmodel en de daarin opgenomen aanbevelingen die alle rechtbanken en gerechtshoven gebruiken. Die rekenregels worden wel de “Tremanormen” genoemd en zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit brengt voor de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding het volgende mee.
Behoefte [minderjarige 2]
4.12.
Partijen verschillen van mening over de behoefte van [minderjarige 2]. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte is de leeftijd van de minderjarige en het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen. De rechtbank zal - in de lijn met wat partijen hierover stellen - uitgaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.956,- per maand.
4.13.
Partijen zijn omstreeks februari 2020 feitelijk uit elkaar gegaan. [minderjarige 1] was op dat moment minderjarig. Dit brengt met zich dat [minderjarige 1] ook in de behoefteberekening moet worden betrokken. Daarmee komt de behoefte van [minderjarige 2] uit op € 665,- per maand (in 2022: = € 698,-).
Draagkracht
4.14.
De vrouw rekent de rechtbank voor dat zij - afgezien van de bijdrage van € 100,- per maand die partijen elk voldoen aan [minderjarige 1] - een draagkracht heeft van € 1.400,- per maand. Volgens de man heeft de vrouw een draagkracht van € 1.406,- per maand. De rechtbank vindt het redelijk dit minimale verschil te delen en zal daarom uitgaan van een draagkracht van de vrouw van € 1.403,- per maand.
4.15.
De man rekent de rechtbank voor dat hij over een draagkracht beschikt van
€ 1.195,- per maand en heeft de berekening met bewijsstukken onderbouwd. De vrouw heeft de berekening van de man niet betwist. De rechtbank komt dit bedrag niet onredelijk voor en gaat daarom ook daarvan uit.
4.16.
De totale draagkracht van de ouders samen is dus € 2.598,- per maand. Dit overstijgt de behoefte van [minderjarige 2].
4.17.
De verdeling van de kosten van Sebastian over beide ouders wordt als volgt berekend:
- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt € 1.403,- / € 2.598,- x € 698,- = € 377,- per maand;
- het eigen aandeel van de man bedraagt € 1.195,- / € 2.598,- x € 698,- = € 321,- per maand.
Zorgkorting
4.18.
Het toepasselijke percentage van zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Gelet op de feitelijke situatie zoals die op dit moment bestaat, waarin [minderjarige 2] geen contact heeft met de man en er geen indicatie is dat dit op korte termijn wezenlijk zal veranderen, zal de rechtbank een zorgkorting hanteren van 5%, zijnde € 35,--.
Conclusie
4.19.
De man moet een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] aan de vrouw betalen (één en ander conform de aan deze beschikking gehechte berekening) van € 321,- minus € 35,- = € 286,- per maand.
4.20.
Partijen gaan beiden op een verschillende manier om met de bijdrage van € 100,- per maand die zij aan [minderjarige 1] betalen. De vrouw trekt deze bijdrage af van de draagkracht; de man vindt dat de bijdrage uit de vrije ruimte moet worden voldaan. Voor beide keuzes is wat te zeggen. Gelet op de omvang van de vrije ruimte, vindt de rechtbank het redelijk dat partijen een eventuele bijdrage aan [minderjarige 1] uit hun vrije ruimte voldoen.
Ingangsdatum
4.21.
De vrouw wil dat de onderhoudsverplichting ingaat op 1 januari 2021, althans 1 februari 2022, althans de datum van indiening van het verzoekschrift. De rechtbank gaat van deze laatste datum uit. Volgens vaste rechtspraak moet terughoudend worden omgegaan met de verlening van terugwerkende kracht vanwege de financiële gevolgen daarvan. Daarnaast heeft de man gemotiveerd betwist dat hij niet heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen.
Verdere vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk: de woning in [plaats] ([land])
4.22.
Partijen twisten in het kader van de afwikkeling van hun huwelijk over wat er moet gebeuren met de woning in [plaats] ([land]), die op naam staat van de vrouw.
Het toepasselijke recht
4.23.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, is er ook rechtsmacht met betrekking tot deze vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Op grond van artikel 4 lid 1 jo artikel 17 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 moet dit geschilpunt worden beoordeeld naar het recht van de Amerikaanse staat Massachusetts.
4.24.
De vrouw heeft een advies ingebracht van het Internationaal Juridisch Instituut ("IJI") over het op dit geschilpunt toepasselijke recht. De rechtbank zal dit advies als basis voor de beoordeling gebruiken. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard hiermee in te stemmen.
4.25.
In de opinie van het IJI is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
2. Naar het recht van Massachusetts vindt de verdeling van het huwelijksvermogen plaats door middel van ‘equitable distribution’ op grond van section 34 van de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208. Dit houdt in dat een billijke verdeling van huwelijksvermogen plaatsvindt, hetgeen niet noodzakelijk een verdeling bij helfte hoeft in te houden. Bij de billijke verdeling worden verschillende factoren meegewogen, zoals de duur van het huwelijk, gedrag gedurende het huwelijk, leeftijd van de echtgenoten, gezondheid, beroep, inkomen, verdiencapaciteit, schulden, behoefte, zorg voor en behoefte van de kinderen, mate van bijdrage aan de verwerving van het eigen vermogen, mate van bijdrage in het huishouden en gezin. De rechter heeft bij de billijke verdeling een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij hij goed dient te motiveren in de uitspraak hoe hij alle factoren hij meegewogen en hoe tot een bepaalde verdeling is gekomen.
3. Naar het recht van Massachusetts kan al het vermogen van de echtgenoten worden betrokken bij de verdeling, dus ook voorhuwelijks vermogen en vermogen dat is verkregen als schenking of erfenis. Echter, indien er voldoende overige vermogensbestanddelen zijn om een billijke verdeling te bewerkstelligen, volgt uit de rechtspraak dat een rechter minder snel geneigd zal zijn voorhuwelijks vermogen of vermogen verkregen als schenking of erfenis te betrekken in de verdeling.
4. Ten aanzien van de peildatum voor de omvang en de waardering van het vermogen wordt als uitgangspunt de datum van de mondelinge behandeling gehanteerd, tenzij er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om daarvan af te wijken.
(…)
11. Het ‘common law’ huwelijksvermogensregime houdt een scheiding van goederen tussen de echtgenoten in. (…)
De rechten en verplichtingen, waaronder de eigendomsverhoudingen tussen echtgenoten staande het huwelijk zijn neergelegd in Chapter 209 van de Massachusetts General Laws, Part II, Title II. Section 1 van Chapter 209 luidt:
Section 1. The real and personal property of any person shall, upon marriage, remain the separate property of such person, and a married person may receive, receipt for, hold, manage and dispose of property, real and personal, in the same manner as if such person were sole. A husband and wife shall be equally entitled to the rents, products, income or profits and to the control, management and possession of property held by them as tenants by the entirety.
(…)
14. Het recht van Massachusetts kent geen vorm van een huwelijksgemeenschap gedurende het huwelijk. Echter, in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding vindt wel degelijk een verdeling van het (huwelijks)vermogen plaats. Het recht met betrekking tot verdeling kent veel aspecten. In het rapport zal dit slechts op hoofdlijnen worden besproken.
