Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2020-10-29
ECLI:NL:RBNNE:2020:3865
Bestuursrecht; Belastingrecht
Mondelinge uitspraak
4,674 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/2413
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Harlingen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigden verweerder] ).
Procesverloop
Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 20 juni 2019 op het bezwaarschrift van eiser tegen de aanslag rioolheffing voor het kalenderjaar 2019.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag rioolheffing;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.
Gronden
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Formeel:
1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft geconstateerd dat eisers bezwaarschrift van 13 mei 2019 buiten de wettelijke termijn van 6 weken (zie artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht) is ingediend. In het onderhavige geval heeft eiser op 13 maart 2019 (binnen de bezwaartermijn) telefonisch contact gehad met verweerder en - ook volgens verweerder - in dit gesprek aangegeven het niet eens te zijn met de aanslag rioolheffing. Verweerder was dus bekend met het bezwaar van eiser. Omdat een mondeling (telefonisch) bezwaar volgens de wet niet telt, is sprake van een vormverzuim. Verweerder had eiser in de gelegenheid moeten stellen het bezwaar op juiste wijze in te dienen (per brief dus). Nu eiser vervolgens door verweerder niet in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen, acht de rechtbank eiser toch ontvankelijk en merkt de rechtbank het telefonische contact dus in wezen aan als (tijdig ingediend) bezwaarschrift.
Inhoudelijk:
2.1.
Verweerder heeft aan eiser voor 2019 een aanslag rioolheffing opgelegd
ad € 183,44 ter zake van het perceel dat plaatselijk bekend is als [adres] . Op het perceel bevindt zich een boothuis (een niet-woning). Er is geen sprake van een directe lozing (aansluiting dan wel afvoer) op het gemeentelijk riool. Het gaat alleen om het hemelwater en dat hemelwater komt via een buis terecht in het open water in c.q. onder het boothuis. Eiser is eigenaar van het perceel en het boothuis, inclusief het ondergelegen water. Het water onder het boothuis staat in directe verbinding met de Harlinger Trekvaart, dat in eigendom is van de Gemeente Harlingen. Vanuit daar stroomt het water naar het Van Harinxmakanaal, dat in eigendom is van de Provincie Friesland (Provinsje Fryslân). Vervolgens stroomt het water af naar de Waddenzee (de Waadsee).
2.2.
Eiser heeft - kort gezegd - aangevoerd dat nu geen sprake is van een (in)directe aansluiting op het riool, hij dus ook niet loost op de gemeentelijke riolering. Bovendien doet de gemeente niets concreets met het afgevoerde hemelwater. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en stelt hiertoe
- tevens kort gezegd - dat in het onderhavige geval een juiste toepassing is gegeven aan de bepalingen van de “Verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing 2019” (hierna: de Verordening) van de gemeente Harlingen. Verweerder stelt dat het afvoer van het hemelwater plaatsvindt op een water dat in eigendom is van de gemeente (de Harlinger Trekvaart), en dat dit een voorziening is in de zin van de gemeente.
2.3.
In de Verordening is onder meer het volgende vermeld:
“Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c. (…)
d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.”
2.4.
Ingevolge artikel 2 ("Aard van de belasting") van de erordening wordt onder de naam "rioolheffing":
"een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.”
2.5.
Ingevolge artikel 3 (“Belastbaar feit en belastingplicht”), lid 1, onder a, van de Verordening wordt de belasting geheven:
“van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel;
2.6.
In artikel 5 (“Maatstaf van heffing”), lid 1, van de Verordening is bepaald:
“Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.”
2.7.
