Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2022-01-14
ECLI:NL:RBNNE:2022:54
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,763 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2022:54 text/xml public 2026-05-11T09:21:14 2022-01-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2022-01-14 LEE 21/403 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:3938, Bekrachtiging/bevestiging Opiumwet 13b Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:54 text/html public 2026-05-11T09:20:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2022:54 Rechtbank Noord-Nederland , 14-01-2022 / LEE 21/403 Woningsluiting 13b Opiumwet. Feitelijke grondslag sluitingsbevoegdheid. Loop naar de woning. Zorgvuldigheid en evenredigheid. Conclusie A-G's Wattel en Widdershoven. Ongegrond. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 21/403 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Speksnijder), en de burgemeester van de gemeente Leeuwarden, verweerder (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop In het besluit van 7 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder gelast om de woning van eiser aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) gedurende drie maanden te sluiten en gesloten te houden. In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Feiten en omstandigheden 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 De politie Noord-Nederland heeft, naar aanleiding van signalen over eiser dat hij zich bezig zou houden met drugshandel, op 6 mei 2020 de woning doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn verdovende middelen en diverse aan verdovende middelen gerelateerde goederen van lijst I en II van de Opiumwet aangetroffen en in beslag genomen. Daarnaast is een grote som contant geld aangetroffen. 1.2. De politie heeft op 15 juli 2020 naar aanleiding van de doorzoeking een bestuurlijke rapportage opgesteld, die vervolgens aan verweerder is gestuurd. In deze rapportage zijn meerdere indicaties opgenomen waaruit volgt dat de woning is betrokken bij handel in harddrugs. 1.3. In het primaire besluit heeft verweerder op basis van de bestuurlijke rapportage gelast om de woning gedurende drie maanden te sluiten en gesloten te houden met ingang van 24 september 2020 om 14:00 uur. 1.4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.5. Bij uitspraak van 7 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek (zaaknummer LEE 20/2699) afgewezen en bepaald dat de woningsluiting zal ingaan op woensdag 14 oktober 2020 om 14:00 uur. 1.6. Eiser heeft zijn bezwaren mondeling toegelicht tijdens de hoorzitting bij de Adviescommissie bezwaarschriften, Algemene Kamer, van de gemeente Leeuwarden (de commissie) op 16 november 2020. 1.7. De commissie heeft in het advies van 2 december 2020 aan verweerder geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren. 1.8. In het bestreden besluit heeft verweerder het commissieadvies overgenomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Overwegingen 2. De rechtbank zal allereerst beoordelen of eiser nog een belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De woning is met ingang van 14 oktober 2020 voor de duur van drie maanden gesloten. Eiser heeft aangevoerd dat hij als gevolg van de sluiting zijn sociale huurwoning is kwijtgeraakt en dat hij hierdoor vele jaren geen aanspraak zal kunnen maken op een nieuwe sociale huurwoning. In aanvulling daarop heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangevoerd dat de ontruiming van de woning moeizaam is verlopen en er hoge kosten waren gemoeid met zijn verhuizing naar een nieuwe, duurdere huurwoning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval in voldoende mate procesbelang aanwezig is. Het beroep zal hierna inhoudelijk worden besproken. 3 Grondslag voor bevoegdheid 13b van de Opiumwet 3.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de woning 7 gram hasj is aangetroffen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) noemt in de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) als uitgangspunt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. 3.2. Eiser betoogt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het uitoefenen van de bevoegdheid in artikel 13b van de Opiumwet. Dat sprake zou zijn van drugshandel is volgens hem niet bewezen. Bij de doorzoeking zijn slechts softdrugs aangetroffen. Er wordt door verweerder slechts verondersteld dat er andere niet-toegestane middelen aanwezig waren. Ook voert eiser aan dat hij ernstig belemmerd is in zijn verweer tijdens de bezwaarschriftprocedure, nu verweerder hem geen volledige kennis heeft laten nemen van meerdere bij de besluitvorming betrokken stukken. 