(…)
16. De verdeling van het (huwelijks)vermogen in Massachusetts is geregeld in section 34 van de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208, dat luidt:
‘Section 34. Upon divorce or upon a complaint in an action brought at any time after a divorce, whether such a divorce has been adjudged in this commonwealth or another jurisdiction, the court of the commonwealth, provided there is personal jurisdiction over both parties, may make a judgment for either of the parties to pay alimony to the other under sections 48 to 55, inclusive. In addition to or in Iieu of a judgment to pay alimony, the court may assign to either husband or wife all or any part of the estate of the other, including but not limited to, all vested and nonvested benefits, rights and funds accrued during the marriage and which shall include, but not be limited to, retirement benefits, military retirement benefits if qualified under and to the extent provided by federal law, pension, profit-sharing, annuity, deferred compensation and insurance. In fixing the nature and value of the property, if any, to be so assigned, the court, after hearing the witnesses, if any, of each of the parties, shall consider the length of the marriage, the conduct of the parties during the marriage, the age, health, station, occupation, amount and sources of income, vocational skills, employability, estate, liabilities and needs of each of the parties, the opportunity of each for future acquisition of capital assets and income, and the amount and duration of alimony, if any, awarded under sections 48 to 55, inclusive. In fixing the nature and value of the property to be so assigned, the court shall also consider the present and future needs of the dependent children of the marriage. The court may also consider the contribution of each of the parties in the acquisition, preservation or appreciation in value of their respective estates and the contribution of each of the parties as a homemaker to the family unit. When the court makes an order for alimony on behalf of a spouse, said court shall determine whether the obligor under such order has health insurance or other health coverage available to him through an employer or organization or has health insurance or other health coverage available to him at reasonable cost that may be extended to cover the spouse for whom support is ordered.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] ([land]) op [huwelijksdatum];
5.2.
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] (die zich identificeert als [minderjarige 2] en als "hij"), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]) de hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;
5.3.
bepaalt dat de man € 286,- per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van 19 september 2022, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
verklaart voor recht dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het recht van Massachusetts (VS) van toepassing is en bepaalt dat:
het onroerend goed in [land] aan de [adres], in de equitable distribution tussen partijen betrokken dient te worden;
de vrouw een vergoeding aan de man moet voldoen gelijk aan 50% van de overwaarde van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van het verweerschrift tot de dag van de algehele voldoening;
de waarde van de woning wordt vastgesteld als beschreven onder 4.32 van deze beschikking;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van 5.1 en 5.5;
5.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Dijkstra, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Conclusie
When said court has determined that the obligor has such insurance or coverage available to him, said court shall include in the support order a requirement that the obligor do one of the following: exercise the option of additional coverage in favor of the spouse, obtain coverage for the spouse, or reimburse the spouse for the cost of health insurance. In no event shall the order for alimony be reduced as a result of the obligor’s cost for health insurance coverage for the spouse.’
17. Uit section 34 volgt dat de rechter een zeer ruime discretionaire bevoegdheid heeft aangaande de equitable distribution in het kader van echtscheiding. In beginsel wordt in ieder geval het tijdens huwelijk verworven vermogen in de equitable division betrokken. Het desbetreffende vermogen wordt ook wel aangeduid als marital property. Gebruikelijk wordt in een common law staat voorhuwelijks vermogen en vermogen verkregen als schenking of krachtens vererving niet in de equitable distribution betrokken. Echter, naar het recht van Massachusetts kan de rechter ook dit vermogen bij de verdeling betrekken, indien hij van oordeel is dat dit tot een redelijke en billijke verdeling leidt. Dit moet wel goed gemotiveerd worden aan de hand van de in section 34 genoemde factoren. In de rechtspraak wordt ook benadrukt dat al het vermogen van de echtgenoten, wanneer en op welke wijze ook verkregen, onderhevig kan zijn aan verdeling:
‘General Laws c. 208, Section 34, as appearing in St. 1975, c. 400, Section 33, provides that “[un addition to or in jeu of a judgment to pay alimony, the court may assign to either the husband or wife all or any part of the estate of the other.” [Note 11 A party’s “estate” by definition includes all property to which he holds title, however acquired. Therefore, this provision gives the trial judge discretion to assign to one spouse property of the other spouse whenever and however acquired. See Bianco v. Bianco, 371 Mass. 420, 422 (1976).’
Echter, als het mogelijk is om tot een billijke verdeling te komen zonder het voorhuwelijks vermogen of vermogen krachtens schenking of vererving in de verdeling te betrekken, zal dat het uitgangspunt zijn. Ook indien de echtgenoot tijdens het huwelijk geen bijdrage heeft geleverd aan het voorhuwelijks vermogen van de andere echtgenoot, zal de rechterminder snel geneigd zijn dit voorhuwelijks vermogen te betrekken in de verdeling.
(…)
18. Bij de verdeling is de rechter niet gebonden aan eigendomstitels. De rechter kan de goederen verdelen zoals hij dat billijk en rechtvaardig acht. De wet bevat geen definitie van de term ‘property’.
(…)
19. Bij de equitable distribution dient de rechter rekening te houden met onder meer de volgende factoren: duur van het huwelijk, gedrag tijdens het huwelijk, leeftijd van de echtgenoten, gezondheid, beroep, inkomen, verdiencapaciteit, schulden, behoefte, zorg voor en behoefte van de kinderen, mate van bijdrage aan de verwerving van het eigen vermogen maar ook de rolverdeling tussen de echtgenoten en in welke mate de echtgenoten hebben bijgedragen aan de huishouding en verzorging en opvoeding van de kinderen. Zie hiervoor Adams v Adams:
‘We have always emphasized that a court should not apply the discarded idea that the wage earner is entitled to most if not all of the benefits of the paid work.” Id. That narrow focus is what the Legislature sought to avoid in § 34. Id. The marriage-as-partnership concept, embodied in G. L. c. 208, § 34, recognizes that one party often concentrates on the financial side of the family while the other concentrates on homemaking and child care. Id. A judge may consider, as the judge did in this case, the genesis of an asset, but such contributions should not be unduly emphasized to the detriment of the other spouse whose contributions were primarily in the form of homemaking. Zeh v. Zeh, 35 Mass. AOD. Ct. 260 , 266 (1993). Section 34 must be read to apply in a broad sense to the value of all contributions of the respective spouses towards the marital enterprise.” (…)
20. Een verdeling bij helfte is mogelijk, in het bijzonder wanneer sprake is van een langdurig huwelijk. Uit de rechtspraak volgt evenwel dat equitable distribution niet automatisch een equal distribution betekent. Uit de rechtspraak en literatuur volgt een sterke casuïstische benadering, hetgeen wil zeggen dat met alle omstandigheden van het concrete geval rekening wordt gehouden. Een wiskundige formule voor de verdeling is niet voor handen
(…)
21. De rechter dient de verdeling goed te motiveren aan de hand van alle factoren. Uit de overwegingen en bevindingen moet duidelijk volgen waarom de rechter tot een bepaalde verdeling is gekomen (…):
‘First, we examine the judge’s findings to determine whether all relevant factors in § 34 were considered.” Bowring v. Reid, 399 Mass. 265 , 267 (1987). The second tier of our review requires us to determine whether the reasons for the judges conclusions are apparent in his findings and rulings.” Redding v. Redding, 398 Mass. 102 , 108 (1986). A judge’s determinations as to equitable distribution will not be reversed unless “plainly wrong and excessive.’ Id. at 107. According broad discretion to the judges division of property pursuant to the § 34 factors “is necessary in order that the courts can handle the myriad of different fact situations which surround divorces and arrive at a fair financial settlement in each case. Rice v. Rice, 372 Mass. 398 , 401 (1977).’
