Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2021-12-22
ECLI:NL:RBNNE:2021:5307
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,707 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rolnummer: C/18/203888 / HA ZA 21-23
Vonnis van 22 december 2021
in de zaak van
[eiser]
,
voorheen wonende te Groningen, thans te Utrecht,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.J.B. Bosscher te Halfweg,
tegen
de stichting
STICHTING FORENSISCH PSYCHIATRISCH CENTRUM DR. S. VAN MESDAG,
gevestigd te Groningen,
gedaagde,
hierna te noemen: FPC Van Mesdag,
advocaat: mr. M.S.E. van Beurden te Zoetermeer.
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 1 september 2021;
de nadere productie 8 van [eiser] ;
de op voorhand toegezonden spreekaantekeningen van de advocaat van [eiser] ;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 december 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald. Het vonnis wordt vandaag bij vervroeging gewezen.
Feiten
2.1.
Bij vonnis van de rechtbank Zwolle van 24 februari 2004 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wegens seksueel misbruik van c.q. ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.
2.2.
Na het uitzitten van zijn gevangenisstraf is op 15 mei 2006 de tbs-behandeling van [eiser] aangevangen. Sindsdien heeft [eiser] in een aantal tbs-instellingen verbleven. Met ingang van 30 mei 2013 is hij in het Forensisch Psychiatrisch Centrum Van Mesdag te Groningen geplaatst.
2.3.
In 2016 is gestart met doelgerichte onbegeleide verloven voor [eiser] . In dat kader is [eiser] in maart 2017 overgeplaatst naar een pre-resocialisatie unit.
2.4.
In 2017 is naar aanleiding van de vondst van bepaalde zoektermen op de telefoon van [eiser] is ten aanzien van hem een onderzoek naar het bezit van kinderpornografie gestart. In verband hiermee heeft FPC Van Mesdag aangifte tegen [eiser] gedaan en werd de destijds lopende machtiging tot onbegeleid verlof ingetrokken. Daarnaast is [eiser] teruggeplaatst naar zijn vorige afdeling. [eiser] is nadien schuldig bevonden voor het in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen op zijn telefoon. Als gevolg hiervan kwam de lopende verlofmachtiging te vervallen en kon er gedurende ten minste een jaar geen nieuwe verlofmachtiging worden aangevraagd.
2.5.
[eiser] was van 13 december 2017 tot en met 27 augustus 2019 werkzaam op het Dag Activiteiten Centrum in FPC Van Mesdag. [eiser] hield zich daar bezig met het categoriseren van borduurpatronen op een standalone laptop. Deze laptop had geen internettoegang, was niet gekoppeld aan een andere computer en maakte geen deel uit van een netwerk. De laptop was niet van een password voorzien.
2.6.
Nadat een stappenplan was gemaakt voor de overgang van [eiser] naar een Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna te noemen: FPA), heeft [eiser] vanaf 29 augustus 2019 in het kader van transmuraal verlof verbleven op de FPA te Almelo (ook genoemd: TransFore). Op 27 december 2019 is besloten om dit transmuraal verlof tijdelijk op te schorten, met als motivering dat de samenwerking, het geven van openheid en het nakomen van afspraken tijdens de opname in de FPA Almelo dusdanig verliep dat de verloven niet verantwoord werden geacht en [eiser] niet op de FPA kon blijven. In verband hiermee is [eiser] voor een time-out tijdelijk weer in FPC Van Mesdag opgenomen. Op 10 januari 2020 is [eiser] , nadat nieuwe afspraken waren gemaakt, weer teruggeplaatst naar de FPA Almelo.
2.7.
FPC Van Mesdag heeft in de loop van januari 2020 ontdekt dat er zeer veel kinderpornografische afbeeldingen op de onder 2.5. bedoelde door [eiser] ten behoeve van zijn werkzaamheden in het Dag Activiteiten Centrum gebruikte laptop stonden. Dit is voor het hoofd van FPC Van Mesdag aanleiding geweest om aangifte tegen [eiser] te doen. Ook is het transmuraal verlof van [eiser] ingetrokken en is hij op 22 januari 2020 vanuit de FPA Almelo teruggeplaatst naar FPC Van Mesdag.
2.8.
FPA Almelo heeft vervolgens geadviseerd om de behandeling van [eiser] opnieuw vorm te geven in FPC Van Mesdag. [eiser] heeft hierna een verzoek tot overplaatsing naar FPC Van der Hoevenkliniek in Utrecht ingediend. Dit verzoek is in maart 2020 afgewezen.
