Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2019-08-30
ECLI:NL:RBNNE:2019:3775
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,342 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 18/1350 tot en met 18/1353
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2019 in de zaken tussen
Nieuwenhuis Planontwikkeling BV, te Rijssen, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze, verweerder
(gemachtigde: ing. G.A. Ebels).
Als derde-partij hebben aan de gedingen deelgenomen:
LEE 18/1350: [derde-belanghebbende 1] ;
LEE 18/1351: [derde-belanghebbende 2] ;
LEE 18/1352: [derde-belanghebbende 3] ;
LEE 18/1353: [derde-belanghebbende 4] , te Annen.
Procesverloop
Bij besluiten van 2 mei 2017 (18-1350 t/m 1352) en 12 juni 2017 (18-1353) (de primaire besluiten) heeft verweerder aan derde-partijen op hun verzoek een tegemoetkoming in planschade toegekend van respectievelijk € 12.950,-; € 15.020,-; € 16.950,- en € 15.850,-.
Bij besluiten van 28 maart 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten, met aanvulling van de motivering.
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Vanwege de onderlinge samenhang heeft de rechtbank de zaken gevoegd behandeld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De StAB heeft op 26 oktober 2018 verslag uitgebracht van haar bevindingen. Eiseres en verweerder hebben daarop schriftelijk gereageerd. De StAB heeft op 8 januari 2019 nogmaals verslag uitgebracht en is daarbij ingegaan op de reacties van partijen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Nijman, bijgestaan door mr. T.A.P. Langhout RT. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. J. Marskamp RT, adviseur van de Stichting Advisering Onroerende Zaken (SAOZ).
Derde-partijen zijn verschenen, met uitzondering van [derde-belanghebbende 1] , die zich door de andere derde-partijen heeft laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het beroep de volgende feiten als vaststaand aan.
Derde-partijen zijn eigenaar van het perceel [adres 1] , respectievelijk [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te Annen en de daarop gelegen woningen. Deze percelen grenzen aan het perceel waarop eiseres een woningbouwproject heeft gerealiseerd. Om dit project mogelijk te maken heeft de gemeenteraad van de gemeente Aa en Hunze (de raad) op 28 april 2016 het bestemmingplan “Annen Dorp nieuwbouwproject ’t Veld” vastgesteld. Dit bestemmingsplan is in werking getreden en onherroepelijk geworden op 23 juni 2016. Derde-partijen hebben een verzoek ingediend voor een tegemoetkoming in planschade die het gevolg is van dit bestemmingsplan. Als gevolg van een door eiseres en verweerder gesloten overeenkomst zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) komt planschade die voortkomt uit de vaststelling van het bestemmingsplan voor rekening van eiseres.
Tot 23 juni 2016 was op het perceel van eiseres het bestemmingsplan “Annen Dorp” van toepassing, dat door de raad is vastgesteld op 30 september 2009.
De Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) heeft adviezen aan verweerder uitgebracht betreffende de verzoeken van derde-partijen. De SAOZ heeft geadviseerd om de verzoeken toe te wijzen en een tegemoetkoming in de schade als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan te betalen ter waarde van respectievelijk € 12.950,-; € 15.020,-; € 16.950,- en € 15.850,-. Bij de primaire besluiten heeft verweerder, met overname van de adviezen van de SAOZ, de verzoeken van derde-partijen toegewezen en aan hen een tegemoetkoming van respectievelijk € 12.950,-; € 15.020,-; € 16.950,- en € 15.850,- toegekend.
De Commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) heeft verweerder in haar advies van 4 december 2017 geadviseerd om de bezwaren van eiseres gegrond te verklaren en om een nieuw advies aan de SAOZ te vragen waarin de onduidelijkheid ten aanzien van de teeltondersteunende voorzieningen zou worden opgeheven. Daarnaast zou daarin een onderbouwing moeten worden gegeven van het te hanteren percentage van de schade dat behoort tot het normaal maatschappelijk risico.
Op 2 januari 2018 heeft de SAOZ een nader advies uitgebracht aan verweerder. Verweerder heeft eiseres en derde-partijen in de gelegenheid gesteld om op het nadere advies te reageren. Eiseres heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Verweerder heeft vervolgens de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten, met aanvulling van de motivering.
2. Bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Tussen eiseres en verweerder is in geschil wat de maximale invulling van het oude planologisch regime was en hoe de schadefactoren uitzicht, privacy, hinder en situeringswaarde gewogen dienen te worden.
3. Wanneer op basis van de door een partij aangevoerde concrete aanknopingspunten gegronde twijfel bestaat over de juistheid van het advies dat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, mag de rechter met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek. Verweerder heeft adviezen van de SAOZ aan zijn besluiten ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de StAB als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Verweerder kan zich, hoewel hij nog steeds afwijzend staat tegenover een ‘oude’ mogelijke invulling met sleufsilo’s, vinden in de bevindingen en conclusies van de StAB. Eiseres kan zich daarin niet vinden. De rechtbank zal eerst de gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen het verslag van de StAB en de reactie daarop van de StAB samengevat weergeven met betrekking tot achtereenvolgens de planvergelijking en de vier schadefactoren en daarna over het geheel een oordeel geven. Planvergelijking
4.1.
Eiseres voert aan dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste planvergelijking en dat ook de planvergelijking die de StAB heeft gemaakt ondeugdelijk is. De StAB komt op oneigenlijke gronden tot de conclusie dat het gebruik van sleufsilo’s op belemmeringen van feitelijke aard zou stuiten. De StAB zou dat aannemelijk moeten maken. De situering van de sleufsilo’s dient ten opzichte van elke individuele aanvrager te worden beoordeeld. Daarnaast hadden er in het gebied twee sleufsilo’s aanwezig kunnen zijn, die vanuit het midden bereikbaar waren. De fysieke ruimte om de sleufsilo’s te gebruiken is derhalve wel degelijk aanwezig. Ook kan niet gesteld worden dat het gebied is gelegen midden in een woonwijk.
De StAB merkt ten aanzien van de planvergelijking op dat bij de opslag van los kuilvoer in sleufsilo’s een afstand van tenminste 25 meter tot geurgevoelige objecten in acht moet worden genomen en dat er in dat geval vrijwel geen ruimte voor de sleufsilo’s resteert. Met de SAOZ is de StAB van mening dat sleufsilo’s niet worden gebruikt voor opslag van in plastic folie verpakte veevoederbalen, omdat een dergelijke voorziening daarbij onnodig is. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2239) moet bij de maximale invulling echter worden uitgegaan van de planologische mogelijkheid van de bouw van sleufsilo’s met verpakte kuilvoeropslag tot op de erfscheiding.
Uitzicht
4.2 Eiseres voert met betrekking tot de schadefactor uitzicht aan dat onder de oude planologie sprake kon zijn van bouwwerken, geen gebouw zijnde van maximaal vijf meter hoog in de vorm van sleufsilo’s waarvan de storthoogte niet was bepaald. Thans is sprake van woningen met een bouwhoogte van maximaal 8 meter. Als gevolg van de planologische wijziging is het (uit)zicht vanuit de woningen en de percelen van derde-partijen niet of nauwelijks ten nadele gewijzigd.
De StAB merkt op dat voor het verplaatsen van balen op grotere hoogte een tractor niet volstaat en dus –afhankelijk van de gekozen hoogte- steeds zwaarder materieel moet worden ingezet waardoor (nog) meer ruimte nodig is om te kunnen manoeuvreren. Naarmate de benodigde manoeuvreerruimte toeneemt, neemt de ruimte voor opslag af en neemt daardoor in vergelijking met de nieuwe situatie per saldo het vrije (uit)zicht op de omgeving juist weer toe. Onder deze omstandigheden is met de bouw van de woningen in de nieuwe planologische situatie sprake van meer belemmeringen in het uitzicht dan met de invulling van het gebied met twee sleufsilo’s. Wat betreft het uitzicht heeft de StAB drie situaties beschouwd, waaronder de situatie sleufsilo’s met kuilvoeropslag versus woningbouw. Ten aanzien van deze situatie is geconcludeerd dat, alles afwegende, sprake is van lichte schade (maximaal 4%).