22. Ten aanzien van de peildatum voor omvang en de waardering van de vermogensbestanddelen wordt als uitgangspunt de datum van de mondelinge behandeling gehanteerd. Daarop zijn echter uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld indien partijen reeds geruime tijd gescheiden van elkaar leven. Ook ten aanzien van de peildatum heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid.
‘Although the marital estate is typically determined as of the date of the divorce trial, the judge has the discretion to make that determination at another date when warranted by the circumstances of a particular case. Davidson v. Davidson, 19 Mass. ADD. Ct. 364, 370 & n.9 (…)’
Wanneer de echtgenoten al geruime tijd feitelijk uiteen zijn gegaan voordat het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend, moet duidelijk zijn dat zij daarna (financieel) gescheiden van elkaar hebben geleefd. Dan kan aanleiding bestaan om de datum van feitelijk uiteengaan als peildatum voor de omvang en waardering van de vermogensbestanddelen te hanteren.
(…)
23. Concluderend, is de verdeling van het huwelijksvermogen naar het recht van Massachusetts sterk casuïstisch van aard, waarbij de rechter een grote discretionaire bevoegdheid toekomt om tot een billijke verdeling te komen rekening houdende met alle omstandigheden van het concrete geval.
De standpunten van partijen
4.26.
De vrouw stelt zich ten aanzien van de woning in [plaats], samengevat weergegeven, op het volgende standpunt. De woning betreft voorhuwelijksvermogen dat buiten de verdeling moet blijven. De woning staat op naam van de vrouw en werd door partijen beschouwd als haar eigendom. In [jaartal] heeft zij met geld uit de nalatenschap van haar vader het land en de toen nog te bouwen woning gekocht: de koopovereenkomst werd gesloten op [datum 2] vóór het huwelijk van partijen op [huwelijksdatum]. De koopsom van [bedrag] is door de vrouw betaald, alsmede al de extra kosten van de koop. De hypothecaire geldlening staat ook op haar naam. De man staat al met al helemaal buiten de aankoop van de woning.
Conclusie
When said court has determined that the obligor has such insurance or coverage available to him, said court shall include in the support order a requirement that the obligor do one of the following: exercise the option of additional coverage in favor of the spouse, obtain coverage for the spouse, or reimburse the spouse for the cost of health insurance. In no event shall the order for alimony be reduced as a result of the obligor’s cost for health insurance coverage for the spouse.’
17. Uit section 34 volgt dat de rechter een zeer ruime discretionaire bevoegdheid heeft aangaande de equitable distribution in het kader van echtscheiding. In beginsel wordt in ieder geval het tijdens huwelijk verworven vermogen in de equitable division betrokken. Het desbetreffende vermogen wordt ook wel aangeduid als marital property. Gebruikelijk wordt in een common law staat voorhuwelijks vermogen en vermogen verkregen als schenking of krachtens vererving niet in de equitable distribution betrokken. Echter, naar het recht van Massachusetts kan de rechter ook dit vermogen bij de verdeling betrekken, indien hij van oordeel is dat dit tot een redelijke en billijke verdeling leidt. Dit moet wel goed gemotiveerd worden aan de hand van de in section 34 genoemde factoren. In de rechtspraak wordt ook benadrukt dat al het vermogen van de echtgenoten, wanneer en op welke wijze ook verkregen, onderhevig kan zijn aan verdeling:
‘General Laws c. 208, Section 34, as appearing in St. 1975, c. 400, Section 33, provides that “[un addition to or in jeu of a judgment to pay alimony, the court may assign to either the husband or wife all or any part of the estate of the other.” [Note 11 A party’s “estate” by definition includes all property to which he holds title, however acquired. Therefore, this provision gives the trial judge discretion to assign to one spouse property of the other spouse whenever and however acquired. See Bianco v. Bianco, 371 Mass. 420, 422 (1976).’
Echter, als het mogelijk is om tot een billijke verdeling te komen zonder het voorhuwelijks vermogen of vermogen krachtens schenking of vererving in de verdeling te betrekken, zal dat het uitgangspunt zijn. Ook indien de echtgenoot tijdens het huwelijk geen bijdrage heeft geleverd aan het voorhuwelijks vermogen van de andere echtgenoot, zal de rechterminder snel geneigd zijn dit voorhuwelijks vermogen te betrekken in de verdeling.
(…)
18. Bij de verdeling is de rechter niet gebonden aan eigendomstitels. De rechter kan de goederen verdelen zoals hij dat billijk en rechtvaardig acht. De wet bevat geen definitie van de term ‘property’.
(…)
19. Bij de equitable distribution dient de rechter rekening te houden met onder meer de volgende factoren: duur van het huwelijk, gedrag tijdens het huwelijk, leeftijd van de echtgenoten, gezondheid, beroep, inkomen, verdiencapaciteit, schulden, behoefte, zorg voor en behoefte van de kinderen, mate van bijdrage aan de verwerving van het eigen vermogen maar ook de rolverdeling tussen de echtgenoten en in welke mate de echtgenoten hebben bijgedragen aan de huishouding en verzorging en opvoeding van de kinderen. Zie hiervoor Adams v Adams:
‘We have always emphasized that a court should not apply the discarded idea that the wage earner is entitled to most if not all of the benefits of the paid work.” Id. That narrow focus is what the Legislature sought to avoid in § 34. Id. The marriage-as-partnership concept, embodied in G. L. c. 208, § 34, recognizes that one party often concentrates on the financial side of the family while the other concentrates on homemaking and child care. Id. A judge may consider, as the judge did in this case, the genesis of an asset, but such contributions should not be unduly emphasized to the detriment of the other spouse whose contributions were primarily in the form of homemaking. Zeh v. Zeh, 35 Mass. AOD. Ct. 260 , 266 (1993). Section 34 must be read to apply in a broad sense to the value of all contributions of the respective spouses towards the marital enterprise.” (…)
20. Een verdeling bij helfte is mogelijk, in het bijzonder wanneer sprake is van een langdurig huwelijk. Uit de rechtspraak volgt evenwel dat equitable distribution niet automatisch een equal distribution betekent. Uit de rechtspraak en literatuur volgt een sterke casuïstische benadering, hetgeen wil zeggen dat met alle omstandigheden van het concrete geval rekening wordt gehouden. Een wiskundige formule voor de verdeling is niet voor handen
(…)
21. De rechter dient de verdeling goed te motiveren aan de hand van alle factoren. Uit de overwegingen en bevindingen moet duidelijk volgen waarom de rechter tot een bepaalde verdeling is gekomen (…):
‘First, we examine the judge’s findings to determine whether all relevant factors in § 34 were considered.” Bowring v. Reid, 399 Mass. 265 , 267 (1987). The second tier of our review requires us to determine whether the reasons for the judges conclusions are apparent in his findings and rulings.” Redding v. Redding, 398 Mass. 102 , 108 (1986). A judge’s determinations as to equitable distribution will not be reversed unless “plainly wrong and excessive.’ Id. at 107. According broad discretion to the judges division of property pursuant to the § 34 factors “is necessary in order that the courts can handle the myriad of different fact situations which surround divorces and arrive at a fair financial settlement in each case. Rice v. Rice, 372 Mass. 398 , 401 (1977).’