3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid tot sluiting van de woning heeft kunnen besluiten. In de woning is 7 gram hasj aangetroffen, wat wordt aangemerkt als handelshoeveelheid. Volgens verweerder is eiser er niet in geslaagd om te ontkrachten dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Hij heeft volgens verweerder geen heldere verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de drugs en bijbehorende goederen in zijn woning. Volgens verweerder volgt uit verschillende indicatoren dat eiser betrokken is bij drugshandel. De verklaring die eiser bij de politie heeft gegeven acht verweerder onvoldoende om de bestuurlijke rapportage te kunnen weerleggen. Verweerder wijst daarnaast op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 oktober 2020, waarin deze de conclusie onderschrijft dat hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. 3.4. Verweerder betwist dat eiser in de bezwaarfase ernstig zou zijn belemmerd in zijn verweer. Volgens hem doelt eiser hiermee op het onthouden van kennisname van verschillende processen-verbaal van de politie die zien op de drugshandel waarbij eiser betrokken was. Verweerder stelt dat in die processen-verbaal verschillende verklaringen van getuigen zijn ingebracht. Die stukken zijn bij de voorzieningenrechter ingebracht met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de privacy van de betrokken getuigen te beschermen. Alle passages en namen die herleidbaar zijn tot personen die hebben verklaard over de betrokkenheid van eiser bij drugshandel zijn geanonimiseerd. 3.5. De rechtbank overweegt dat verweerder de woningsluiting heeft gebaseerd op de bestuurlijke rapportage van 15 juli 2020. Verweerder hanteert bij woningsluitingen de Beleidsregels Opiumwet 13b, waaruit het uitgangspunt volgt dat een woning alleen wordt gesloten in ernstige situaties. Daarvan is sprake als aannemelijk is dat de drugshandel of de strafbare voorbereidende handelingen daartoe in georganiseerd verband in of vanuit de woning plaatsvinden of als de aanwezigheid van drugs dan wel de stoffen of voorwerpen als bedoeld in 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet hierop duiden. Bij alleen een geringe handelshoeveelheid softdrugs kan worden volstaan met een waarschuwing, tenzij uit de opsomming van indicatoren alsnog een ernstige situatie blijkt. 3.6 De rechtbank overweegt dat in dit geval een geringe handelshoeveelheid hasj is aangetroffen. Op basis van de lijst met indicatoren in de bijlage bij het primaire besluit heeft verweerder geconcludeerd dat toch sprake is van een ernstige situatie.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2022:54 text/xml public 2026-05-11T09:21:14 2022-01-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2022-01-14 LEE 21/403 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:3938, Bekrachtiging/bevestiging Opiumwet 13b Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:54 text/html public 2026-05-11T09:20:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2022:54 Rechtbank Noord-Nederland , 14-01-2022 / LEE 21/403 Woningsluiting 13b Opiumwet. Feitelijke grondslag sluitingsbevoegdheid. Loop naar de woning. Zorgvuldigheid en evenredigheid. Conclusie A-G's Wattel en Widdershoven. Ongegrond. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 21/403 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Speksnijder), en de burgemeester van de gemeente Leeuwarden, verweerder (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop In het besluit van 7 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder gelast om de woning van eiser aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) gedurende drie maanden te sluiten en gesloten te houden. In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Feiten en omstandigheden 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 De politie Noord-Nederland heeft, naar aanleiding van signalen over eiser dat hij zich bezig zou houden met drugshandel, op 6 mei 2020 de woning doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn verdovende middelen en diverse aan verdovende middelen gerelateerde goederen van lijst I en II van de Opiumwet aangetroffen en in beslag genomen. Daarnaast is een grote som contant geld aangetroffen. 1.2. De politie heeft op 15 juli 2020 naar aanleiding van de doorzoeking een bestuurlijke rapportage opgesteld, die vervolgens aan verweerder is gestuurd. In deze rapportage zijn meerdere indicaties opgenomen waaruit volgt dat de woning is betrokken bij handel in harddrugs. 1.3. In het primaire besluit heeft verweerder op basis van de bestuurlijke rapportage gelast om de woning gedurende drie maanden te sluiten en gesloten te houden met ingang van 24 september 2020 om 14:00 uur. 1.4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.5. Bij uitspraak van 7 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek (zaaknummer LEE 20/2699) afgewezen en bepaald dat de woningsluiting zal ingaan op woensdag 14 oktober 2020 om 14:00 uur. 1.6. Eiser heeft zijn bezwaren mondeling toegelicht tijdens de hoorzitting bij de Adviescommissie bezwaarschriften, Algemene Kamer, van de gemeente Leeuwarden (de commissie) op 16 november 2020. 