2.9.
Op 28 februari 2020 heeft [eiser] een klacht bij de beklagcommissie van FPC Van Mesdag ingediend met betrekking tot de intrekking van zijn transmuraal verlof. De beslagcommissie heeft bij uitspraak van 30 april 2020 het beklag ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in beroep bevestigd door de Beroepscommissie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming bij uitspraak van 22 december 2020.
2.10.
Het Openbaar Ministerie (Arrondissementsparket Oost-Nederland) heeft naar aanleiding van de onder 2.7. bedoelde aangifte de rechtbank Overijssel en de strafrechtadvocaat van [eiser] bij e-mail van 28 mei 2020 als volgt bericht:
"Van Parket Noord-Nederland ontving ik t.a.v. tbs-gestelde [eiser] (zitting 2 juni a.s.) en de jegens hem gedane aangifte door de Van Mesdag Kliniek het volgende bericht:
"Kern is dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte als enige de laptop heeft gebruikt. Voorts is geen sprake van originele bestanden, maar afkomstig van usb-stick. De zedenovj heeft besloten dat er geen pv verder wordt opgemaakt tegen hem."
2.11.
De advocaat van [eiser] heeft FPC Van Mesdag bij brief van 28 augustus 2020 aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen jegens [eiser] , althans het inbreuk maken op diens persoonlijke levenssfeer en om betaling van (immateriële) schadevergoeding verzocht. Hiertoe schrijft hij onder meer:
"(…) [eiser] gaf mij aan dat hij tot het einde van de zomer vorig jaar (2019) in uw instelling verbleef. Op 29 augustus 2019 kreeg hij de mogelijkheid naar de FPA Twente in Almelo ("Twente") te gaan. In deze instelling geldt een mild regiem. Tijdens zijn verblijf in Twente genoot [eiser] een grote mate van vrijheid.
Vanwege de verdenking van de schending van artikel 240b Sr (= bezit en/of verspreiding van kinderpornografie) heeft uw instelling [eiser] 'teruggehaald' op 22 januari 2019. De verdenking bleek uiteindelijk ongefundeerd. Desalniettemin kon [eiser] niet teruggaan naar Twente.
[eiser] meent dat uw instelling onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem, althans een inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer door hem, kort gezegd, zonder deugdelijke reden terug te halen en de situatie te doen herleven waarbij hij van zijn rechten en vrijheden is beroofd in uw instelling. [eiser] lijdt daardoor (immateriële) schade die hij begroot op een bedrag van € 85 per dag wat de vaste vergoeding is in de rechtspraak voor onrechtmatige detentie.
[eiser] heeft mij aangegeven dat hij na het terughalen tot op heden vanaf 22 januari 2019 nu al 219 (!) dagen onterecht in een regiem zit waarbij hij onterecht van zijn rechten en vrijheden is beroofd.
Met dit bericht stel ik u namens [eiser] aansprakelijk voor een bedrag van tot op heden € 18.615 (te weten 219 x € 85). (…)"
2.12.
FPC Van Mesdag heeft bij brief aan de advocaat van [eiser] van 5 oktober 2020 haar aansprakelijkheid betwist. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat er jegens [eiser] een ernstige verdenking van een strafbaar feit bestond als gevolg waarvan zij verplicht was om aangifte tegen hem te doen en zijn verlof als ter beschikking gestelde direct in te trekken.
2.13.
Vervolgens heeft de advocaat van [eiser] bij e-mail aan FPC Van Mesdag van 7 oktober 2020 onder meer geschreven:
"(…) Het springende punt in deze zaak is dat de kwalificatie 'ernstige verdenking' onjuist is en daarmee de premisse onwaar is voor de stelling van de kliniek. Voor zover [eiser] bekend is, is de verdenking gebaseerd op het enkele feit dat kinderporno is aangetroffen op een laptop in een gemeenschappelijke ruimte waar [eiser] toegang toe had. Er waren echter óók andere TBS-gestelden die toegang hadden tot de laptop, óók die verpleegd worden vanwege zedendelicten met minderjarigen. Zonder aanvullend bewijs dat tot op heden ontbreekt, is de stelling van de kliniek dan ook onjuist. Het openbaar ministerie heeft dan ook terecht géén proces-verbaal opgemaakt omdat
'Kern is dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte als enige de laptop heeft gebruikt.