22. Ten aanzien van de peildatum voor omvang en de waardering van de vermogensbestanddelen wordt als uitgangspunt de datum van de mondelinge behandeling gehanteerd. Daarop zijn echter uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld indien partijen reeds geruime tijd gescheiden van elkaar leven. Ook ten aanzien van de peildatum heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid.
‘Although the marital estate is typically determined as of the date of the divorce trial, the judge has the discretion to make that determination at another date when warranted by the circumstances of a particular case. Davidson v. Davidson, 19 Mass. ADD. Ct. 364, 370 & n.9 (…)’
Wanneer de echtgenoten al geruime tijd feitelijk uiteen zijn gegaan voordat het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend, moet duidelijk zijn dat zij daarna (financieel) gescheiden van elkaar hebben geleefd. Dan kan aanleiding bestaan om de datum van feitelijk uiteengaan als peildatum voor de omvang en waardering van de vermogensbestanddelen te hanteren.
(…)
23. Concluderend, is de verdeling van het huwelijksvermogen naar het recht van Massachusetts sterk casuïstisch van aard, waarbij de rechter een grote discretionaire bevoegdheid toekomt om tot een billijke verdeling te komen rekening houdende met alle omstandigheden van het concrete geval.
De standpunten van partijen
4.26.
De vrouw stelt zich ten aanzien van de woning in [plaats], samengevat weergegeven, op het volgende standpunt. De woning betreft voorhuwelijksvermogen dat buiten de verdeling moet blijven. De woning staat op naam van de vrouw en werd door partijen beschouwd als haar eigendom. In [jaartal] heeft zij met geld uit de nalatenschap van haar vader het land en de toen nog te bouwen woning gekocht: de koopovereenkomst werd gesloten op [datum 2] vóór het huwelijk van partijen op [huwelijksdatum]. De koopsom van [bedrag] is door de vrouw betaald, alsmede al de extra kosten van de koop. De hypothecaire geldlening staat ook op haar naam. De man staat al met al helemaal buiten de aankoop van de woning.
Conclusie
Het is ook de vrouw geweest die altijd de lasten van de woning heeft betaald, inclusief de kosten van het onderhoud, en die het beheer van de woning op zich nam. De kosten werden betaald van de privérekening van de vrouw. Het geld was afkomstig van leningen, schenkingen van haar moeder en van de verhuuropbrengsten van de woning. De man heeft zich ook nooit gedragen als eigenaar van de woning. Zo heeft hij meermalen erop aangedrongen dat de woning zou worden verkocht.
4.27.
De man heeft zich ten aanzien van de woning in [plaats], samengevat weergegeven, op het volgende standpunt gesteld. De woning betreft geen voorhuwelijksvermogen. De overdracht en registratie van de woning vonden plaats tijdens het huwelijk. Daarnaast was de man nauw betrokken bij de aankoop, de bouw en de financiering van de woning. De woning werd door partijen ook als hun gezamenlijk eigendom beschouwd. Ook gelet op de andere factoren die bij de beoordeling moeten worden betrokken, zoals de duur van het huwelijk, kan het niet anders zijn dat de woning wordt verdeeld. De man komt daarbij 57,55% van de waarde van de woning toe. Dit volgt uit het feit dat hij voor dit percentage heeft bijgedragen aan de financiering en de betaling van de lasten van de woning. De man stelt dat hij heeft betaald:
via leningen/schenkingen van zijn ouders in [jaartal]: [bedrag];
via andere leningen/schenkingen van zijn ouders voor de hypotheek en de boiler: [bedrag];
via zijn eigen inkomen aan lopende hypotheeklasten: [bedrag];
via de helft van de verkoopopbrengst van de woning in [woonplaats]: [bedrag]-;
via investeringen in de woning: [bedrag].
In totaal heeft de man [bedrag]- bijgedragen.
Hij stelt dat de vrouw heeft betaald:
een aanbetaling/voorschot: [bedrag];
hypotheeklasten: [bedrag];
via de helft van de opbrengst van de woning in [woonplaats]: [bedrag];
via investeringen in de woning: [bedrag].
In totaal heeft de vrouw, zo stelt de man, [bedrag] bijgedragen.
De toepassing van het recht
4.28.
De rechtbank is van oordeel dat de woning in [plaats] bij de verdeling moet worden betrokken. De woning is wat betreft de financiële waarde een belangrijk of het belangrijkste onderdeel van het vermogen van partijen. Van belang is ook dat de woning ten tijde van het huwelijk in de Spaanse registers is opgenomen. Partijen hebben ook tijdens het grootste deel van hun huwelijk, dat bijna 20 jaar heeft geduurd, met het gezin gebruik gemaakt van de woning. De rechtbank verwijst verder naar de onderstaande bespreking van de factoren die worden genoemd in de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208, paragraaf 34. Uit de algehele context die daaruit naar voren komt, volgt ook dat geen sprake is van een billijke uitkomst als de woning niet bij de verdeling wordt betrokken.
4.29.
Bij de wijze van verdeling moeten, zoals gezegd, de in de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208, paragraaf 34 genoemde factoren worden betrokken. Het betreft: de duur van het huwelijk, het gedrag van partijen tijdens het huwelijk, hun leeftijd, gezondheid, status, beroep, de hoogte en bron van hun inkomsten, hun beroepsvaardigheden, kansen op de arbeidsmarkt, bezittingen, schulden, hun behoefte, verdiencapaciteit en de mogelijkheid om toekomstig bezit te verwerven, de hoogte en duur van eventuele te betalen alimentatie, de bestaande en toekomstige behoeften van de afhankelijke kinderen, de bijdrage die partijen hebben geleverd in de verkrijging en het behoud van de bezittingen, en de verdeling van de zorgtaken.
