Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2020-11-18
ECLI:NL:RBNNE:2020:3934
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,902 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/3196
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekers] , te [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
en
De burgemeester van de gemeente Waadhoeke, verweerder
(gemachtigde: P. Fröhlich).
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning en de loods op het adres [adres] (hierna: de woning en de loods) voor een periode van twaalf maanden worden gesloten.
Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020.
Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door
S.R. Boelens.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Blijkens een bestuurlijke rapportage van 11 september 2020 heeft de politie op 30 juli 2020 in de loods en in de woning goederen aangetroffen.
In de loods betrof het 855 gebruikte plantenpotten, 2 slakkenhuizen, 8 verkleurde koolstoffilters, 27 kleine ronde vaten met daarin onder andere 105 assimilatielampen, 9 liter plantgroeimiddel, nieuwe filterdoeken, houten panelen voorzien van isolatiemateriaal, meerdere meters elektriciteitskabel, plastic buisjes ten behoeve van droognetten en droognetten.
In de woning betrof het 1 slakkenhuis, 1 vervuild koolstoffilter, 3 knipscharen waarvan 2 vervuild, 1 schakelklok, 1 weegschaal in een koffer met daarin meerdere sealbags, gebruikte plastic handschoenen, hennepgruis en henneptopjes.
3.1.
Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Ingevolge artikel 11a wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Ingevolge artikel 11, derde lid, wordt hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II (…) te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.
Ingevolge artikel 11, vijfde lid, wordt, indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.
3.2.
Hennep is opgenomen in lijst II van de Opiumwet.
4.1.
Verweerder baseert de sluiting op artikel 13b in samenhang met artikel 11a van de Opiumwet.
4.2.
In de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het volgende overwogen:
“Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verband met artikel 11a van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet te handelen, zoals door middel van hennepteelt. In een dergelijk geval is het de betrokkene die in strijd met artikel 11a van de Opiumwet heeft gehandeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikelen 11a en 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 4, en Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 5) volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De beoordeling of sprake is van het beroeps- of bedrijfsmatig in strijd handelen met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is volgens paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet, in het geval van een hennepplantage, afhankelijk van het aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.
Ook is de burgemeester bevoegd als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om opzettelijk in strijd met artikel 3 van de Opiumwet te handelen en, zoals is vereist op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, het daarbij gaat om een grote hoeveelheid van de in lijst II, behorend bij de Opiumwet, bedoelde middelen. Uit artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit volgt dat van een grote hoeveelheid sprake is bij meer dan 500 g hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel.
Om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3) is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs”.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat er in de loods en in de woning grote hoeveelheden goederen zijn aangetroffen (zie onder 2) die bestemd kunnen worden voor de hennepteelt. Gezien het gebruikte karakter van een deel van de goederen, is het aannemelijk dat die goederen eerder voor hennepteelt zijn gebruikt.
5.2.
De hoeveelheid goederen en de loods zijn daarnaast zo groot dat hiermee de kweek van meer dan 200 hennepplanten mogelijk is.
5.3.
Zoals ter zitting is besproken, is vastgesteld is dat in de meterkast van de woning de loodjes zijn verwijderd. Dit is recent gebeurd, gezien het feit dat de netbeheerder in mei 2020 nieuwe loodjes heeft aangebracht. Daarnaast zijn onder meer (zie 2) hennepgruis en henneptoppen aangetroffen. Dit tezamen maakt aannemelijk dat op het adres kort geleden activiteiten in verband met hennepteelt hebben plaatsgevonden. Tevens maakt dit aannemelijk dat verzoekers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage.
5.4.
Gezien het voorgaande, afgezet tegen de hierboven aangehaalde overwegingen van de AbRS, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder bevoegd is tot sluiting over te gaan. Deze bevoegdheid betreft niet alleen de loods maar ook de woning.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/3196
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekers] , te [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
en
De burgemeester van de gemeente Waadhoeke, verweerder
(gemachtigde: P. Fröhlich).
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning en de loods op het adres [adres] (hierna: de woning en de loods) voor een periode van twaalf maanden worden gesloten.
Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020.
Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door
S.R. Boelens.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Blijkens een bestuurlijke rapportage van 11 september 2020 heeft de politie op 30 juli 2020 in de loods en in de woning goederen aangetroffen.
In de loods betrof het 855 gebruikte plantenpotten, 2 slakkenhuizen, 8 verkleurde koolstoffilters, 27 kleine ronde vaten met daarin onder andere 105 assimilatielampen, 9 liter plantgroeimiddel, nieuwe filterdoeken, houten panelen voorzien van isolatiemateriaal, meerdere meters elektriciteitskabel, plastic buisjes ten behoeve van droognetten en droognetten.
In de woning betrof het 1 slakkenhuis, 1 vervuild koolstoffilter, 3 knipscharen waarvan 2 vervuild, 1 schakelklok, 1 weegschaal in een koffer met daarin meerdere sealbags, gebruikte plastic handschoenen, hennepgruis en henneptopjes.
3.1.
Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Ingevolge artikel 11a wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Ingevolge artikel 11, derde lid, wordt hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II (…) te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.
Ingevolge artikel 11, vijfde lid, wordt, indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.
3.2.
Hennep is opgenomen in lijst II van de Opiumwet.
4.1.
Verweerder baseert de sluiting op artikel 13b in samenhang met artikel 11a van de Opiumwet.
4.2.
In de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het volgende overwogen:
“Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verband met artikel 11a van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet te handelen, zoals door middel van hennepteelt. In een dergelijk geval is het de betrokkene die in strijd met artikel 11a van de Opiumwet heeft gehandeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikelen 11a en 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 4, en Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 5) volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De beoordeling of sprake is van het beroeps- of bedrijfsmatig in strijd handelen met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is volgens paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet, in het geval van een hennepplantage, afhankelijk van het aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.
Ook is de burgemeester bevoegd als in een lokaal voorwerpen of stoffen voorhanden zijn waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om opzettelijk in strijd met artikel 3 van de Opiumwet te handelen en, zoals is vereist op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, het daarbij gaat om een grote hoeveelheid van de in lijst II, behorend bij de Opiumwet, bedoelde middelen. Uit artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit volgt dat van een grote hoeveelheid sprake is bij meer dan 500 g hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel.
Om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3) is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs”.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat er in de loods en in de woning grote hoeveelheden goederen zijn aangetroffen (zie onder 2) die bestemd kunnen worden voor de hennepteelt. Gezien het gebruikte karakter van een deel van de goederen, is het aannemelijk dat die goederen eerder voor hennepteelt zijn gebruikt.
5.2.
De hoeveelheid goederen en de loods zijn daarnaast zo groot dat hiermee de kweek van meer dan 200 hennepplanten mogelijk is.
5.3.
Zoals ter zitting is besproken, is vastgesteld is dat in de meterkast van de woning de loodjes zijn verwijderd. Dit is recent gebeurd, gezien het feit dat de netbeheerder in mei 2020 nieuwe loodjes heeft aangebracht. Daarnaast zijn onder meer (zie 2) hennepgruis en henneptoppen aangetroffen. Dit tezamen maakt aannemelijk dat op het adres kort geleden activiteiten in verband met hennepteelt hebben plaatsgevonden. Tevens maakt dit aannemelijk dat verzoekers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage.
5.4.
Gezien het voorgaande, afgezet tegen de hierboven aangehaalde overwegingen van de AbRS, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder bevoegd is tot sluiting over te gaan. Deze bevoegdheid betreft niet alleen de loods maar ook de woning.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.