1.7. De commissie heeft in het advies van 2 december 2020 aan verweerder geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren. 1.8. In het bestreden besluit heeft verweerder het commissieadvies overgenomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Overwegingen 2. De rechtbank zal allereerst beoordelen of eiser nog een belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De woning is met ingang van 14 oktober 2020 voor de duur van drie maanden gesloten. Eiser heeft aangevoerd dat hij als gevolg van de sluiting zijn sociale huurwoning is kwijtgeraakt en dat hij hierdoor vele jaren geen aanspraak zal kunnen maken op een nieuwe sociale huurwoning. In aanvulling daarop heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangevoerd dat de ontruiming van de woning moeizaam is verlopen en er hoge kosten waren gemoeid met zijn verhuizing naar een nieuwe, duurdere huurwoning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval in voldoende mate procesbelang aanwezig is. Het beroep zal hierna inhoudelijk worden besproken. 3 Grondslag voor bevoegdheid 13b van de Opiumwet 3.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de woning 7 gram hasj is aangetroffen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) noemt in de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) als uitgangspunt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. 3.2. Eiser betoogt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het uitoefenen van de bevoegdheid in artikel 13b van de Opiumwet. Dat sprake zou zijn van drugshandel is volgens hem niet bewezen. Bij de doorzoeking zijn slechts softdrugs aangetroffen. Er wordt door verweerder slechts verondersteld dat er andere niet-toegestane middelen aanwezig waren. Ook voert eiser aan dat hij ernstig belemmerd is in zijn verweer tijdens de bezwaarschriftprocedure, nu verweerder hem geen volledige kennis heeft laten nemen van meerdere bij de besluitvorming betrokken stukken. 3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid tot sluiting van de woning heeft kunnen besluiten. In de woning is 7 gram hasj aangetroffen, wat wordt aangemerkt als handelshoeveelheid. Volgens verweerder is eiser er niet in geslaagd om te ontkrachten dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Hij heeft volgens verweerder geen heldere verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de drugs en bijbehorende goederen in zijn woning. Volgens verweerder volgt uit verschillende indicatoren dat eiser betrokken is bij drugshandel. De verklaring die eiser bij de politie heeft gegeven acht verweerder onvoldoende om de bestuurlijke rapportage te kunnen weerleggen. Verweerder wijst daarnaast op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 oktober 2020, waarin deze de conclusie onderschrijft dat hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. 3.4. Verweerder betwist dat eiser in de bezwaarfase ernstig zou zijn belemmerd in zijn verweer. Volgens hem doelt eiser hiermee op het onthouden van kennisname van verschillende processen-verbaal van de politie die zien op de drugshandel waarbij eiser betrokken was. Verweerder stelt dat in die processen-verbaal verschillende verklaringen van getuigen zijn ingebracht. Die stukken zijn bij de voorzieningenrechter ingebracht met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de privacy van de betrokken getuigen te beschermen. Alle passages en namen die herleidbaar zijn tot personen die hebben verklaard over de betrokkenheid van eiser bij drugshandel zijn geanonimiseerd. 3.5. De rechtbank overweegt dat verweerder de woningsluiting heeft gebaseerd op de bestuurlijke rapportage van 15 juli 2020. Verweerder hanteert bij woningsluitingen de Beleidsregels Opiumwet 13b, waaruit het uitgangspunt volgt dat een woning alleen wordt gesloten in ernstige situaties. Daarvan is sprake als aannemelijk is dat de drugshandel of de strafbare voorbereidende handelingen daartoe in georganiseerd verband in of vanuit de woning plaatsvinden of als de aanwezigheid van drugs dan wel de stoffen of voorwerpen als bedoeld in 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet hierop duiden. Bij alleen een geringe handelshoeveelheid softdrugs kan worden volstaan met een waarschuwing, tenzij uit de opsomming van indicatoren alsnog een ernstige situatie blijkt. 3.6 De rechtbank overweegt dat in dit geval een geringe handelshoeveelheid hasj is aangetroffen. Op basis van de lijst met indicatoren in de bijlage bij het primaire besluit heeft verweerder geconcludeerd dat toch sprake is van een ernstige situatie.
