Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-06
ECLI:NL:RBNNE:2017:4941
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/850088-16 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 november 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Heeg, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 14 november 2016 te [pleegplaats], gemeente Eemsmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] te [pleegplaats]) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst; 2. hij in of omstreeks de periode van 27 mei 2015 tot en met 23 november 2016 te [pleegplaats], gemeente Eemsmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] te [pleegplaats]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 112 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd. Op grond van de vele zich in het dossier bevindende verklaringen van afnemers van verdachte en de uitgevoerde observaties waaruit is gebleken dat verdachte veel aanloop had, is wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne, amfetamine en hennep, zoals ten laste gelegd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft het bezit van 3 gram cocaïne en de levering van 1 gram cocaïne aan [getuige 1] (ten aanzien van feit 1) en het bezit van de in zijn woning aangetroffen hennep (ten aanzien van feit 2), gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte voor het overige van beide feiten moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent zich aan (het medeplegen van) de handel in cocaïne, amfetamine en hennep te hebben schuldig gemaakt. De verklaringen die zijn afgelegd door de vermeende afnemers van verdachte zijn onbetrouwbaar of betreffen veronderstellingen en gissingen. Ondanks getuigenverklaringen over het bezit van hoeveelheden cocaïne in het huis en de tuin van verdachte is er, met uitzondering van de eerder genoemd 3 gram cocaïne, geen cocaïne bij hem aangetroffen. Verder is het standpunt van de officier van justitie mede gebaseerd op de verklaring van een anonieme getuige en op door de politie ontvangen briefjes van anonieme personen. Nu de inhoud van deze stukken niet op betrouwbaarheid kunnen worden gecontroleerd kunnen zij niet voor het bewijs worden gebruikt. Oordeel van de rechtbank De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 24 november 2016, opgenomen op pagina 255 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] (gehoord als verdachte): (p. 256) V: Hoe vaak verkoopt [verdachte] drugs? A: Hij verkoopt elke dag, o.a. cocaïne. Ik zie dat mensen wel halen. (p. 257) V: Hoe weet hij hoeveel hij in een zakje doet? A: Op een weegschaal die er bij ligt. (p. 258) V: Je weet dus wel dat [verdachte] drugs verkoopt? A: Ja. Hij doet dit al lang. V: Wat kun je ons nog meer vertellen over [verdachte] zijn handel? A: Als er klanten komen dan gaat [verdachte] wel eens weg. Hij komt dan met cocaïne terug. De klanten moeten dan even in zijn woning wachten. 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 november 2016, opgenomen op pagina 259 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] (gehoord als verdachte): (p. 260) V: Wij gaan de bewuste avond van 23 november 2016 nog even bij langs. A: Ik heb een gripzakje met weed op de tafel in de huiskamer zien liggen en een gripzakje met cocaïne op een tafeltje in de woonkamer. 7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 november 2016, opgenomen op pagina 249 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] (gehoord als verdachte): (p. 250) We weten allemaal wat [verdachte] doet. Ik weet dus ook dat hij handelt in drugs. Ik kom af en toe bij [verdachte] op visite Dit is ongeveer 1 maal in de week. Ik heb wel eens weed bij [verdachte] in huis gezien. Ik weet wel dat hij handelt. Eigenlijk staat hij wel bekend als de dealer van [pleegplaats]. 