Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-11-21
ECLI:NL:RBNNE:2017:4324
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Assen zaak-/rolnummer: 5758599 \ CV EXPL 17-1696 vonnis van de kantonrechter van 21 november 2017 in de zaak van [eiser] , hierna te noemen: [eiser] , wonende te [woonplaats] , [adres] , eisende partij, gemachtigde: mr. E.T. van Dalen, tegen De rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting Actium, hierna te noemen: Actium, gevestigd te 9402 NP Assen , Industrieweg 15, gedaagde partij, gemachtigde: mr. S. Bosma. De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 mei 2017; - het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 10 oktober 2017. 1.2 De kantonrechter heeft ter comparitie bepaald dat hij vonnis zal wijzen. De datum is nader vastgesteld op vandaag. De vaststaande feiten 2.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties. 2.2 [eiser] huurde sinds 1994 van Actium een zelfstandige woning staande en gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] . 2.3 [eiser] heeft op enig moment overlast gemeld van haar buren. Aanvankelijk hadden de meldingen alleen betrekking op het adres [adres] . Naderhand meldde [eiser] met name overlast van het adres [adres] . De overlast had naar haar zeggen aanvankelijk de vorm van te harde geluiden, maar later ging het om zogenaamde Laag Frequente Geluiden (hierna: LFG). [eiser] ervoer door die LFG een bromtoon, druk op de oren, verhoging van haar hartslag en trillingen. Die hinder is volgens [eiser] ontstaan kort na de vervanging c.q. vernieuwing van de CV, het ventilatiesysteem en de (gas-)leidingen achter het keukenblok in een groot gedeelte van de wijk, waaronder ook in de woning van [eiser] . In of omstreeks 2012 heeft deze verbouwing plaats gevonden. Begin januari 2013 kreeg [eiser] naar haar zeggen voor het eerst hinder van LFG. Het geluid wordt gekarakteriseerd als een continu aanwezige (brom)toon, vergelijkbaar met een motor die stationair draait. Daarbij klaagde [eiser] ook over het feit dat de buren sedert medio 2016 een hond hebben die voortdurend blaft als de bewoners weg zijn. 2.4 Naar aanleiding van de klachten van [eiser] heeft op 1 april 2014 een buurtbemiddelingsgesprek plaatsgevonden in het gebouw [adres] te [woonplaats] . Dit heeft niet tot resultaat geleid. [eiser] heeft van dit overleg een verslag gemaakt waarin zij haar onvrede uit over het gesprek. 2.5 [eiser] heeft in maart 2015 (wederom) een melding bij de politie gedaan vanwege de ervaren geluidsoverlast. Naar aanleiding daarvan heeft zij gesprekken gehad met de wijkagent en met medewerkers van Actium. In deze gesprekken is het probleem rondom de LFG ook aan de orde geweest. 2.6 [eiser] heeft vervolgens de Regionale UitvoeringsDienst Drenthe (RUD Drenthe) gevraagd om een onderzoek in haar woning in te stellen. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden op 16 en 17 april 2015, waarbij er door medewerkers van de RUD Drenthe metingen zijn uitgevoerd. Uit de conclusies van de RUD Drenthe blijkt dat op het tijdstip van de meting het geluidsniveau in alle tertsbanden ruim onder de referentiecurve van de NSG (Nederlandse Stichting Geluidshinder) ligt. Dat impliceert dat slechts een beperkt aantal personen deze geluiden kunnen horen. Wel wordt door de RUD Drenthe genoemd dat uit de zogenaamde fft-meting is af te leiden dat de hinder die optreedt in verschillende frequenties zou kunnen zitten. Het lijkt de RUD Drenthe het meest aannemelijk dat de piek rond de 40 en 50 Hz de meeste hinder veroorzaakt, omdat deze frequenties het “dichtst” bij de referentiecurve zitten. De RUD Drenthe stelt dat er (kostbaar) nader onderzoek nodig is om een mogelijke bron van de geluidshinder op te sporen. De slotalinea van de Conclusie in hoofdstuk 6 van het rapport luidt: " Het gemeten geluidsniveau blijft royaal onder de NSG-curve. Er is (kostbaar) nader onderzoek nodig om een mogelijke bron op te sporen. Er Zo heeft op initiatief van