Volledig
Naast de geringe handelshoeveelheid hasj zijn diverse aan drugshandel gerelateerde goederen aangetroffen, zoals resten van verpakkingsmaterialen, een plastic zak gevuld met verpakkingsmaterialen en een weegschaaltje met daarop resten cocaïne. Daarnaast zijn met behulp van een drugshond restanten harddrugs aangetroffen, is een flesje Anti Agression (vermoedelijk pepperspray) gevonden en bevond zich in de woning een bedrag van € 8.000,- contant geld. Ook zijn politieverklaringen, afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van gebruikers bij de besluitvorming betrokken. 3.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate en voldoende inzichtelijk gemotiveerd hoe hij tot de woningsluiting is gekomen. De stellingen van eiser acht de rechtbank niet voldoende overtuigend, en deze missen daarnaast een nadere motivering. Dat er bij verweerder slechts vermoedens zouden zijn dat sprake is van drugshandel, volgt de rechtbank niet. Er bestond in dit geval voldoende feitelijke grondslag om over te gaan tot het sluiten van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het is de rechtbank daarnaast niet gebleken dat eiser ernstig belemmerd is in de bezwaarfase, door het inbrengen van een aantal processen-verbaal met belastende verklaringen over hem bij de voorzieningenrechter, waarbij de persoonsgegevens van degenen die de verklaringen hebben afgelegd, zijn weggelakt. 4 Geen ‘loop’ naar de woning 4.1. Eiser voert aan dat er geen redelijke aanwijzing is voor enige ‘loop’ naar zijn woning. Hij betwist de stelling van verweerder dat er in zijn woning drugshandel heeft plaatsgevonden en dat zijn woning een rol heeft gespeeld bij drugshandel. 4.2. Verweerder stelt dat voor het kunnen sluiten van een pand niet noodzakelijk is dat er een ‘loop’ naar de woning kan worden aangetoond. Volgens hem volgt uit vaste rechtspraak geen eis dat moet worden aangetoond dat vanuit de woning drugs wordt verkocht. Ook als de drugs in de woning aanwezig zijn, maar ergens anders worden verkocht, is de burgemeester bevoegd om een woning te sluiten. 4.3. Uit overweging 4.1.2 van de overzichtsuitspraak van de AbRvS volgt dat voor een woningsluiting niet is vereist dat vanuit de woning overlast of feitelijke drugshandel wordt geconstateerd. Dat sprake is van feitelijke handel mag worden aangenomen op grond van onder meer politiewaarnemingen en -verklaringen, en daarnaast het aantreffen van druggerelateerde attributen, geld en wapens. Verweerder heeft in het primaire besluit uitgebreid uiteengezet welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot de woningsluiting. Daarbij zijn betrokken de in de woning aangetroffen aan drugs gerelateerde attributen, geld en wapens. Daarnaast zijn politieverklaringen, afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van gebruikers in dit kader betrokken. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat in dit geval feitelijke drugshandel op basis van andere indicaties kan worden aangenomen. Gelet hierop slaagt het betoog van eiser niet. 5 Zorgvuldigheid en evenredigheid 5.1. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel. Het directe gevolg van het besluit is dat eiser zijn huurwoning kwijt is en hierdoor vele jaren geen aanspraak zal kunnen maken op een nieuwe sociale huurwoning. Hij betoogt dat hij hierdoor zeer ernstig in zijn persoon en zijn bestaansmogelijkheden is aangetast. Volgens eiser is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb. 5.2. Verweerder erkent dat de gevolgen van zijn besluitvorming groot zijn voor eiser. Echter leidt dit volgens verweerder niet tot de conclusie dat de sluiting daardoor onevenredig zou zijn. Ook ziet verweerder hierin geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid af te wijken. Hij stelt dat de omstandigheid dat eiser zijn woning is kwijtgeraakt ten gevolge van de sluiting niet aan die sluiting in de weg staat, gelet op de ernst van de situatie en de eigen verwijtbaarheid van eiser van de overtreding van de Opiumwet. Dat eiser voor lange duur wordt uitgesloten van een sociale huurwoning, maakt die conclusie niet anders. Verweerder verwijst hierbij naar uitspraken van de AbRvS van 28 augustus 2019 en 4 april 2018. 