Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2022-03-18
ECLI:NL:RBNNE:2022:849
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/1108
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Luursema).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde belanghebbende] te [plaats].
Procesverloop
In het besluit van 1 juni 2020 (primaire besluit) heeft verweerder aan belanghebbende laten weten dat hij de aan eiser verstrekte toevoeging met kenmerk [nummer] niet zal intrekken.
In het besluit van 10 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Verweerder heeft aan eiser, advocaat, op 22 oktober 2018 een toevoeging met kenmerk [nummer] verstrekt voor het verlenen van rechtsbijstand aan de derde-partij. Het ging, voor zover van belang, om een geschil over de verdeling van de opbrengst van de verkoop van de gezamenlijke woning.
1.1.
Eiser heeft op 30 januari 2020 een aanvraag voor vergoeding voor verleende rechtsbijstand ingediend. Hij heeft hierbij aangegeven dat het resultaat van de zaak waarvoor de toevoeging is verstrekt € 31.125,38 bedraagt. Op 16 maart 2020 heeft verweerder aan eiser een vergoeding van € 1.274,49 toegekend voor de verleende rechtsbijstand.
1.2.
Verweerder heeft op 17 maart 2020 meegedeeld dat hij voornemens is de toevoeging voor de rechtsbijstand in te trekken, omdat het resultaat van de zaak meer dan het normbedrag voor een alleenstaande bedraagt. Eiser en de derde-partij hebben een zienswijze ingediend.
2. Naar aanleiding van deze zienswijzen heeft verweerder besloten de toevoeging in stand te laten. Verweerder heeft dit per brief van 1 juni 2020 aan eiser en de derde-partij laten weten. Onder ‘procesverloop’ is het vervolg van de procedure beschreven.
3. Het relevante wettelijke kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.
Overwegingen
4. Eiser is het niet eens met het in stand laten van de toevoeging. De rechtbank zal de gronden hierna bespreken. Voordat zij hieraan toekomt, ziet zij aanleiding om te beoordelen of verweerder een appellabel besluit heeft genomen.
Het rechtskarakter van de brief van 1 juni 2020
4.1.
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Als een schriftelijke beslissing niet leidt tot verandering in de rechtsverhouding van het bestuursorgaan tot één of meer anderen, dan is er geen sprake van een besluit.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat in de brief van 1 juni 2020 door verweerder is meegedeeld dat besloten is om het voornemen om de toevoeging in te trekken, niet uit te voeren. Het terugkomen van een voornemen is naar het oordeel van de rechtbank geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht nu dat niet leidt tot een verandering in de rechtsverhouding.
4.2.1.
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn zienswijze van 11 mei 2020 heeft toegelicht dat sprake zou zijn van een behaald resultaat van meer dan € 30.846,- en dat er geen zwaarwegende omstandigheden zijn die zich tegen een intrekking van de toevoeging verzetten. De rechtbank begrijpt de zienswijze zo dat deze moet worden aangemerkt als een verzoek van eiser om de toevoeging in te trekken. De rechtbank betrekt daarbij dat de zienwijze is ingediend door middel van het formulier ‘aanvraag mutatie declaratie’. De brief van 1 juni 2020 is naar het oordeel van de rechtbank een afwijzing van de aanvraag om de toevoeging in te trekken, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Het resultaat van de zaak
5. Eiser betoogt dat het behaalde resultaat van de zaak door verweerder niet goed is vastgesteld. De kosten van onder andere de verkoop van de woning mogen niet op het behaalde resultaat in mindering worden gebracht. Uit de werkinstructie van verweerder volgt namelijk dat bij een onverkochte woning de verkoopkosten ook niet worden afgetrokken van het resultaat. Bovendien moet bij het resultaat worden betrokken dat de ex-partner van de derde-partij een bedrag van € 2.439,- aan hypotheekrenteaftrek vorderde, maar heeft afgezien van die vordering. Dat eiser dit bedrag niet hoeft te betalen is ook een deel van het resultaat. Het resultaat van de zaak is daarmee volgens eiser € 33.201,73.
6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen volgt uit artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en zijn totstandkomingsgeschiedenis dat voor het antwoord op de vraag of een verleende toevoeging met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken alleen het resultaat van die zaak van belang is.
6.1.