Geschil
3.1.
[eiser] heeft in de conclusie van repliek zijn bij inleidende dagvaarding ingestelde eis gewijzigd, in die zin dat hij nu, samengevat weergegeven, vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat Van Mesdag onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door intrekking van zijn verlof om te verblijven in TransFore, althans deze intrekking te handhaven en/of niet opnieuw verlof aan te vragen voor het verblijven in TransFore en daarmee aansprakelijk is jegens [eiser] en verder bepaalt dat Van Mesdag aan [eiser] immateriële schadevergoeding dient te betalen, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Van Mesdag in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. FPC Van Mesdag heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld door aangifte tegen hem te doen, zijn transmuraal verlof in FPA Almelo in te trekken en hem terug te halen naar de eigen kliniek, zonder dat er jegens [eiser] sprake was van een 'ernstige verdenking' van een strafbaar feit, in dit geval het bezit van kinderpornografisch materiaal. Voor het aannemen van een dergelijke 'ernstige verdenking' waren de omstandigheden dat [eiser] als enige patiënt zelfstandig met de laptop in kwestie werkte en dat hij een zedenverleden heeft onvoldoende. FPC Van Mesdag heeft nadien in haar onrechtmatig handelen jegens [eiser] gepersisteerd door na het bericht van het Openbaar Ministerie dat er naar aanleiding van de gedane aangifte geen proces-verbaal tegen [eiser] zal worden opgemaakt, niet opnieuw transmuraal verlof voor hem aan te vragen. Hiermee is de onschuldpresumptie ten aanzien van [eiser] door FPC Van Mesdag geschonden. Met haar hiervoor genoemde handelen jegens [eiser] heeft FPC Van Mesdag zonder rechtvaardiging inbreuk gemaakt op diens persoonlijke vrijheid. Dit is in strijd met artikel 8 EVRM. [eiser] verblijft vanaf de intrekking van zijn transmuraal verlof onder een zwaarder tbs-regime dan voordien. Hierdoor lijdt [eiser] vanaf het moment van intrekking van zijn transmuraal verlof immateriële schade, die door FPC Van Mesdag dient te worden vergoed.
3.3.
FPC Van Mesdag betwist de vorderingen van [eiser] . Zij ontkent onrechtmatig jegens [eiser] te hebben gehandeld. Hiertoe voert zij, samengevat, het volgende aan. FPC Van Mesdag was op grond van artikel 53 lid 2 sub 2 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden (hierna te noemen: Rvt) verplicht om aangifte te doen van het feit dat op de door [eiser] gebruikte laptop kinderpornografisch materiaal was aangetroffen. [eiser] had, naast twee medewerkers van FPC Van Mesdag, als enige langdurig onbegeleid toegang tot de laptop. Nu het een standalone laptop betrof, het indexdelict van [eiser] een zedendelict met een minderjarige betrof en [eiser] binnen de tbs-behandeling twee keer is gerecidiveerd ten aanzien van het bezit van kinderpornografisch materiaal, had FPC Van Mesdag een redelijk vermoeden dat [eiser] dit materiaal in bezit had gehad. Weliswaar was er één medepatiënt met toegang tot de laptop, maar diewerkte slechts onder begeleiding van [eiser] en heeft geen zedenverleden. Op grond van voornoemd artikel van het Rvt was FPC Van Mesdag in de gegeven omstandigheden verplicht om het lopende transmuraal verlof van [eiser] in te trekken. Hierna is niet opnieuw transmuraal verlof in een FPA voor [eiser] aangevraagd, omdat FPC Van Mesdag, gelet op de behandelgeschiedenis van [eiser] , onvoldoende vertrouwen had in een succesvolle (nieuwe) plaatsing van [eiser] in een FPA, die een lichter regime kent dan een FPC. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake (geweest) van een onrechtmatige inbreuk op de vrijheid van [eiser] . Ten slotte meent FPC Van Mesdag dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor toewijzing van immateriële schadevergoeding is voldaan, omdat [eiser] niet concreet heeft onderbouwd wat de immateriële gevolgen van de vermeende normschending voor hem zijn geweest.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Inleiding
4.1.
Tussen partijen is in geschil of FPC Van Mesdag onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld met het doen van aangifte tegen hem vanwege de verdenking van het bezit van kinderpornografisch materiaal, het intrekken van zijn transmuraal verlof in FPA Almelo en het niet opnieuw aanvragen van transmuraal verlof na de mededeling van het Openbaar Ministerie dat naar aanleiding van de gedane aangifte geen proces-verbaal tegen [eiser] zal worden opgemaakt.