De rechtbank heeft bij de te maken afwegingen een grote discretionaire bevoegdheid, die in hoger beroep gerespecteerd wordt tenzij de uitkomst moet worden beschouwd als “plainly wrong and excessive”. De rechtbank overweegt als volgt:
Duur huwelijk: Partijen zijn circa [bedrag] jaar gehuwd, waarvan circa [bedrag] jaar bij elkaar;
Het gedrag van partijen tijdens het huwelijk: De vrouw heeft gesteld dat de man zich tijdens het huwelijk schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Zij heeft ter onderbouwing daarvan stukken overgelegd: een verklaring van Veilig Thuis; een eigen schriftelijke verklaring; een schriftelijke verklaring van een collega over haar; een schriftelijke verklaring van twee psychologen waaruit blijkt dat zij in de periode 2019 t/m 2021 contact hebben gehad met de vrouw en dat de vrouw EMDR-therapie heeft gevolgd vanwege een post-traumatische stressstoornis; een verklaring van een psycholoog dat [minderjarige 2] is behandeld voor sociale angsten (respectievelijk pr. 3 en 31 t/m 34 van de vrouw). Hoewel de rechtbank zich realiseert dat de bewijsvoering ten aanzien van de gestelde feiten, gelet op de aard van die feiten, moeilijk is, zijn de overgelegde stukken onvoldoende om van de juistheid van de stellingen van de vrouw uit te gaan. De onderbouwing is weinig rechtstreeks en objectief en dat klemt gelet op het verstrekkende karakter van de stellingen en het feit dat de man ten stelligste het huiselijk geweld ontkent. De rechtbank kan aan de stellingen van de vrouw dan ook niet meer waarde toekennen dan aan de ontkenning van de man.
Partijen nemen ook tegengestelde standpunten in over hoe zij zich tijdens het huwelijk gedroegen ten aanzien van de woning. Volgens de vrouw werd de woning nadrukkelijk beschouwd als haar eigendom. Zij onderbouwt dit verder niet. De man daarentegen stelt dat partijen ervan uitgingen dat de woning van hen samen was. Hij heeft zijn standpunt onderbouwd met schriftelijke verklaringen van zijn ouders, die gescheiden zijn, en die beiden verklaren dat de vrouw de indruk wekte dat zij de woning beschouwde als van partijen samen.
Vast staat verder dat partijen gedurende hun huwelijk de woning vooral met het gezin gebruikten. Zo heeft de vrouw niet weersproken dat partijen in de jaren dat men in [woonplaats] woonde en voor het uiteengaan, in de zomer gedurende 6 weken en de winter gedurende 2 of 3 weken de woning gebruikte, vooral voor gezamenlijke vakanties.
De vrouw wijst er in dit verband onder meer op dat zij de kosten van de aankoopprijs en de lasten van de woning betaalde. De rechtbank verwijst op dit punt naar wat hierover later in deze uitspraak is opgenomen, onder “de bijdragen die partijen hebben geleverd in de verkrijging en het behoud van de bezittingen”.
Voor het overige zijn geen bijzondere feiten gesteld over het gedrag van partijen tijdens het huwelijk die bespreking behoeven, anders dan wat hieronder wordt genoemd over, bijvoorbeeld, de zorgtaken.
De leeftijd van partijen: De vrouw is [getal] jaar ([geboortedatum]), de man is [getal] jaar ([geboortedatum]);
Gezondheid: Partijen zijn beiden gezond;
Status, beroep, hoogte en bron van inkomsten, beroepsvaardigheden, kansen op de arbeidsmarkt: Deze worden door de rechtbank op hoofdlijnen als gelijkwaardig beschouwd. Momenteel is de man [functie] bij de [werkgever] en de vrouw [functie] bij de [werkgever] op het terrein van de [onderwerp] respectievelijk [onderwerp]. De bruto jaarinkomens volgens de jaaropgaaf van de werkgevers over [jaartal] bedragen [bedrag] (man) en [bedrag] (vrouw). Voorafgaand aan de huidige dienstverbanden hebben partijen functies vervuld bij verschillende Amerikaanse hogescholen/universiteiten, waar zij les gaven. De vrouw heeft gesteld dat de man stelselmatig aanzienlijk minder inkomsten had dan zij, maar de man heeft dit gemotiveerd betwist. Wel kan worden aangenomen dat de man gedurende enkele jaren een aanzienlijk lager inkomen had.
Conclusie
Het is ook de vrouw geweest die altijd de lasten van de woning heeft betaald, inclusief de kosten van het onderhoud, en die het beheer van de woning op zich nam. De kosten werden betaald van de privérekening van de vrouw. Het geld was afkomstig van leningen, schenkingen van haar moeder en van de verhuuropbrengsten van de woning. De man heeft zich ook nooit gedragen als eigenaar van de woning. Zo heeft hij meermalen erop aangedrongen dat de woning zou worden verkocht.
4.27.
De man heeft zich ten aanzien van de woning in [plaats], samengevat weergegeven, op het volgende standpunt gesteld. De woning betreft geen voorhuwelijksvermogen. De overdracht en registratie van de woning vonden plaats tijdens het huwelijk. Daarnaast was de man nauw betrokken bij de aankoop, de bouw en de financiering van de woning. De woning werd door partijen ook als hun gezamenlijk eigendom beschouwd. Ook gelet op de andere factoren die bij de beoordeling moeten worden betrokken, zoals de duur van het huwelijk, kan het niet anders zijn dat de woning wordt verdeeld. De man komt daarbij 57,55% van de waarde van de woning toe. Dit volgt uit het feit dat hij voor dit percentage heeft bijgedragen aan de financiering en de betaling van de lasten van de woning. De man stelt dat hij heeft betaald:
via leningen/schenkingen van zijn ouders in [jaartal]: [bedrag];
via andere leningen/schenkingen van zijn ouders voor de hypotheek en de boiler: [bedrag];
via zijn eigen inkomen aan lopende hypotheeklasten: [bedrag];
via de helft van de verkoopopbrengst van de woning in [woonplaats]: [bedrag]-;
via investeringen in de woning: [bedrag].
In totaal heeft de man [bedrag]- bijgedragen.
Hij stelt dat de vrouw heeft betaald:
een aanbetaling/voorschot: [bedrag];
hypotheeklasten: [bedrag];
via de helft van de opbrengst van de woning in [woonplaats]: [bedrag];
via investeringen in de woning: [bedrag].
In totaal heeft de vrouw, zo stelt de man, [bedrag] bijgedragen.
De toepassing van het recht
4.28.
De rechtbank is van oordeel dat de woning in [plaats] bij de verdeling moet worden betrokken. De woning is wat betreft de financiële waarde een belangrijk of het belangrijkste onderdeel van het vermogen van partijen. Van belang is ook dat de woning ten tijde van het huwelijk in de Spaanse registers is opgenomen. Partijen hebben ook tijdens het grootste deel van hun huwelijk, dat bijna 20 jaar heeft geduurd, met het gezin gebruik gemaakt van de woning. De rechtbank verwijst verder naar de onderstaande bespreking van de factoren die worden genoemd in de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208, paragraaf 34. Uit de algehele context die daaruit naar voren komt, volgt ook dat geen sprake is van een billijke uitkomst als de woning niet bij de verdeling wordt betrokken.
4.29.