De rechtbank overweegt dat het begrip 'het resultaat van de zaak’ in artikel 34g van de Wrb niet nader is toegelicht. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 34g van de Wrb staat onder andere dat de draagkracht wordt beoordeeld op het moment waarop de zaak is afgehandeld. Beoordeeld wordt of de rechtzoekende op basis van het financiële resultaat van de zaak in staat kan worden geacht de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen. Met het oog op de controleerbaarheid wordt uitgegaan van een geldsom die de rechtzoekende daadwerkelijk ontvangt, of een vordering met betrekking tot een geldsom. De waarde van goederen die de rechtzoekende ontvangt, wordt niet meegeteld. Uit de nota van antwoord volgt: “Indien de draagkracht van de rechtzoekende na afloop van de zaak zodanig is toegenomen dat hij feitelijk in staat blijkt te zijn om de kosten van rechtsbijstand te kunnen betalen, wordt de toevoeging ingetrokken. Het gaat dus om hetgeen de rechtzoekende netto ontvangt. Immers, alleen dit netto bedrag zou kunnen worden aangewend om deze kosten te kunnen voldoen”.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat uit een nota van afrekening van een notaris blijkt dat de door de derde-partij en zijn ex-partner na de verkoop van de woning te ontvangen geldsom € 58.250,76 bedraagt. De rechtbank stelt verder vast dat de derde-partij en zijn ex-partner op 27 januari 2020 ter zitting een schikking hebben getroffen. In het proces-verbaal van de zitting staat dat zij het bedrag dat openstaat bij de notaris in het kader van de overwaarde resterend na de verkoop de woning, in gelijke delen zullen delen. Verder staat er dat zij met deze overeenkomst alle tussen hun bestaande geschillen beëindigen.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het resultaat van de zaak terecht heeft vastgesteld op een bedrag van € 29.125,38. Uit het proces-verbaal van de schikking en de nota van afrekening volgt, dat op het moment van de schikking - de afhandeling van de zaak - een bedrag van € 58.250,76 open stond bij de notaris en eiser recht had op de helft hiervan. Dit is ook het bedrag dat netto is uitgekeerd aan eiser, en daarmee het resultaat van de zaak. Anders dan eiser betoogt, is de hypotheekrenteaftrek terecht niet bij het resultaat betrokken. Het enkele feit dat de hypotheekrente in geschil is geweest is daarvoor niet voldoende. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat er geen specifieke afspraken zijn gemaakt over de hypotheekrenteaftrek en dat met de overeenkomst alle bestaande geschillen zijn beëindigd. Het betoog faalt.
6.4.
Aan de werkinstructie van verweerder bij onverkochte woningen komt naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis toe, nu er in deze zaak geen sprake is van een onverkochte woning. De beroepsgrond slaagt niet.
Het normbedrag
7. Eiser betoogt dat verweerder uitgaat van een onjuist normbedrag. De derde-partij was op het moment van het aanvragen van de toevoeging alleenstaande, en daar moet dan ook van uitgegaan worden. Dat hij op het moment van afhandeling van de zaak, anderhalf jaar later, een fiscaal partner had, mag volgens eiser niet meewegen. Dit zou fraude kunnen uitlokken, wat niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Eiser verwijst naar artikel 34a, derde lid, van de Wrb, waarin staat dat bij de aanvraag van rechtsbijstand wordt uitgegaan van het vermogen in het peiljaar. In de memorie van toelichting bij de invoering van artikel 34b van de Wrb is volgens eiser aangegeven dat het moment van aanvraag bepalend is voor de beoordeling van de vraag of er een partner is. Het systeem van de voorwaardelijke toevoeging, dat in de periode voorafgaand aan de invoering van artikel 34g van de Wrb van toepassing was, is na de invoering verder niet wezenlijk veranderd. Destijds was het peilmoment ook het moment van aanvraag van de rechtsbijstand. Het normbedrag zou daarmee uitkomen op € 15.423,-.
8. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank bij het beoordelen van de draagkracht en het heffingsvrije vermogen terecht uitgegaan van de leefsituatie van de derde-partij ten tijde van het afhandelen van de zaak. De memorie van toelichting bij artikel 34g van de Wrb vermeldt dat het in alle gevallen gaat om het financiële resultaat bij de definitieve afhandeling van de zaak. Op dat moment wordt de draagkracht beoordeeld aan de hand van een objectieve norm. Het uitgangspunt is dat de rechtzoekende de kosten van de zaak draagt als hij daartoe in staat is. Aangezien de derde-partij op het moment van afhandeling van de zaak samenwoonde, is verweerder terecht uitgegaan van die leefsituatie en het daarbij horende normbedrag.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit tot intrekking van de toevoeging en de daarbij uit te voeren resultaatsbeoordeling moet worden onderscheiden van de beslissing om een toevoeging te verlenen. Anders dan eiser betoogt, zien de artikelen 34a en 34b van de Wrb alleen op de toegang tot het systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand.
Conclusie
12. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht geweigerd de verleende toevoeging in te trekken.
13. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kunnen zij de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kunnen zij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb luidde, ten tijde van belang:
"Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met
terugwerkende kracht ingetrokken, indien op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen heeft."
Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2003.
Kamerstukken II, 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 22-23 (MvT).
Kamerstukken I, 2005/06, 29685, nr. C.
Kamerstukken II 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 22-23. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:643.