4.2.
De rechtbank begrijpt de na de eiswijziging voorliggende vorderingen van [eiser] , gelet op de nadere toelichting hierop ter zitting, aldus dat hij verlangt dat de rechtbank voor recht verklaart dat sprake is van onrechtmatig handelen van FPC Van Mesdag zoals hiervoor bedoeld en dat FPC Van Mesdag in verband daarmee wordt veroordeeld tot betaling van een - nader te bepalen - vergoeding van immateriële schade. [eiser] heeft zijn eis op dat laatste punt echter niet, zoals artikel 130 lid 1 Rv voorschrijft, bij conclusie of akte aangevuld/veranderd. Wat daar ook van zij, de rechtbank hoeft hieraan geen gevolgen te verbinden, omdat de vorderingen van [eiser] , zoals hierna blijkt, hoe dan ook niet toewijsbaar zijn.
Het juridisch kader
4.3.
Artikel 6:162 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die aan hem kan worden toegerekend, verplicht is om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Als onrechtmatige daad wordt onder meer aangemerkt een inbreuk op een recht van een ander, een handelen/nalaten in strijd met een wettelijke plicht, of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (lid 2).
4.4.
De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van een aan FPC Van Mesdag toerekenbare onrechtmatige daad die schade voor [eiser] heeft veroorzaakt, rusten - conform de hoofdregel van artikel 150 Rv - op [eiser] .
4.5.
[eiser] betoogt in dit geding dat het intrekken van zijn intramuraal verlof en het nadien niet opnieuw aanvragen daarvan in de gegeven omstandigheden in strijd is met artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen: EVRM), omdat hij ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd. Artikel 8 lid 1 EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
4.6.
Voorts is voor de beoordeling van deze zaak artikel 53 van het Rvt van belang. Hierin is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
Artikel 53
1. Verlof als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet, wordt in de navolgende vormen onderscheiden:
a. begeleid verlof;
b. onbegeleid verlof;
c. transmuraal verlof;
d. incidenteel verlof
2. Voordat het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden overgaat tot het verlenen van een vorm van verlof, bedoeld in het eerste lid, verzoekt deze Onze Minister schriftelijk een machtiging. (…) De machtiging wordt verleend voor de duur van een jaar. Ten behoeve van het verlenen van een nieuwe machtiging draagt de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden twee maanden voor het verlopen van de machtiging zorg voor een evaluatie aan Onze Minister. Een nieuwe machtiging wordt slechts verleend indien een evaluatie afgegeven is.
De machtiging vervalt:
(…)
2°. zodra het openbaar ministerie aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden meldt dat de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege of tijdens de opneming in de inrichting.
Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden doet van een strafbaar feit als bedoeld in onderdeel 2° binnen een week aangifte bij een opsporingsambtenaar. Indien aan de ter beschikking gestelde ten aanzien van wie door het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden aangifte wordt gedaan, verlof is verleend, wordt dit verlof terstond ingetrokken door het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden verleent geen verlof aan de ter beschikking gestelde ten aanzien van wie door het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden aangifte wordt gedaan, tot aan de mededeling van het openbaar ministerie als bedoeld in onderdeel 2°.
(…)
De aangifte tegen [eiser] en het intrekken van het transmuraal verlof
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat het doen van een strafrechtelijke aangifte volgens vaste rechtspraak in beginsel alleen onrechtmatig is indien degene die de aangifte deed, wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de in de aangifte vervatte beschuldiging ongegrond is. [eiser] heeft niet gesteld dat een en ander hier aan de orde is. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende.
4.8.
Op grond van artikel 53 lid 2 sub 2° Rvt moet het hoofd van een FPC bij een opsporingsambtenaar aangifte doen indien een tbs-gestelde verdacht wordt van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Niet in geschil is dat het bezit van kinderpornografisch materiaal een dergelijk strafbaar feit is.
4.9.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of het hoofd van FPC Van Mesdag in het onderhavige geval [eiser] in redelijkheid als verdachte van het bezit van kinderpornografisch materiaal kon aanmerken.