Privacy
4.3
Eiseres voert met betrekking tot de schadefactor privacy aan dat het gebruik van sleufsilo’s tot een intensief grondgebruik zou hebben geleid. De redenering van de StAB over bijgebouwen tot op de perceelgrens is niet concludent omdat de privacy vanuit deze bijgebouwen vanwege beperkingen uit het burenrecht niet kon worden aangetast, omdat er geen ramen binnen twee meter uit de erfgrens mogen worden geplaatst.
De StAB merkt op dat kenmerkend voor opslag juist is dat daaromtrent weinig activiteit plaatsvindt.
Conclusie
4.6
De StAB concludeert dat de SAOZ –uitgaand van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden- de invloed van het oude regime op de waarde voorafgaand aan de planologische ontwikkeling niet heeft onderschat. De StAB is met de SAOZ van oordeel dat de planmutatie per saldo heeft geleid tot een planologisch nadeel dat als middelzwaar tot zwaar gekwalificeerd kan worden. De waardevermindering die de SAOZ heeft vastgesteld, namelijk circa 7% van de waarde van de woningen voorafgaand aan de planmutatie, is in lijn met deze kwalificatie.
Beoordeling
4.7
De bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd (ABRS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2287).
Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de rechtbank aan de StAB heeft gevraagd om tot taxatie over te gaan, hetgeen de StAB niet heeft gedaan. Andere input zou volgens eiseres ook tot andere output moeten leiden. Eigenlijk zou de taxateur daarom moeten kijken wat gevolgen zijn van de andere uitgangspunten over de maximale invulling onder het oude planologische regime. Eiseres werpt de vraag op of de StAB de opdracht van de rechtbank wel volledig heeft uitgevoerd.
De rechtbank overweegt dat in het verzoek om advies aan de StAB d.d. 3 augustus 2018 niet is gevraagd om (in alle gevallen) de onroerende zaken te taxeren. Er is verzocht om de hoogte van de schade te bepalen als er sprake zou zijn van beperkte(re) planologische verslechtering, zoals door eiseres wordt gesteld. Aangezien er naar het oordeel van de StAB geen sprake is van een beperktere planologische verslechtering dan de SAOZ heeft vastgesteld, is er geen aanleiding om te oordelen dat de StAB de opdracht van de rechtbank niet volledig heeft uitgevoerd. Daarnaast is niet gebleken dat de uitgangspunten van de SAOZ en de StAB zodanig uiteen lopen dat dit had moeten leiden tot een andere taxatie van de onroerende zaken.
In relatie tot de maximale invulling onder het oude planologische regime acht de rechtbank, anders dan eiseres en de StAB, het gebruik van sleufsilo’s alleen realistisch voor de opslag van stortgoed en niet voor de opslag van balen omdat sleufsilo’s daarvoor niet nodig zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2239) volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Afdeling is uitgegaan van de gedachte dat de balen in een sleufsilo worden opgeslagen. Artikel 3.46, zesde lid, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer staat eraan in de weg dat op de perceelgrens gesitueerde sleufsilo’s kunnen worden gebruikt voor stortgoed. De rechtbank acht de bouw van sleufsilo’s, alleen om daar balen op te kunnen slaan, irreëel. Dit laat onverlet dat er, ook zonder sleufsilo, het hele jaar door gestapelde foliebalen opgeslagen konden worden, tot op de perceelgrens. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de maximale planologische invulling door de StAB niettemin realistisch is nu het ruimtelijk effect van gestapelde foliebalen zonder silo niet wezenlijk anders is dan van foliebalen in een silo. De kanttekeningen die eiseres heeft geplaatst zijn niet van dien aard dat zij tot een andere inschatting van de maximale planologische invulling zouden moeten leiden.