5.3. De rechtbank overweegt dat ter zitting met partijen is gesproken over de evenredigheid van de sluiting, waarbij de conclusie van de advocaten-generaal mr. Wattel en mr. Widdershoven van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1468) aan bod is gekomen. De gemachtigde van eiser heeft betoogd dat uit die conclusie onder meer volgt dat relevant is of de woning daadwerkelijk een rol speelt in drugshandel en dat burgemeesters artikel 13b van de Opiumwet niet moeten gebruiken om drugsgebruikers thuis te belagen. De gemachtigde van verweerder heeft gesteld dat bij het beoordelen van de evenredigheid van een sluiting ook de verwijtbaarheid van de betrokkene wordt betrokken. Volgens verweerder is geen sprake van een onevenredige sluiting, onder meer omdat eiser verwijt treft, hij de enige bewoner van de woning was en geen andere bijzondere omstandigheden aan de orde zijn. 5.4. Uit rechtsoverweging 4 van de overzichtsuitspraak van de AbRvS volgt dat bij de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de omstandigheden van het geval, niet gehouden was om op grond van het evenredigheidsbeginsel anders te beslissen over de woningsluiting van eiser. Verweerder heeft voldoende zorgvuldig en in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat eiser een verwijt treft. Daarnaast is van belang dat eiser de enige bewoner van de woning was, geen sprake was van een bijzondere binding met de woning (bijvoorbeeld om medische redenen) en dat eiser ten tijde van de besluitvorming strafrechtelijk gedetineerd was. Dat hij als gevolg van de sluiting lange tijd geen aanspraak kan maken op een sociale huurwoning is weliswaar een zwaarwegende omstandigheid, maar verzet zich gelet op de omstandigheden van dit geval niet tegen sluiting. De rechtbank is, met inachtneming van de conclusie van de advocaten-generaal, van oordeel dat de evenredigheidstoets in dit geval terecht in het nadeel van eiser is uitgevallen. Ook ziet de rechtbank in het betoog van eiser geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken. 6. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond is. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dit geval geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, op 14 januari 2022. De beslissing wordt op de eerstvolgende maandag na deze datum in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Volledig
Naast de geringe handelshoeveelheid hasj zijn diverse aan drugshandel gerelateerde goederen aangetroffen, zoals resten van verpakkingsmaterialen, een plastic zak gevuld met verpakkingsmaterialen en een weegschaaltje met daarop resten cocaïne. Daarnaast zijn met behulp van een drugshond restanten harddrugs aangetroffen, is een flesje Anti Agression (vermoedelijk pepperspray) gevonden en bevond zich in de woning een bedrag van € 8.000,- contant geld. Ook zijn politieverklaringen, afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van gebruikers bij de besluitvorming betrokken. 3.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate en voldoende inzichtelijk gemotiveerd hoe hij tot de woningsluiting is gekomen. De stellingen van eiser acht de rechtbank niet voldoende overtuigend, en deze missen daarnaast een nadere motivering. Dat er bij verweerder slechts vermoedens zouden zijn dat sprake is van drugshandel, volgt de rechtbank niet. Er bestond in dit geval voldoende feitelijke grondslag om over te gaan tot het sluiten van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het is de rechtbank daarnaast niet gebleken dat eiser ernstig belemmerd is in de bezwaarfase, door het inbrengen van een aantal processen-verbaal met belastende verklaringen over hem bij de voorzieningenrechter, waarbij de persoonsgegevens van degenen die de verklaringen hebben afgelegd, zijn weggelakt. 4 Geen ‘loop’ naar de woning 4.1. Eiser voert aan dat er geen redelijke aanwijzing is voor enige ‘loop’ naar zijn woning. Hij betwist de stelling van verweerder dat er in zijn woning drugshandel heeft plaatsgevonden en dat zijn woning een rol heeft gespeeld bij drugshandel. 4.2. Verweerder stelt dat voor het kunnen sluiten van een pand niet noodzakelijk is dat er een ‘loop’ naar de woning kan worden aangetoond. Volgens hem volgt uit vaste rechtspraak geen eis dat moet worden aangetoond dat vanuit de woning drugs wordt verkocht. Ook als de drugs in de woning aanwezig zijn, maar ergens anders worden verkocht, is de burgemeester bevoegd om een woning te sluiten. 