In artikel 6 (“Belastingtarieven”), lid 2, van de Verordening is bepaald:
“Het eigenarendeel voor niet-woningen met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 60m2 bedraagt € 183,44”
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder dient, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, aannemelijk te maken dat het belastbare feit voor de rioolheffing - in casu: de indirecte afvoer van hemelwater op de gemeentelijke riolering - zich heeft voorgedaan. In dit bewijs is verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan het belastbare feit, omdat geen sprake is van een “gemeentelijke riolering” in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Verordening. De rechtbank heeft daarbij met name in aanmerking genomen dat volgens de Verordening sprake moet zijn van een “voorziening” of “combinatie van voorzieningen”. Volgens de rechtbank is deze formulering niet ruim genoeg om daar ook gemeentelijk oppervlaktewater, zoals de Harlingertrekvaart, onder te begrijpen. Burgers van de gemeente Harlingen moeten uit de Verordening eenduidig kunnen opmaken of zij rioolheffing zijn verschuldigd of niet. Uit de Verordening volgt dat er sprake is van een belastbaar feit als een eigenaar is 'aangesloten' op een 'voorziening'. Wat een voorziening is, staat niet in de Verordening uitgelegd. De rechtbank verwijst voor de verdere onderbouwing van haar oordeel op dit punt naar haar uitspraak van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:983).
3.3.
Kijkend naar de wettekst van artikel 228a van de Gemeentewet, die gelijkluidend is aan artikel 2 van de Verordening (zie 2.4.), zou de gemeente in theorie best rioolheffing mogen heffen van eiser. De enkele inzameling van hemelwater kan daarvoor al genoeg zijn.
Het gaat er - anders dan eiser meent - niet zozeer om hoeveel moeite de gemeente vervolgens moet doen om van het ingezamelde water af te komen. Doorslaggevend is dat eiser van het hemelwater af is door dat af te voeren op open water dat van de gemeente is. Eiser is zijn hemelwater dus kwijt en dat is een aangrijppunt voor de rioolheffing.
De gemeente heeft in zijn eigen Verordening echter een beperktere definitie van het belastbare feit gehanteerd, waar burgers van op aan moeten kunnen. De crux is volgens de rechtbank dus dat de Gemeentewet het heffen van rioolheffing ook in eisers geval wel degelijk toestaat, maar dat de Verordening een beperktere reikwijdte heeft die dat in dit geval verhindert.
Dictum
De griffier is verhinderd te ondertekenen
w.g. rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/2413
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Harlingen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigden verweerder] ).
Procesverloop
Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 20 juni 2019 op het bezwaarschrift van eiser tegen de aanslag rioolheffing voor het kalenderjaar 2019.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag rioolheffing;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.
Gronden
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Formeel:
1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft geconstateerd dat eisers bezwaarschrift van 13 mei 2019 buiten de wettelijke termijn van 6 weken (zie artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht) is ingediend. In het onderhavige geval heeft eiser op 13 maart 2019 (binnen de bezwaartermijn) telefonisch contact gehad met verweerder en - ook volgens verweerder - in dit gesprek aangegeven het niet eens te zijn met de aanslag rioolheffing. Verweerder was dus bekend met het bezwaar van eiser. Omdat een mondeling (telefonisch) bezwaar volgens de wet niet telt, is sprake van een vormverzuim. Verweerder had eiser in de gelegenheid moeten stellen het bezwaar op juiste wijze in te dienen (per brief dus). Nu eiser vervolgens door verweerder niet in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen, acht de rechtbank eiser toch ontvankelijk en merkt de rechtbank het telefonische contact dus in wezen aan als (tijdig ingediend) bezwaarschrift.
Inhoudelijk:
2.1.
Verweerder heeft aan eiser voor 2019 een aanslag rioolheffing opgelegd
ad € 183,44 ter zake van het perceel dat plaatselijk bekend is als [adres] . Op het perceel bevindt zich een boothuis (een niet-woning). Er is geen sprake van een directe lozing (aansluiting dan wel afvoer) op het gemeentelijk riool. Het gaat alleen om het hemelwater en dat hemelwater komt via een buis terecht in het open water in c.q. onder het boothuis. Eiser is eigenaar van het perceel en het boothuis, inclusief het ondergelegen water. Het water onder het boothuis staat in directe verbinding met de Harlinger Trekvaart, dat in eigendom is van de Gemeente Harlingen. Vanuit daar stroomt het water naar het Van Harinxmakanaal, dat in eigendom is van de Provincie Friesland (Provinsje Fryslân). Vervolgens stroomt het water af naar de Waddenzee (de Waadsee).