Ten aanzien van waardering van de schadefactoren uitzicht, privacy, hinder en situeringswaarde overweegt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verslag van de StAB onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De StAB heeft uitvoerig gemotiveerd hoe zij tot haar schadebepaling is gekomen. Het gegeven dat de door eiseres ingeschakelde deskundige met de StAB van mening verschilt, leidt niet tot het oordeel dat het verslag van de StAB zodanige gebreken bevat dat de rechtbank het niet aan zijn oordeelsvorming ten grondslag mag leggen. De grond dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuist advies van de SAOZ is terecht aangevoerd. Dit heeft echter geen gevolgen voor de hoogte van het vastgestelde planologische nadeel.
5. In de bestreden besluiten is verweerder uitgegaan van een drempel van 3% vanwege het Normaal Maatschappelijk Risico (NMR), zoals bedoeld in artikel 6.2 van de Wro. Dit heeft ertoe geleid dat aan derde-partijen een tegemoetkoming van respectievelijk € 12.950,-; € 15.020,-; € 16.950,- en € 15.850,- is toegekend. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de drempel vanwege het NMR 5% zou moeten bedragen. Dit heeft tot gevolg dat de tegemoetkoming in planschade moet worden vastgesteld op respectievelijk € 6.250,-; € 7.700,-; € 8.250,- en € 7.750,- (zie onderstaande tabel).
Zaaknummer
Adres
Oorspronkelijke waarde
Schade
Drempel 5% NMR
Tegemoetkoming na aftrek 5% NMR
18/1350
[adres 1]
€ 335.000,-
€ 23.000,-
€ 16.750
€ 6.250,-
18/1351
[adres 2]
€ 366.000,-
€ 26.000,-
€ 18.300
€ 7.700,-
18/1352
[adres 3]
€ 435.000,-
€ 30.000,-
€ 21.750,-
€ 8.250,-
18/1353
[adres 4]
€ 405.000,-
€ 28.000,-
€ 20.250,-
€ 7.750,-
De gronden die eiseres in dit opzicht heeft aangevoerd tegen de hoogte van het NMR treffen doel.
6. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij de hoogte van het NMR is vastgesteld op 3% van de oorspronkelijke waarde en een tegemoetkoming in planschade is toegekend ter hoogte van respectievelijk € 12.950,; € 15.020,-; € 16.950,- en € 15.850,-. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de hoogte van het NMR wordt bepaald op 5% en de tegemoetkoming in planschade wordt vastgesteld op respectievelijk € 6.250,- ( [adres 1] ); € 7.700,- ( [adres 2] ); € 8.250,- ( [adres 3] ) en € 7.750,- ( [adres 4] ), vermeerderd met wettelijke rente.
7. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (4 x € 338,- = € 1352,-) vergoedt.
8. 1 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft gevraagd om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze bijstand is verleend door L. Nijman, werkzaam voor Nieuwenhuis Planontwikkeling. De heer Nijman is algemeen directeur van SelektBouw, een onderdeel van eiseres. Niet is gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening van de heer Nijman, zoals dat bij professionele rechtshulpverleners het geval is.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- herroept de primaire besluiten voor zover verweerder overeenkomstig het advies van de SAOZ de hoogte van het normaal maatschappelijk risico heeft vastgesteld op 3% van de oorspronkelijke waarde en een tegemoetkoming in planschade heeft toegekend van respectievelijk € 12.950,- [adres 1] ); € 15.020,- ( [adres 2] ); € 16.950,- ( [adres 3] ) en € 15.850,- ( [adres 4] ), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag om tegemoetkoming;
- bepaalt dat de aanvragen van derde-partijen om tegemoetkoming in geleden planschade worden toegewezen conform het advies van de StAB, dat de hoogte van het NMR wordt bepaald op 5% en dat de tegemoetkoming in planschade wordt vastgesteld op respectievelijk € 6.250,- (zegge: tweeënzestighonderdvijftig; [adres 1] ); € 7.700,- (zegge: zevenenzeventighonderd; [adres 2] ); € 8.250,- (zegge: tweeëntachtighonderdvijftig; [adres 3] ) en € 7.750,- (zegge: zevenenzeventighonderdvijftig; [adres 4] ), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de aanvraag is ingediend tot aan de dag van volledige betaling van de tegemoetkoming aan derde-partijen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de primaire besluiten;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1352,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2657,40.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C.A. Hofman-Aupers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.