Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-05
ECLI:NL:RBNNE:2017:5252
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 17/353 en LEE 17/354 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 december 2017 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder (gemachtigde: [verweerder]). Procesverloop Omzetbelasting 2e kwartaal 2014 Verweerder heeft voor het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 aan eiser met dagtekening 25 mei 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van € 775. Bij uitspraak op bezwaar van 11 december 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de naheffingsaanslag vernietigd. Omzetbelasting 3e kwartaal 2014 Verweerder heeft voor het tijdvak 1 juli 2014 tot en met 30 september 2014 aan eiser met dagtekening 25 april 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van € 1.359. Bij uitspraak op bezwaar van 18 november 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers 17/353 (naheffingsaanslag 2e kwartaal 2014) en 17/354 (naheffingsaanslag 3e kwartaal 2014). Eiser heeft bij zijn beroep tevens om toekenning van een dwangsom verzocht. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [verweerder] en [verweerder]. Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1 Eiser heeft in 2012 een woning gekocht voor eigen bewoning. Eiser heeft zonnepanelen aangeschaft en laten plaatsen op het dak van zijn woonhuis. Voordat de zonnepanelen zijn geplaatst, is het dak gerenoveerd. Tot de gedingstukken behoort de door eiser geaccepteerde offerte van de levering en plaatsing van zonnepanelen afkomstig van [installateur] tot een bedrag van € 5.345,89 inclusief omzetbelasting van € 832,10. De levering en plaatsing van de zonnepanelen is gefactureerd op 23 juni 2014. Tot de gedingstukken behoort eveneens de aannemingsovereenkomst voor de dakrenovatie met een aanneemsom van € 34.911,84 inclusief omzetbelasting. 1.2 Naast de investering in de zonnepanelen (zie 1.1) is door eiser van de totale aanneemsom van € 34.912 (zie 1.1), € 24.641 toegerekend aan de werkzaamheden om het dak in technisch/constructief opzicht gereed te maken voor de installatie van zonnepanelen. Een bedrag van € 10.271 is door eiser aangemerkt als cosmetische en onderhoudswerkzaamheden. De daarop drukkende omzetbelasting is niet in vooraftrek gebracht. 1.3 Een overzicht van de door eiser toegerekende omzetbelasting op materialen en werkzaamheden die in vooraftrek zijn gebracht luidt als volgt: " Werkzaamheden aftrek BTW BTW € Algemene werkzaamheden: Materiaal: 100% 155,40 Werkvoorbereiding, aan- en afvoer van Werkloon: 100% hulpmaterialen, steigermaterialen, verzekering, verzorging dekkleden. Sloopwerken: Materiaal: 100% 130,20 Verwijderen van dakpannen, panlatten, Werkloon: 100% tengellatten, underlayment tot bestaande sporen, verwijderen goten en windveren Dakconstructie timmerwerken: Materiaal: 100% 260,40 Aanbrengen van horizontale regels op Werkloon: 100% de bestaande daksporen, het uitvlakken van het dak Dakplaten, isolatie: Materiaal: 100% 1.321,11 Het aanbrengen van 18 mm underlayment Werkloon: 100% platen op de aangebrachte regels en aanbrengen renovatie-elementen inclusief tengellatten, aanbrengen ruiters voor vorstpannen, aanbrengen onderregels Dakpannen / panlatten: Materiaal: 0% 252,00 Dakpannen toebehoren en panlatten. Werkloon: 100% Dakramen: Materiaal: 0% 63,00 Herplaatsen van dakramen en vervanging Werkloon: 100% van twee nieuwe ramen Bevestigingsmaterialen Materiaal: 100% 58,80 Werkloon: 100% Dakgoten Materiaa Verweerder heeft de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2014 vernietigd en de naheffingsaanslag over het derde kwartaal 2014 gehandhaafd. Geschil en beoordeling Dwangsom 2. Over de hoogte en de toekenning van de dwangsommen bestaat tussen partijen geen geschil meer. Op 27 maart 2017 zijn eiser en verweerder overeengekomen dat eiser terecht aanspraak maakt op een dwangsom van 2 x € 1.260 = € 2.520 + wettelijke rente. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de eerste dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het verweerder van eiser een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (zie artikel 4:17, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op 23 augustus 2016 heeft eiser, verweerder in gebreke gesteld, dus begint de termijn te lopen vanaf 7 september 2016. De wettelijke rente loopt door tot op de dag van betaling. Deze afspraak is tijdens de zitting nogmaals herhaald en de rechtbank ziet geen reden om partijen hierin niet te volgen. Dit geschilpunt is dus ook niet meer aan de orde. 3. Nu eiser ook ter zitting met hetgeen hiervoor is overwogen heeft ingestemd dient de rechtbank het beroep volgens vaste jurisprudentie - voor zover het beroep in dit geval ziet op de dwangsom - wegens gebrek aan belang voor eiser niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 10 augustus 2012, nr. 11/03216, ECLI:NL:HR:2012:BX4045). Nu echter vaststaat dat door verweerder de hoogte van de dwangsom niet bij beschikking is vastgesteld (zie artikel 4:18 van de Awb) en de overeenstemming dus berust op een toezegging van verweerder, zal de rechtbank omwille van de rechtsbescherming van eiser het beroep - voor zover dat ziet op de dwangsom - gegrond verklaren. Naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 (17/353) 4. Bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2016 is de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2014 in zijn geheel vernietigd. 5. Het vorenstaande houdt dan ook in dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure. Het beroep van eiser zal dan ook door de rechtbank niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het beroep ziet op de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2014 ( 17/353). Wat ook zij van de stelling van eiser dat hij een bedrag van € 832 heeft te vorderen. De naheffingsaanslag was immers opgelegd tot een bedrag van € 775. Een verdere vermindering dan tot op dit bedrag is immers niet mogelijk (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR:2010:BO5988 en HR 10 augustus 2012, nr. 11/03216, ECLI:NL:HR:2012:BX4045). Naheffingsaanslag 1 juli 2014 tot en met 31 oktober 2014 (17/354) 6. Uitsluitend in geschil is nog naheffingsaanslag over het derde kwartaal 2014 tot een bedrag van € 1.359. 6.1 Verweerder heeft gesteld dat eiser impliciet gebruik heeft gemaakt van de goedkeuring dat positieve of negatieve correcties van maximaal € 1.000 uit voorafgaande tijdvakken mogen worden gecorrigeerd in het onderhavige tijdvak. Per saldo bestaat de voorbelasting die eiser in het derde kwartaal 2014 in aftrek heeft gebracht uit de omzetbelasting die door de [aannemer] vanwege de dakrenovatie aan eiser in rekening is gebracht (zie 1.11). Verweerder volgt eiser hierin. De omvang van de gevraagde aftrek van € 1.359 is cijfermatig dan ook naar de mening van verweerder niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen hierin niet te volgen. 7. Eiser stelt dat hij zich vanaf medio 2013 is gaan oriënteren op zonnepanelen. In het offertetraject rees echter twijfel over de technische/constructieve geschiktheid van het dak voor het monteren en dragen van zonnepanelen. Aangezien eiser geen risico's heeft willen lopen, heeft hij besloten het dak voor plaatsing van de zonnepalen in constructief opzicht geschikt te laten maken voor zonnepanelen. Hij heeft daartoe de dakrenovatie, die op dat moment niet direct nodig was, maar op termijn wel zou (moeten) plaatsvinden naar voren gehaald, aldus eiser. 