Op grond van artikel 27 lid 1 Wetboek van Strafvordering wordt als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank kon het hoofd van FPC Van Mesdag ten tijde van het doen van de bestreden aangifte in redelijkheid menen dat ten aanzien van [eiser] een redelijk vermoeden van schuld aan het bezit van kinderpornografisch materiaal bestond. Daartoe zijn, in onderlinge samenhang bezien, de volgende - door FPC Van Mesdag gestelde en door [eiser] niet of onvoldoende betwiste - omstandigheden van belang. Het betreffende materiaal is gevonden op een zogeheten standalone laptop waarvan [eiser] gebruik maakte bij het categoriseren van borduurpatronen, deze laptop werd door de instelling daarvoor specifiek aan hem ter beschikking gesteld tijdens deze werkzaamheden, [eiser] had onbegeleid toegang tot deze laptop, de medepatiënt die [eiser] assisteerde bij zijn werkzaamheden deed dit slechts onder begeleiding van [eiser] .
4.11.
Omdat aldus voor FPC Van Mesdag ten aanzien van [eiser] een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit - het bezit van kinderpornografisch materiaal - bestond, is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een onrechtmatige aangifte door FPC Van Mesdag. Daaraan doet niet af dat het OM in later stadium heeft besloten om geen proces-verbaal tegen [eiser] op te maken naar aanleiding van deze aangifte.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van FPC Van Mesdag vastgesteld op € 1.793,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien deze kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan, vanaf het verstrijken van deze termijn tot aan de dag van algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021.
MP (614)
HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498 en HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2740.
vgl. HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973.
vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551.
vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519.
zie HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7221 (Oudejaarsrellen), HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 (Groningenveld)
vgl. de conclusie van de P-G Langemeijer van 17 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:625, onder 3.15.
vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376.
Beoordeling
Doorslaggevend is dat er geen sprake is geweest van een aangifte waarvan FPC Van Mesdag (op voorhand) wist of behoorde te weten dat deze ongegrond was.
4.12.
Verder overweegt de rechtbank dat FPC Van Mesdag op grond van artikel 53 lid 2 sub 2° Rvt verplicht was om in verband met de tegen [eiser] gedane aangifte diens transmuraal verlof bij FPA Almelo direct in te trekken. Die beslissing was naar het oordeel van de rechtbank ook niet onrechtmatig, aangezien - zoals hiervoor is vastgesteld - FPC Van Mesdag ten aanzien van [eiser] een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit had in verband waarmee er aangifte tegen [eiser] moest worden gedaan. Uit artikel 53 lid 2 sub 2° Rvt volgt dat het lopende verlof dan moet worden ingetrokken.
Persisteren bij de intrekking van het verlof op de FPA
4.13.
De rechtbank begrijpt dit verwijt van [eiser] aan het adres van FPC Van Mesdag aldus dat FPC Van Mesdag na ontvangst van het bericht van het OM dat geen proces-verbaal tegen [eiser] zou worden opgemaakt naar aanleiding van de gedane aangifte, geen nieuwe verlofaanvraag voor hem heeft ingediend bij de Minister. Naar het oordeel van de rechtbank heeft FPA Van Mesdag ook op dit punt niet onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. FPC Van Mesdag kon in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid komen tot haar beslissing om geen nieuwe aanvraag voor een verlofmachtiging in te dienen. Hiertoe is het volgende redengevend.
4.14.
Vooropgesteld wordt dat niet de tbs-instelling zelf over het verlenen van een machtiging tot het verlenen van verlof aan een ter beschikking gestelde kan beslissen, maar dat slechts de Minister bevoegd om een dergelijke machtiging te verstrekken, nadat de tbs-instelling daartoe een aanvraag bij de Minister heeft ingediend. Hierna is het aan het hoofd van de tbs-instelling om op basis van die machtiging te beslissen of en hoe er verlof wordt verleend.
4.15.
Het enkele feit dat het OM na de aangifte tegen [eiser] heeft laten weten dat geen proces-verbaal tegen [eiser] zou worden opgemaakt in verband met het op de laptop aangetroffen kinderpornografisch materiaal, brengt, anders dan [eiser] meent, niet mee dat FPC Van Mesdag daarom gehouden was om wederom een aanvraag voor het verlenen van een machtiging voor transmuraal verlof voor hem bij de Minister te doen. Er bestaat namelijk geen verlofrecht als zodanig voor een ter beschikking gestelde. Uit artikel 50 lid 1 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden volgt dat dit een bevoegdheid van het hoofd van de tbs-kliniek betreft.