Bij de wijze van verdeling moeten, zoals gezegd, de in de Massachusetts General Laws, Part II, Title III, Chapter 208, paragraaf 34 genoemde factoren worden betrokken. Het betreft: de duur van het huwelijk, het gedrag van partijen tijdens het huwelijk, hun leeftijd, gezondheid, status, beroep, de hoogte en bron van hun inkomsten, hun beroepsvaardigheden, kansen op de arbeidsmarkt, bezittingen, schulden, hun behoefte, verdiencapaciteit en de mogelijkheid om toekomstig bezit te verwerven, de hoogte en duur van eventuele te betalen alimentatie, de bestaande en toekomstige behoeften van de afhankelijke kinderen, de bijdrage die partijen hebben geleverd in de verkrijging en het behoud van de bezittingen, en de verdeling van de zorgtaken.
De rechtbank heeft bij de te maken afwegingen een grote discretionaire bevoegdheid, die in hoger beroep gerespecteerd wordt tenzij de uitkomst moet worden beschouwd als “plainly wrong and excessive”. De rechtbank overweegt als volgt:
Duur huwelijk: Partijen zijn circa [bedrag] jaar gehuwd, waarvan circa [bedrag] jaar bij elkaar;
Het gedrag van partijen tijdens het huwelijk: De vrouw heeft gesteld dat de man zich tijdens het huwelijk schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Zij heeft ter onderbouwing daarvan stukken overgelegd: een verklaring van Veilig Thuis; een eigen schriftelijke verklaring; een schriftelijke verklaring van een collega over haar; een schriftelijke verklaring van twee psychologen waaruit blijkt dat zij in de periode 2019 t/m 2021 contact hebben gehad met de vrouw en dat de vrouw EMDR-therapie heeft gevolgd vanwege een post-traumatische stressstoornis; een verklaring van een psycholoog dat [minderjarige 2] is behandeld voor sociale angsten (respectievelijk pr. 3 en 31 t/m 34 van de vrouw). Hoewel de rechtbank zich realiseert dat de bewijsvoering ten aanzien van de gestelde feiten, gelet op de aard van die feiten, moeilijk is, zijn de overgelegde stukken onvoldoende om van de juistheid van de stellingen van de vrouw uit te gaan. De onderbouwing is weinig rechtstreeks en objectief en dat klemt gelet op het verstrekkende karakter van de stellingen en het feit dat de man ten stelligste het huiselijk geweld ontkent. De rechtbank kan aan de stellingen van de vrouw dan ook niet meer waarde toekennen dan aan de ontkenning van de man.
Partijen nemen ook tegengestelde standpunten in over hoe zij zich tijdens het huwelijk gedroegen ten aanzien van de woning. Volgens de vrouw werd de woning nadrukkelijk beschouwd als haar eigendom. Zij onderbouwt dit verder niet. De man daarentegen stelt dat partijen ervan uitgingen dat de woning van hen samen was. Hij heeft zijn standpunt onderbouwd met schriftelijke verklaringen van zijn ouders, die gescheiden zijn, en die beiden verklaren dat de vrouw de indruk wekte dat zij de woning beschouwde als van partijen samen.
Vast staat verder dat partijen gedurende hun huwelijk de woning vooral met het gezin gebruikten. Zo heeft de vrouw niet weersproken dat partijen in de jaren dat men in [woonplaats] woonde en voor het uiteengaan, in de zomer gedurende 6 weken en de winter gedurende 2 of 3 weken de woning gebruikte, vooral voor gezamenlijke vakanties.
De vrouw wijst er in dit verband onder meer op dat zij de kosten van de aankoopprijs en de lasten van de woning betaalde. De rechtbank verwijst op dit punt naar wat hierover later in deze uitspraak is opgenomen, onder “de bijdragen die partijen hebben geleverd in de verkrijging en het behoud van de bezittingen”.
Voor het overige zijn geen bijzondere feiten gesteld over het gedrag van partijen tijdens het huwelijk die bespreking behoeven, anders dan wat hieronder wordt genoemd over, bijvoorbeeld, de zorgtaken.
De leeftijd van partijen: De vrouw is [getal] jaar ([geboortedatum]), de man is [getal] jaar ([geboortedatum]);
Gezondheid: Partijen zijn beiden gezond;
Status, beroep, hoogte en bron van inkomsten, beroepsvaardigheden, kansen op de arbeidsmarkt: Deze worden door de rechtbank op hoofdlijnen als gelijkwaardig beschouwd. Momenteel is de man [functie] bij de [werkgever] en de vrouw [functie] bij de [werkgever] op het terrein van de [onderwerp] respectievelijk [onderwerp]. De bruto jaarinkomens volgens de jaaropgaaf van de werkgevers over [jaartal] bedragen [bedrag] (man) en [bedrag] (vrouw). Voorafgaand aan de huidige dienstverbanden hebben partijen functies vervuld bij verschillende Amerikaanse hogescholen/universiteiten, waar zij les gaven. De vrouw heeft gesteld dat de man stelselmatig aanzienlijk minder inkomsten had dan zij, maar de man heeft dit gemotiveerd betwist. Wel kan worden aangenomen dat de man gedurende enkele jaren een aanzienlijk lager inkomen had.
Conclusie
Bezittingen: Hierover zijn geen bijzondere stellingen betrokken. Tijdens de mondelinge behandeling is verklaard dat partijen elk in een huurwoning wonen en dat het vermogen - de banksaldi - naar redelijkheid en tevredenheid zijn verdeeld.
Schulden: Partijen hebben geen schulden;
Behoeften: Er zijn geen bijzondere behoeften gesteld. [minderjarige 2], het minderjarige kind van partijen, woont wel bij de vrouw. De man is alimentatieplichtig jegens [minderjarige 2].
Verdiencapaciteit en de mogelijkheden om toekomstig vermogen te verkrijgen: Gelet op de gelijkwaardigheid in status, opleiding, functie, beroepsvaardigheden, hoogte en bron van inkomsten, en de gezondheid van partijen kan niet worden gezegd dat één van hen wezenlijk betere kansen op de arbeidsmarkt of een betere verdiencapaciteit heeft dan de ander. De vrouw stelt in dit verband wel dat de ouders van de man vermogend zijn en dat hij om die reden gunstige financiële vooruitzichten heeft, maar zij kan niet worden gevolgd in dit standpunt. Dit standpunt wordt enkele geconcretiseerd met de stelling dat de ouders elk een woning hebben en de man betwist de stellingen van de vrouw gemotiveerd. Zo wijst hij erop dat de woningen van zijn ouders zijn verhypothekeerd en dat de inhoud van de toekomstige nalatenschappen beperkt en onzeker is.
De man zal de vrouw kinderalimentatie moeten betalen voor [minderjarige 2] ter hoogte van € 286,-. De kosten die voor elk van partijen komen, zijn in grote lijnen in evenwicht.
De bestaande en toekomstige behoeften van de kinderen: partijen hebben kinderen van [getal] en [getal] jaar, [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Partijen hebben in dit verband geen bijzondere stellingen betrokken. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de kosten van de kinderen door partijen niet grosso modo voor gelijke delen worden gedragen.