7.1 Eiser is van mening dat d 9.4 Deze conclusie wil naar het oordeel van de rechtbank echter niet zeggen dat ook de aftrek van diensten en goederen die worden afgenomen in relatie tot de woning hierdoor wordt beïnvloed. Het HvJ heeft in het arrest van 8 maart 2001, zaak C-415/98, ECLI:EU:C:2001:136 (zaak Bacsi) namelijk in r.o. 33 overwogen: " Het argument van de Duitse en de Griekse regering dat de keuze van de belastingplichtige om een van een particulier betrokken goed waarvan de verkrijging geen recht op aftrek van voorbelasting doet ontstaan, voor zijn bedrijfsvermogen te bestemmen, voortvloeit uit de uitoefening van het recht op aftrek van de BTW die drukt op de uitgaven met betrekking tot dat goed, zoals reparaties, dient eveneens te worden afgewezen. De bestemming van een investeringsgoed is immers bepalend voor de toepassing van het BTW-stelsel op dat goed zelf en niet voor de toepassing van het BTW-stelsel op de goederen en diensten voor het gebruik en het onderhoud van dat goed. Het recht op aftrek van de BTW die op die goederen en diensten drukt, is een andere kwestie, die de toepassing van artikel 17 van de Zesde richtlijn betreft. Dit recht is met name afhankelijk van het verband tussen genoemde goederen en diensten en de belaste handelingen van de belastingplichtige. Daaruit volgt, dat de belastingregeling voor de levering van een bedrijfsgoed en die voor de belastbare uitgaven voor het gebruik en het onderhoud ervan, los van elkaar moeten worden gezien. ". 9.5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de aftrek van de voorbelasting die ziet op de onderhavige dakrenovatie wordt bepaald door het zakelijke versus het niet-zakelijke gebruik ervan. 9.6 De rechtbank overweegt dat daarom moet worden nagegaan of de dakrenovatie is te beschouwen als kosten van onderhoud door eiser zijn gemaakt in zijn hoedanigheid van belastingplichtige - ondernemer die zonnepanelen exploiteert. Om dit vast te kunnen stellen, moet worden bepaald of de kosten in rechtstreeks en onmiddellijk verband staan met de genoemde activiteiten van eiser. (vgl. HvJ EG, 6 april 1995, C-4/94, ECLI:EU:C:1995:107 (BLP-Group) en HvJ EG, 8 juni 2000, C-98/98, ECLI:EU:C2000:300 (Midland Bank)). Gelet ook op de gemotiveerde betwisting door verweerder, rust op eiser de bewijslast om aannemelijk te maken dat er sprake is van een dergelijke samenhang. 9.7 De rechtbank overweegt verder dat de kosten van de dakrenovatie niet zijn gemaakt met het oogmerk (finaliteit): de exploitatie van de zonnepanelen. De dakrenovatie had weliswaar voor eiser niet de eerste prioriteit maar moest in de toekomst sowieso plaatsvinden en ziet louter op de woonfunctie van het pand. Een bruikbaar neveneffect is dat de twijfels die in het offertetraject van de zonnepanelen was opgeroepen, door het naar voren halen van de dakrenovatie, konden worden weggenomen. Ook de causaliteit met de exploitatie van de zonnepanelen ontbreekt nu de kosten ook - weliswaar vermoedelijk in een later stadium - zouden zijn gemaakt ongeacht of eiser was overgegaan tot het exploiteren van zonnepanelen. De dakrenovatie vloeit dus niet voort uit de exploitatie van de zonnepanelen. Tot slot overweegt de rechtbank dat het eiser niet mogelijk is om de kosten van de dakrenovatie door te berekenen (te verdisconteren). Deze kosten vormen dus geen bestanddeel van de opbrengst die eiser geniet uit de exploitatie van de zonnepanelen. 9.8 De rechtbank overweegt verder dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat er mogelijk meerkosten zijn gemaakt specifiek voor het plaatsen van de zonnepanelen. Naar de rechtbank heeft begrepen zijn de zonnepanelen ook niet in het dak geïntegreerd, maar op min of meer eenvoudige wijze op het dak gemonteerd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat er naar zijn mening meer daksporen zijn bevestigd en rekening moest worden gehouden met de drukbelasting. Enig inzicht hierin is echter niet gegeven. 9.9 Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser niet in de op hem rustende bewijslast is ges