4.16.
De wettelijke taak van een tbs-kliniek brengt mee dat aan de ene kant moet worden zorggedragen voor een goede behandeling en, zo mogelijk, resocialisatie van ter beschikking gestelden, terwijl aan de andere kant de maatschappij moet worden beschermd tegen het - door de strafrechter bij de veroordeling tot tbs aanwezig geachte - gevaar dat van in dat verband veroordeelde personen uitgaat. Bij het nemen van beslissingen ten aanzien van ter beschikking gestelden, zoals het aanvragen van een verlofmachtiging bij de Minister, moet de tbs-kliniek zowel het verleden van betrokkene in aanmerking nemen als inschattingen maken ten aanzien van zijn behandeling in de toekomst. Bij het maken van de daarvoor vereiste afwegingen komt naar het oordeel van de rechtbank aan een tbs-instelling, als bij uitstek deskundige op dit gebied, een grote beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank kan een dergelijke beslissing van een tbs-instelling slechts marginaal toetsen. Het spreekt voor zich dat de tbs-instelling de belangen van de betrokken ter beschikking gestelde zorgvuldig moet meewegen. De tbs-instelling dient daarom naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijke aanknopingspunten aan te dragen voor de afwegingen die haar tot een bepaalde beslissing brengen.
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft FPC Van Mesdag in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om na ontvangst van het hiervoor genoemde bericht van het OM niet een nieuwe aanvraag voor een machtiging transmuraal verlof bij de Minister in te dienen. Onder punt 32. van de conclusie van antwoord heeft FPC Van Mesdag haar beweegredenen voor deze beslissing uiteengezet.
“Dat het FPC voor [eiser] niet opnieuw een transmuraal verlof heeft aangevraagd houdt verband met het ingestelde behandelbeleid binnen het FPC. Het behandelteam vond een terugkeer naar de FPA niet verantwoord, gelet op het onbetrouwbare gedrag, de ruis en het gebrek aan verantwoordelijkheid voor het gedrag van [eiser] (dat leidt tot moeilijkheden in de samenwerking). De eerdere plaatsing naar de FPA was een uiterste toets om te bezien hoe [eiser] (met een zeer streng afgesproken risicomanagement) zich toch nog kon ontwikkelen/staande houden buiten een FPC. Eerder was een resocialisatiepoging mislukt (in 2017 op de Toets). In 2019 een nieuw traject naar FPA, om daarmee longcare of longstay nog niet aan te gaan en te bezien of dit toch mogelijk was. Tijdens zijn verblijf op de FPA Almelo werd [eiser] toch op meerdere fronten onbetrouwbaar (o.a. drugsgebruik, telefoongebruik). Daar kwam de verdenking van kinderpornografisch materiaal op de laptop bij het DAC bij wat maakte dat alles bij elkaar, op basis van een zorgvuldige afweging, er te weinig vertrouwen was in een nieuwe poging FPA.”
4.18.
Hiermee heeft FPC Van Mesdag naar het oordeel van de rechtbank haar beslissing om geen nieuwe machtiging voor transmuraal verlof ten behoeve van [eiser] aan te vragen voldoende feitelijk onderbouwd. [eiser] heeft op zijn beurt geen (toereikende) argumenten aangevoerd die maken dat FPC Van Mesdag in redelijkheid niet tot de hiervoor vermelde beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde afweging heeft kunnen komen.
Geen onrechtmatig handelen; de daartoe strekkende verklaring voor recht is niet toewijsbaar
4.19.
Gelet op het vorenstaande is van onrechtmatig handelen van FPC Van Mesdag jegens [eiser] niet gebleken. De in verband daarmee door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden afgewezen.
Immateriële schadevergoeding niet aan de orde
4.20.
Met het oordeel dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen van FPC Van Mesdag jegens [eiser] , strandt ook de in het verlengde daarvan ingestelde vordering om FPC Van Mesdag te veroordelen tot betaling van immateriële schadevergoeding.
Maar zelfs wanneer FPC Van Mesdag op een of meer van de door [eiser] genoemde punten onrechtmatig jegens zou hem hebben gehandeld, is toekenning van immateriële schadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde, omdat [eiser] daarvoor onvoldoende heeft gesteld. De rechtbank licht dit hierna toe.
4.22.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
4.23.
Van de hiervoor bedoelde 'aantasting in de persoon op andere wijze' is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden aangetoond. Niet voldoende is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.