4.3. Uit overweging 4.1.2 van de overzichtsuitspraak van de AbRvS volgt dat voor een woningsluiting niet is vereist dat vanuit de woning overlast of feitelijke drugshandel wordt geconstateerd. Dat sprake is van feitelijke handel mag worden aangenomen op grond van onder meer politiewaarnemingen en -verklaringen, en daarnaast het aantreffen van druggerelateerde attributen, geld en wapens. Verweerder heeft in het primaire besluit uitgebreid uiteengezet welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot de woningsluiting. Daarbij zijn betrokken de in de woning aangetroffen aan drugs gerelateerde attributen, geld en wapens. Daarnaast zijn politieverklaringen, afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van gebruikers in dit kader betrokken. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat in dit geval feitelijke drugshandel op basis van andere indicaties kan worden aangenomen. Gelet hierop slaagt het betoog van eiser niet. 5 Zorgvuldigheid en evenredigheid 5.1. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel. Het directe gevolg van het besluit is dat eiser zijn huurwoning kwijt is en hierdoor vele jaren geen aanspraak zal kunnen maken op een nieuwe sociale huurwoning. Hij betoogt dat hij hierdoor zeer ernstig in zijn persoon en zijn bestaansmogelijkheden is aangetast. Volgens eiser is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb. 5.2. Verweerder erkent dat de gevolgen van zijn besluitvorming groot zijn voor eiser. Echter leidt dit volgens verweerder niet tot de conclusie dat de sluiting daardoor onevenredig zou zijn. Ook ziet verweerder hierin geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid af te wijken. Hij stelt dat de omstandigheid dat eiser zijn woning is kwijtgeraakt ten gevolge van de sluiting niet aan die sluiting in de weg staat, gelet op de ernst van de situatie en de eigen verwijtbaarheid van eiser van de overtreding van de Opiumwet. Dat eiser voor lange duur wordt uitgesloten van een sociale huurwoning, maakt die conclusie niet anders. Verweerder verwijst hierbij naar uitspraken van de AbRvS van 28 augustus 2019 en 4 april 2018. 5.3. De rechtbank overweegt dat ter zitting met partijen is gesproken over de evenredigheid van de sluiting, waarbij de conclusie van de advocaten-generaal mr. Wattel en mr. Widdershoven van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1468) aan bod is gekomen. De gemachtigde van eiser heeft betoogd dat uit die conclusie onder meer volgt dat relevant is of de woning daadwerkelijk een rol speelt in drugshandel en dat burgemeesters artikel 13b van de Opiumwet niet moeten gebruiken om drugsgebruikers thuis te belagen. De gemachtigde van verweerder heeft gesteld dat bij het beoordelen van de evenredigheid van een sluiting ook de verwijtbaarheid van de betrokkene wordt betrokken. Volgens verweerder is geen sprake van een onevenredige sluiting, onder meer omdat eiser verwijt treft, hij de enige bewoner van de woning was en geen andere bijzondere omstandigheden aan de orde zijn. 5.4. Uit rechtsoverweging 4 van de overzichtsuitspraak van de AbRvS volgt dat bij de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de omstandigheden van het geval, niet gehouden was om op grond van het evenredigheidsbeginsel anders te beslissen over de woningsluiting van eiser. Verweerder heeft voldoende zorgvuldig en in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat eiser een verwijt treft. Daarnaast is van belang dat eiser de enige bewoner van de woning was, geen sprake was van een bijzondere binding met de woning (bijvoorbeeld om medische redenen) en dat eiser ten tijde van de besluitvorming strafrechtelijk gedetineerd was. Dat hij als gevolg van de sluiting lange tijd geen aanspraak kan maken op een sociale huurwoning is weliswaar een zwaarwegende omstandigheid, maar verzet zich gelet op de omstandigheden van dit geval niet tegen sluiting. De rechtbank is, met inachtneming van de conclusie van de advocaten-generaal, van oordeel dat de evenredigheidstoets in dit geval terecht in het nadeel van eiser is uitgevallen. Ook ziet de rechtbank in het betoog van eiser geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken. 6. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond is. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dit geval geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, op 14 januari 2022. De beslissing wordt op de eerstvolgende maandag na deze datum in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.