Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2022-10-10
ECLI:NL:RBNNE:2022:3842
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,386 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/6056
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2022 in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder.
Procesverloop
Bij beroepschrift van 6 oktober 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van verweerder van 6 oktober 2022 om verzoeker per 7 oktober 2022 om 12.00 uur administratief te plaatsen in een opvangvoorziening van verweerder. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 22/6055.
Bij verzoekschrift van 6 oktober 2022 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de opvang wordt gecontinueerd.
In verband met het spoedeisende karakter van dit verzoek om een voorlopige voorziening heeft een openbare behandeling van het verzoek niet plaatsgevonden.
Overwegingen
1.1
Op 31 maart 2022 is verzoeker met zijn zus en ouders in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Aan verzoeker is daarvoor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) verleend. Zijn jongere broer is referent en aan hem is op 15 november 2019 een asielvergunning verleend. Eenmaal in Nederland heeft verzoeker op 2 april 2022 een zelfstandige asielaanvraag gedaan. Hij heeft steeds met zijn ouders en zus in het Asielzoekerscentrum (AZC) in Grave verbleven in afwachting van passende huisvesting voor het gezin. Op 12 mei 2022 is aan het gezin bekend gemaakt dat er passende huisvesting wordt gezocht door hun (toekomstige) gemeente vanwege het feit dat de ouders en zus in het bezit zijn gesteld van een afgeleide verblijfsvergunning. In augustus 2022 is passende woonruimte voor het gezin gevonden in ’s-Hertogenbosch. Verzoeker is niet mee verhuisd, omdat hem bij beschikking van 12 mei 2022 geen nareisvergunning is verleend en hij een zelfstandige asielaanvraag heeft gedaan. Verzoeker krijgt tot op heden opvang in het AZC in Grave.
1.2
Op 6 oktober 2022 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij het AZC in Grave op 7 oktober 2022 om 12.00 uur dient te verlaten. Hij dient zich te voegen bij de overige gezinsleden in de woning in ’s-Hertogenbosch.
1.3
Verzoeker is het met die mededeling niet eens en heeft beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hij wenst dat zijn (recht op) opvang wordt gecontinueerd in het AZC in Grave.
2.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2
Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu verzoeker is aangezegd dat hij de opvangvoorziening in Grave binnen afzienbare tijd dient te verlaten. Verweerder heeft in onderhavige procedure aangegeven het besluit te schorsen tot 10 oktober te 12.00 uur; verzoeker dient uiterlijk op dat moment het AZC te Grave te verlaten.
3.1
Verzoeker voert aan dat hij als asielzoeker recht heeft op opvang in een opvangvoorziening van verweerder, zijnde een AZC in dit geval. Hierbij heeft verzoeker onder meer verwezen naar bepalingen uit de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). Volgens verzoeker bestaat er geen grond om dit recht thans te beëindigen. Verzoeker acht het voorts in strijd met de Rva 2005 dat hij verplicht wordt bij zijn familie te verblijven, of dat referent wordt verplicht de inwoning van verzoeker te dulden. Er zou ook niet worden ingestemd met inwoning van verzoeker bij het gezin. Het beleid waarnaar wordt verwezen is niet op verzoeker van toepassing omdat hem geen vergunning is verleend als nareiziger van referent. De aan het gezin toegekende woonruimte kan bovendien niet als passend voor bewoning van het gehele gezin worden beschouwd.
3.2
Volgens verweerder is er sprake van een plaatsingsbesluit op grond van artikel 11 van de Rva in die zin dat is beslist om eiser administratief te plaatsen in een AZC, terwijl hij zijn verstrekkingen feitelijk ontvangt in de aan het gezin toegewezen woning. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar het ‘Beleidskader Huisvesting en instroom van vergunninghouders’. Verzoeker is op grond van zijn nareisaanvraag met zijn gezin geplaatst in een zogenoemde ‘plaatsingseenheid’. Mede vanwege zijn leeftijd behoort hij tot de ‘plaatsingseenheid’ van zijn ouders. Een ‘plaatsingseenheid’ dient op grond van het beleid als geheel uit te stromen naar een passende woning. Omdat verzoeker thans (nog) niet beschikt over een vergunning, kan hij niet definitief uitstromen naar de betreffende woning. Door verzoeker administratief te plaatsen, kan het recht op verstrekkingen worden gecontinueerd. De betreffende woning is ook passend voor het gezin als geheel; bij het zoeken naar deze woonruimte is rekening gehouden met het gezin, inclusief verzoeker. De gemeente heeft inmiddels ingestemd met de administratieve plaatsing van verzoeker. Het is verweerder onvoldoende gebleken dat verzoeker niet in deze passende (en voor hem en zijn familie gezochte) woonruimte kan verblijven.
4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.1
Voor zover verzoeker naar voren heeft gebracht dat verweerder in strijd met de Rva zijn verstrekkingen heeft beëindigd, volgt de voorzieningenrechter hem hierin niet. Van het beëindigen van verstrekkingen is geen sprake. Verzoeker heeft als asielzoeker recht op verstrekkingen en deze worden niet beëindigd met het bestreden besluit.
4.2
Op grond van artikel 11 van de Rva bepaalt verweerder in welke opvangvoorziening een asielzoeker wordt geplaatst. Verweerder stelt dat bij deze plaatsingsbevoegdheid in het geval van verzoeker uitvoering is gegeven aan voornoemd Beleidskader.
4.3
Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit dat beleid niet volgt dat verzoeker thans met een administratieve plaatsing bij zijn gezinsleden in de door de gemeente aan hen verstrekte woonruimte kan worden gehuisvest. De bepalingen in dat beleid zien op de huisvestingsprocedure van nareizigers die nog niet zijn uitgestroomd naar passende woonruimte maar die wel definitief mogen uitstromen naar een woning van de gemeente omdat zij een nareisvergunning hebben, of van nareizigers van wie in ieder geval nog wordt verwacht dat zij na (daadwerkelijke) toekenning van de nareisvergunning definitief kunnen uitstromen naar huisvesting van de gemeente samen met hun gezinsleden. Bij verzoeker is hiervan geen sprake. Zijn verzoek om een afgeleide asielvergunning als nareiziger is niet toegewezen. Op dit moment is enkel nog het door verzoeker gedane asielverzoek in behandeling.
4.4
Als het huisvestingsbeleid op verzoeker van toepassing zou zijn (geweest), valt niet in te zien waarom verzoeker niet reeds in augustus 2022 met zijn gezinsleden is meeverhuisd. Uit de toelichting van verweerder begrijpt de voorzieningenrechter dat verweerder zich toen op het standpunt stelde dat het beleid niet op verzoeker van toepassing was. Verweerder noemt in het verweerschrift immers als reden voor het niet meeverhuizen van verzoeker het feit dat de nareisvergunning voor verzoeker was afgewezen. Op grond van de door verzoeker gedane asielaanvraag bestond er nog wel recht op opvang in een opvangvoorziening van verweerder, dus bleef verzoeker achter in het AZC te Grave.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe zoals onder 5.1 weergegeven;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems-Keekstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2022.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.