de heer [L] buurtbemiddeling plaatsgevonden, heeft [L] gesprekken gevoerd met de bewoners van de [adres] en [adres] , is [L] meerdere keren ter plaatse geweest om de (geluids-)overlast waar te nemen en heeft [L] contact onderhouden met de politie over de gemelde overlast. De bewoners van [adres] en [adres] hebben altijd aangegeven dat zij geen (geluids-)overlast veroorzaken en nooit is de gemelde (geluids-) overlast objectief althans door Actium en/of de politie waargenomen. [eiser] zou ook overlast hebben ondervonden van zogenaamde LFG. Het enkele feit dat [eiser] LFG waarneemt, betekent nog niet dat sprake is van overlast in de hiervoor aangegeven zin. [eiser] is de enige die de vermeende LFG waarneemt. De RUD Drenthe heeft niet kunnen vaststellen wat de bron is van het gemeten geluidsniveau. Geconcludeerd wordt dat nader onderzoek nodig is om een mogelijke bron op te sporen, maar dat wordt door RUD Drenthe niet aanbevolen. RUD Drenthe concludeert ook dat er geen wettelijke normen zijn voor laagfrequent geluid. Uit het rapport blijkt tot slot niet dat het gemeten geluidsniveau is te kwalificeren als geluidshinder/-overlast waaraan Actium op grond van artikel 7:204 BW iets zou moeten doen. Het ligt gezien de bewijslastverdeling op de weg van [eiser] om met bewijs te komen. [eiser] vordert ten eerste partiële ontbinding op grond van artikel 7:207 lid 1 BW. Dit artikel geeft huurder echter geen bevoegdheid tot gedeeltelijke ontbinding maar tot het vorderen van een evenredige vermindering van de huurprijs wanneer sprake is van vermindering van het huurgenot ten gevolge van een gebrek. Deze vordering van [eiser] dient derhalve te worden afgewezen. Voor zover [eiser] bedoelt om ex artikel 7:207 lid 1 BW vermindering van de huur te vorderen, dient ook in dat geval de vordering te worden afgewezen. Zoals betoogd, is namelijk geen sprake van een gebrek en dus evenmin van een herstelverplichting. De beoordeling 4.1 [eiser] vordert op de voet van art. 7:207 lid 1 BW vermindering van de huurprijs en gedeeltelijke terugbetaling van huurtermijnen op grond van een gebrek aan het gehuurde, te weten het niet optreden van Actium tegen (geluids-)overlast en LFG. Aangezien [eiser] zich beroept op de rechtgevolgen (huurvermindering) van door haar gestelde feiten (overlast en LFG) dient zij op grond van de hoofdregel van art. 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dan te stellen en te bewijzen dat er in de eerste plaats sprake is van overlast en tevens dat Actium niet voldoende of juiste maatregelen heeft genomen, dan wel daarmee te lang heeft gewacht. De kantonrechter overweegt het navolgende. 4.2 Uit de stukken in het dossier blijkt dat [eiser] sinds november 2013 klachten heeft geuit over geluidsoverlast afkomstig van haar buren. Deze klachten hebben zich naderhand vertaald in klachten over LFG. Uit de stukken in het dossier blijkt eveneens dat Actium vanaf november 2013 op deze klachten heeft gereageerd en geacteerd door gesprekken aan te gaan met deze buren, een buurtbemiddelingstraject op te starten en de wijkagent in te schakelen. Er hebben diverse gesprekken over een periode tot in ieder geval 21 september 2016 plaatsgevonden; op meldingen is gereageerd. De conclusie van Actium en de wijkagent is dat er geen objectiveerbare geluidsoverlast is geweest die zou zijn veroorzaakt door de buren. De kantonrechter heeft in het dossier wel veel klachten aangetroffen van [eiser] , maar geen stukken die objectiveerbaar wijzen op overlast veroorzaakt door de buren van [eiser] . 4.2 De kantonrechter is met Actium van oordeel dat het rapport van de RUD Drenthe voor Actium geen aanleiding hoefde te zijn een nader onderzoek in te stellen naar LFG. Uit het rapport van de RUD Drenthe blijkt dat op het tijdstip van de meting het geluidsniveau in alle tertsbanden royaal onder de referentiecurve van de NSG (Nederlandse Stichting Geluidshinder) ligt. De RUD Drenthe adviseert geen aanvullend onderzoek; een aanvullend onde