2.2.
Eiser heeft - kort gezegd - aangevoerd dat nu geen sprake is van een (in)directe aansluiting op het riool, hij dus ook niet loost op de gemeentelijke riolering. Bovendien doet de gemeente niets concreets met het afgevoerde hemelwater. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en stelt hiertoe
- tevens kort gezegd - dat in het onderhavige geval een juiste toepassing is gegeven aan de bepalingen van de “Verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing 2019” (hierna: de Verordening) van de gemeente Harlingen. Verweerder stelt dat het afvoer van het hemelwater plaatsvindt op een water dat in eigendom is van de gemeente (de Harlinger Trekvaart), en dat dit een voorziening is in de zin van de gemeente.
2.3.
In de Verordening is onder meer het volgende vermeld:
“Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c. (…)
d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.”
2.4.
Ingevolge artikel 2 ("Aard van de belasting") van de erordening wordt onder de naam "rioolheffing":
"een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.”
2.5.
Ingevolge artikel 3 (“Belastbaar feit en belastingplicht”), lid 1, onder a, van de Verordening wordt de belasting geheven:
“van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel;
2.6.
In artikel 5 (“Maatstaf van heffing”), lid 1, van de Verordening is bepaald:
“Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.”
2.7.
In artikel 6 (“Belastingtarieven”), lid 2, van de Verordening is bepaald:
“Het eigenarendeel voor niet-woningen met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 60m2 bedraagt € 183,44”
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder dient, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, aannemelijk te maken dat het belastbare feit voor de rioolheffing - in casu: de indirecte afvoer van hemelwater op de gemeentelijke riolering - zich heeft voorgedaan. In dit bewijs is verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan het belastbare feit, omdat geen sprake is van een “gemeentelijke riolering” in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Verordening. De rechtbank heeft daarbij met name in aanmerking genomen dat volgens de Verordening sprake moet zijn van een “voorziening” of “combinatie van voorzieningen”. Volgens de rechtbank is deze formulering niet ruim genoeg om daar ook gemeentelijk oppervlaktewater, zoals de Harlingertrekvaart, onder te begrijpen. Burgers van de gemeente Harlingen moeten uit de Verordening eenduidig kunnen opmaken of zij rioolheffing zijn verschuldigd of niet. Uit de Verordening volgt dat er sprake is van een belastbaar feit als een eigenaar is 'aangesloten' op een 'voorziening'. Wat een voorziening is, staat niet in de Verordening uitgelegd. De rechtbank verwijst voor de verdere onderbouwing van haar oordeel op dit punt naar haar uitspraak van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:983).
3.3.
Kijkend naar de wettekst van artikel 228a van de Gemeentewet, die gelijkluidend is aan artikel 2 van de Verordening (zie 2.4.), zou de gemeente in theorie best rioolheffing mogen heffen van eiser. De enkele inzameling van hemelwater kan daarvoor al genoeg zijn.
Het gaat er - anders dan eiser meent - niet zozeer om hoeveel moeite de gemeente vervolgens moet doen om van het ingezamelde water af te komen. Doorslaggevend is dat eiser van het hemelwater af is door dat af te voeren op open water dat van de gemeente is. Eiser is zijn hemelwater dus kwijt en dat is een aangrijppunt voor de rioolheffing.
De gemeente heeft in zijn eigen Verordening echter een beperktere definitie van het belastbare feit gehanteerd, waar burgers van op aan moeten kunnen. De crux is volgens de rechtbank dus dat de Gemeentewet het heffen van rioolheffing ook in eisers geval wel degelijk toestaat, maar dat de Verordening een beperktere reikwijdte heeft die dat in dit geval verhindert.
Dictum
De griffier is verhinderd te ondertekenen
w.g. rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.