De bijdrage die partijen hebben geleverd in de verkrijging en het behoud van de bezittingen:
Partijen staan recht tegenover elkaar als het gaat over de financiering van de woning in [plaats] en de betaling van de kosten van die woning. De stellingen die worden betrokken worden aan beide kanten maar beperkt onderbouwd. Zo stelt de vrouw wel dat zij structureel als enige de kosten van de woning in [plaats] heeft gedragen maar uit de stukken die zij in het geding brengt, lijkt alleen het betaalbewijs uit 2003 (pr. 13) daadwerkelijk aan te tonen dat zij kosten heeft betaald. De man voert aan dat dit een zelfgemaakt overzicht is, maar het oogt als een betaalbewijs afkomstig van een bouwbedrijf en het ondersteunt daarmee de stelling van de vrouw dat zij bedragen heeft betaald in het kader van de koopovereenkomst.
Wat bij de beoordeling van dit punt van groot belang is, is dat het restant van de hypothecaire geldlening van oorspronkelijk [bedrag] waarmee de woning in [plaats] was gefinancierd (pr. 16 van de vrouw), is afgelost met de opbrengst van de verkoop van de woning in [woonplaats]. Het staat vast dat de aankoop van die woning mede was gefinancierd met een bedrag dat afkomstig was van de ouders van de man. De vrouw stelt dat het gaat om een schenking aan partijen van [bedrag]; de man stelt dat er een hoger bedrag is geleend (in elk geval [bedrag]-) en wel aan hem alleen en dat die lening later is omgezet in een schenking. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft hij kopieën van onderhandse akten overgelegd waarin overeenkomsten van geldlening zijn neergelegd (pr. 3 en 11 van de man). Daarnaast heeft de man schriftelijke verklaringen van zijn ouders, die gescheiden zijn, in het geding gebracht. In die verklaringen is onder meer te lezen dat: de ouders geld aan de man hebben geleend voor de betaling van de woning in [woonplaats] en dat dit later werd omgezet in een schenking; dat de vrouw op de hoogte was van de leningen; dat de ouders in de periode [jaartal]-[jaartal] betalingen hebben gedaan ter voldoening van de hypothecaire verplichtingen voor de woning in [plaats]; dat daarbij ook bedragen rechtstreeks op de bankrekening van de vrouw werden gestort; en dat de ouders van de man meermalen leningen hebben verstrekt aan partijen (pr. 10 van de man). De vrouw stelt dat er niet van uit mag worden gegaan dat de door de man overgelegde stukken betrouwbaar zijn, maar dit betreft niet meer dan een kale betwisting. De rechtbank ziet hierin onvoldoende reden om aan de authenticiteit van de akten en de schriftelijke verklaringen te twijfelen.
De overwaarde van de woning in [woonplaats] betrof [bedrag] aldus de vrouw, en [bedrag] aldus de man. Hoewel ook de woning in [woonplaats] op naam van de vrouw stond, vond de aflossing van de hypotheek op de woning in [plaats] plaats vanaf de gezamenlijke Nederlandse bankrekening van partijen (pr. 6 van de man). Vanaf die bankrekening is op [datum 3] een bedrag van [bedrag] overgemaakt naar de bankrekening van de vrouw. Van die bankrekening is diezelfde dag de hypotheek op de woning in [plaats] afgelost (pr. 17 van de vrouw). Omdat mag worden aangenomen dat de woning in [woonplaats] mede was gefinancierd met de aan de man geschonken gelden, is daarmee vermogen van de man gevloeid naar de woning in [plaats].
De rechtbank neemt op grond van het bovenstaande aan dat ook de man substantieel financieel heeft bijgedragen aan de woning in [plaats] en dat woning door partijen werd beschouwd als van hun samen.
Het aandeel in de verzorging van het gezin: Partijen hebben beiden gewerkt en voor de kinderen gezorgd. De vrouw heeft niet weersproken dat de man over de hele duur van het
huwelijk meer zorgtaken op zich heeft genomen dan zij, hetgeen aansluit bij haar stelling dat de man minder werkte en verdiende. Bij het uiteengaan van partijen in Nederland is daarnaast in eerste instantie een co-ouderschapsregeling met betrekking tot [minderjarige 2] overeengekomen. Hieraan is tot circa januari 2021 uitvoering gegeven.
4.30.
Op grond van een weging van de bovengenoemde factoren in hun onderlinge samenhang beschouwd komt de rechtbank tot de slotsom dat een billijke verdeling in dit geval met zich brengt dat de waarde van de woning voor 50% aan elk van partijen toekomt. Het algehele beeld is dat van twee mensen van nagenoeg dezelfde leeftijd, beiden afkomstig uit Europa, met een vergelijkbare opleiding en loopbaan, die in de [land] een gezin hebben gesticht, samen voor de kinderen hebben gezorgd, en die in [jaartal] samen naar Europa zijn geëmigreerd, waar hun huwelijk nu eindigt in een echtscheiding. Partijen kunnen daarmee worden beschreven als gelijkwaardige partners in hun “marital enterprise”. Hierbij hoort naar het oordeel van de rechtbank een verdeling die recht doet aan de gelijkwaardigheid van partijen en de gezamenlijkheid van de situatie: elk de helft van de waarde van de woning.
4.31.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken hoe de woning zou moeten worden getaxeerd. Partijen konden zich beiden vinden in de constructie dat elke partij een makelaar aanwijst en dat de twee gekozen makelaars een derde makelaar aanwijzen, die de woning gaat taxeren. De daarbij te hanteren peildatum zal in lijn met de hoofdregel van het recht van Massachusetts worden bepaald op de datum van de mondelinge behandeling, 5 juni 2023.
4.32.
De rechtbank zal het verzoek van de man gericht op de verdeling van de woning toewijzen zoals in het dictum onder 5.4 is ge(her)formuleerd. De door hem gevorderde rente zal daarbij worden toegewezen omdat daartegen geen specifiek verweer is gericht.
4.33.
De door de man verzochte dwangsom wordt daarentegen afgewezen.
Conclusie
Bezittingen: Hierover zijn geen bijzondere stellingen betrokken. Tijdens de mondelinge behandeling is verklaard dat partijen elk in een huurwoning wonen en dat het vermogen - de banksaldi - naar redelijkheid en tevredenheid zijn verdeeld.
Schulden: Partijen hebben geen schulden;
Behoeften: Er zijn geen bijzondere behoeften gesteld. [minderjarige 2], het minderjarige kind van partijen, woont wel bij de vrouw. De man is alimentatieplichtig jegens [minderjarige 2].