8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 december 2016, opgenomen op pagina 227 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] : Ik weet dat [verdachte] al langere tijd drugs verkoopt. Hij is in [pleegplaats] bekend om zijn drugsverkoop. Ik weet dat hij wiet en cocaïne verkoopt. Ik heb daar zelf nooit wat gekocht maar ik ging langere tijd met mijn vriend mee naar zijn woning. Ik en [naam] reden daar dan samen heen in mijn auto en [naam] ging dan korte tijd naar binnen. Ik bleef in de auto zitten want ik hoefde niet mee. Ik en [naam] spraken dan van tevoren af dat we dan wiet zouden kopen. Meestal kochten we dan voor 10 euro wiet. (p. 228) Ik kan zeggen dat we ongeveer anderhalf jaar onze wiet kochten bij [verdachte] . We kochten dan wekelijks voor 30 a 40 euro wiet. Ik weet wel dat [verdachte] niet alleen aan ons verkocht. Ik weet nu ook dat [naam] cocaïne kocht bij [verdachte] . Ik heb dat gevraagd aan [naam] . Ik denk dat hij tussen de 25 a 30 euro per keer cocaïne kocht bij [verdachte] . 9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 december 2016, opgenomen op pagina 229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] : [verdachte] woont aan het [straatnaam] te [pleegplaats]. Sinds ongeveer anderhalf jaar koop ik wiet en cocaïne bij [verdachte] . Eerst liet ik het voor mij ophalen en op een gegeven moment heb ik zelf een keer aangebeld. Ik koop meestal een halve gram maar ik kocht ook weleens een gram cocaïne. Een halve gram kost 30 euro en een gram kost 60 euro. Het ging meestal zo dat ik kocht. [verdachte] ging dan naar een soort van achterkamertje. Uit een bureautje haalde hij dan een boterhamzakje met daarin de cocaïne. Vervolgens woog [verdachte] dat af en deed hij dit in een zogenaamd "pony pack" of "snowpakje". Dit is gewoon een klein wit papieren envelopje. Ik kreeg dan de halve gram of gram en ging vervolgens weer weg. (p. 230) In die tijd kwam ik daar wel 2 à 3 keer in de week om cocaïne te kopen. Het klopt dus wel dat ik voor 40 à 50 euro wiet kocht maar de laatste tijd niet meer bij [verdachte] . Dus tot 3 à 4 maanden geleden kocht ik mijn wiet wel bij [verdachte] . Dus wat [getuige 4] vertelde klopt wel, alleen de laatste 3 maanden niet meer Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering van de VNN in het rapport van 16 november 2017. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft - voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zal overgaan - ervoor gepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij zou daardoor veel kwijtraken en mogelijke daarna weer in een verkeerd circuit kunnen belanden. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen van hard- en softdrugs. Het is algemeen bekend dat zowel hard- als softdrugs een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Bovendien gaat de handel in drugs vaak gepaard met andere vormen van (verwervings)criminaliteit. De rechtbank acht voor deze feiten, mede gelet op de omvang ervan en de periode waarin ze werden gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat het op dit moment goed met hem gaat, dat hij samenwoont met zijn vriendin en dat hij een baan heeft. Uit het reclasseringsrapport van de VNN d.d. 16 november 2017 leidt de rechtbank evenwel af dat er bij verdachte sprake is van een patroon, waarin het ontstaan van emotionele problemen kan leiden tot een toename van druggebruik, omgang met verkeerde vrienden en uiteindelijk tot delictgedrag. Zo zou verdachte ook tot het plegen van de onderhavige feiten zijn gekomen. De reclassering is van mening dat wanneer verdachte voldoende copingvaardigheden aanleert om te kunnen omgaan met stress en tegenslagen de kans op terugval in (hard)drugsgebruik en de recidivekans afnemen. De reclassering adviseert daarom aan verdachte een reclasseringstoezicht op te leggen en een ambulante behandelverplichting bij de Forensische Polikliniek VNN te Groningen. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid getoond de geadviseerde behandeling te ondergaan. De rechtbank zal gelet hierop een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en zal daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte thans doormaakt alsmede het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan is gevorderd door de officier van justitie. Een strafafdoening als bepleit door de raadsvrouw doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Inbeslaggenomen goederen De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: - 64 stuks papieren wikkels; - 38 kleine gripzakjes; - 3 grinders, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het voorwerpen betreffen met behulp van welke de feiten zijn begaan en deze t