Verdiencapaciteit en de mogelijkheden om toekomstig vermogen te verkrijgen: Gelet op de gelijkwaardigheid in status, opleiding, functie, beroepsvaardigheden, hoogte en bron van inkomsten, en de gezondheid van partijen kan niet worden gezegd dat één van hen wezenlijk betere kansen op de arbeidsmarkt of een betere verdiencapaciteit heeft dan de ander. De vrouw stelt in dit verband wel dat de ouders van de man vermogend zijn en dat hij om die reden gunstige financiële vooruitzichten heeft, maar zij kan niet worden gevolgd in dit standpunt. Dit standpunt wordt enkele geconcretiseerd met de stelling dat de ouders elk een woning hebben en de man betwist de stellingen van de vrouw gemotiveerd. Zo wijst hij erop dat de woningen van zijn ouders zijn verhypothekeerd en dat de inhoud van de toekomstige nalatenschappen beperkt en onzeker is.
De man zal de vrouw kinderalimentatie moeten betalen voor [minderjarige 2] ter hoogte van € 286,-. De kosten die voor elk van partijen komen, zijn in grote lijnen in evenwicht.
De bestaande en toekomstige behoeften van de kinderen: partijen hebben kinderen van [getal] en [getal] jaar, [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Partijen hebben in dit verband geen bijzondere stellingen betrokken. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de kosten van de kinderen door partijen niet grosso modo voor gelijke delen worden gedragen.
De bijdrage die partijen hebben geleverd in de verkrijging en het behoud van de bezittingen:
Partijen staan recht tegenover elkaar als het gaat over de financiering van de woning in [plaats] en de betaling van de kosten van die woning. De stellingen die worden betrokken worden aan beide kanten maar beperkt onderbouwd. Zo stelt de vrouw wel dat zij structureel als enige de kosten van de woning in [plaats] heeft gedragen maar uit de stukken die zij in het geding brengt, lijkt alleen het betaalbewijs uit 2003 (pr. 13) daadwerkelijk aan te tonen dat zij kosten heeft betaald. De man voert aan dat dit een zelfgemaakt overzicht is, maar het oogt als een betaalbewijs afkomstig van een bouwbedrijf en het ondersteunt daarmee de stelling van de vrouw dat zij bedragen heeft betaald in het kader van de koopovereenkomst.
Wat bij de beoordeling van dit punt van groot belang is, is dat het restant van de hypothecaire geldlening van oorspronkelijk [bedrag] waarmee de woning in [plaats] was gefinancierd (pr. 16 van de vrouw), is afgelost met de opbrengst van de verkoop van de woning in [woonplaats]. Het staat vast dat de aankoop van die woning mede was gefinancierd met een bedrag dat afkomstig was van de ouders van de man. De vrouw stelt dat het gaat om een schenking aan partijen van [bedrag]; de man stelt dat er een hoger bedrag is geleend (in elk geval [bedrag]-) en wel aan hem alleen en dat die lening later is omgezet in een schenking. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft hij kopieën van onderhandse akten overgelegd waarin overeenkomsten van geldlening zijn neergelegd (pr. 3 en 11 van de man). Daarnaast heeft de man schriftelijke verklaringen van zijn ouders, die gescheiden zijn, in het geding gebracht. In die verklaringen is onder meer te lezen dat: de ouders geld aan de man hebben geleend voor de betaling van de woning in [woonplaats] en dat dit later werd omgezet in een schenking; dat de vrouw op de hoogte was van de leningen; dat de ouders in de periode [jaartal]-[jaartal] betalingen hebben gedaan ter voldoening van de hypothecaire verplichtingen voor de woning in [plaats]; dat daarbij ook bedragen rechtstreeks op de bankrekening van de vrouw werden gestort; en dat de ouders van de man meermalen leningen hebben verstrekt aan partijen (pr. 10 van de man). De vrouw stelt dat er niet van uit mag worden gegaan dat de door de man overgelegde stukken betrouwbaar zijn, maar dit betreft niet meer dan een kale betwisting. De rechtbank ziet hierin onvoldoende reden om aan de authenticiteit van de akten en de schriftelijke verklaringen te twijfelen.
De overwaarde van de woning in [woonplaats] betrof [bedrag] aldus de vrouw, en [bedrag] aldus de man. Hoewel ook de woning in [woonplaats] op naam van de vrouw stond, vond de aflossing van de hypotheek op de woning in [plaats] plaats vanaf de gezamenlijke Nederlandse bankrekening van partijen (pr. 6 van de man). Vanaf die bankrekening is op [datum 3] een bedrag van [bedrag] overgemaakt naar de bankrekening van de vrouw. Van die bankrekening is diezelfde dag de hypotheek op de woning in [plaats] afgelost (pr. 17 van de vrouw). Omdat mag worden aangenomen dat de woning in [woonplaats] mede was gefinancierd met de aan de man geschonken gelden, is daarmee vermogen van de man gevloeid naar de woning in [plaats].
De rechtbank neemt op grond van het bovenstaande aan dat ook de man substantieel financieel heeft bijgedragen aan de woning in [plaats] en dat woning door partijen werd beschouwd als van hun samen.
Het aandeel in de verzorging van het gezin: Partijen hebben beiden gewerkt en voor de kinderen gezorgd. De vrouw heeft niet weersproken dat de man over de hele duur van het
huwelijk meer zorgtaken op zich heeft genomen dan zij, hetgeen aansluit bij haar stelling dat de man minder werkte en verdiende. Bij het uiteengaan van partijen in Nederland is daarnaast in eerste instantie een co-ouderschapsregeling met betrekking tot [minderjarige 2] overeengekomen. Hieraan is tot circa januari 2021 uitvoering gegeven.
4.30.
Op grond van een weging van de bovengenoemde factoren in hun onderlinge samenhang beschouwd komt de rechtbank tot de slotsom dat een billijke verdeling in dit geval met zich brengt dat de waarde van de woning voor 50% aan elk van partijen toekomt. Het algehele beeld is dat van twee mensen van nagenoeg dezelfde leeftijd, beiden afkomstig uit Europa, met een vergelijkbare opleiding en loopbaan, die in de [land] een gezin hebben gesticht, samen voor de kinderen hebben gezorgd, en die in [jaartal] samen naar Europa zijn geëmigreerd, waar hun huwelijk nu eindigt in een echtscheiding. Partijen kunnen daarmee worden beschreven als gelijkwaardige partners in hun “marital enterprise”. Hierbij hoort naar het oordeel van de rechtbank een verdeling die recht doet aan de gelijkwaardigheid van partijen en de gezamenlijkheid van de situatie: elk de helft van de waarde van de woning.
4.31.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken hoe de woning zou moeten worden getaxeerd. Partijen konden zich beiden vinden in de constructie dat elke partij een makelaar aanwijst en dat de twee gekozen makelaars een derde makelaar aanwijzen, die de woning gaat taxeren. De daarbij te hanteren peildatum zal in lijn met de hoofdregel van het recht van Massachusetts worden bepaald op de datum van de mondelinge behandeling, 5 juni 2023.
4.32.
De rechtbank zal het verzoek van de man gericht op de verdeling van de woning toewijzen zoals in het dictum onder 5.4 is ge(her)formuleerd. De door hem gevorderde rente zal daarbij worden toegewezen omdat daartegen geen specifiek verweer is gericht.
4.33.
De door de man verzochte dwangsom wordt daarentegen afgewezen.