Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2017-04-21
ECLI:NL:RBNNE:2017:1466
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,596 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 17/193
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[eisers] , te Harderwijk, eisers
(gemachtigde: mr. P.E. van Dam),
en
de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder
(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).
Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers boetes opgelegd tot een totaal van € 20.600.
Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en de boetes verlaagd tot een totaal van € 16.800.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Eisers zijn niet in persoon verschenen, maar wel hebben zij zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1.
Op 5 november 2015, omstreeks 17:00 uur, hebben twee Inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport, domein Scheepvaart, Handhaving binnenvaart, een controle uitgevoerd op het binnenvaartschip [naam 2] . Het schip bevond zich op dat moment op het IJsselmeer in de gemeente Urk.
1.2.
Eisers gezamenlijk waren ten tijde van de controle werkgever van de bemanning van de [naam 2] .
1.3.
Blijkens het boeterapport, opgesteld en getekend op 25 november 2015, hebben de Inspecteurs tijdens de controle acht gestelde overtredingen geconstateerd. Het betreft drie overtredingen van bepalingen van de Binnenvaartwet (Bvw) in samenhang met de Binnenvaartregeling (Bvr) en vijf overtredingen van bepalingen van het Arbeidstijdenbesluit Vervoer.
2.1.
In het verweerschrift heeft verweerder te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven voor zover dit ziet op de boetes voor de vijf gestelde overtredingen van bepalingen van het Arbeidstijdenbesluit Vervoer. Verweerder heeft toegelicht dat dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:790.
2.2.
Uit genoemde uitspraak volgt tevens dat het beroep gegrond is wegens strijd met artikel 5:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. In geschil is nog of de volgende boetes terecht zijn opgelegd:
a. € 5.000 voor het als werkgever nalaten om tijdens de vaart niet voortdurend de minimumbemanning aan boord te hebben, te weten een schipper tekort.
b. € 2.500 voor het als werkgever nalaten om tijdens de vaart niet voortdurend de minimumbemanning aan boord te hebben, te weten een lichtmatroos tekort.
c. € 300 voor het als werkgever nalaten dat het bemanningslid over de vereiste vakbekwaamheid beschikt (onderkwalificatie), te weten dat aan boord een volmatroos in plaats van een stuurman aanwezig was.
4.1.
In de gronden van beroep hebben eisers erkend dat er ten tijde van de controle een bemanningstekort was van een schipper en van een lichtmatroos.
4.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers medegedeeld dat, gezien de onder 2.1. genoemde uitspraak van de AbRS, de beroepsgronden die handelen over de betekenis voor deze zaak van Richtlijn 2014/112/EU en over de beboeting van zowel de gezagvoerder als de werkgever voor dezelfde feiten, niet gehandhaafd worden.
4.3.
Voor het overige hebben eisers geen gronden aangevoerd tegen het opleggen van de boetes a en b. Dit betekent dat verweerder voor de feiten genoemd onder a en onder b terecht boetes heeft opgelegd. De hoogte van de boetes komt onder 6. aan de orde.
5.1.
Wat betreft boete c is tussen partijen in geschil of bemanningslid C. [naam 3] ten tijde van de controle als volmatroos dan wel als stuurman diende te worden aangemerkt. Niet is in geschil dat de hoedanigheid van volmatroos leidt tot een onderkwalificatie in de zin van artikel 22, zevende lid, van de Bvw in samenhang met artikel 5.6 van het Bvr.
5.2.
In de uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken dat bij beantwoording van de vraag of zich in een concreet geval een overtreding heeft voorgedaan als uitgangspunt geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund.
Voorts geldt bij een bestuursrechtelijk boetebesluit als uitgangspunt dat het bestuursorgaan het dragend bewijs van een overtreding bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming dient te leveren.
5.3.
Verweerder baseert boete c op de bevindingen van de Inspecteurs tijdens de controle. Bij het boeterapport is een kopie gevoegd van het dienstboekje van [naam 3] , gemaakt bij de controle. Op de pagina over de bekwaamheid van de houder staat als hoogste bekwaamheid vermeld volmatroos. Deze kwalificatie geldt vanaf 30 oktober 2013. Blijkens de geplaatste stempelafdruk heeft een functionaris van de Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart (SAB) deze wijziging op 3 september 2014 in het dienstboekje aangebracht.
Verweerder heeft gewezen op artikel 2.11, aanhef en onder b, van de Bvr waarin is bepaald dat de bekwaamheid voor een functie aan boord door een bemanningslid te allen tijde aangetoond kan worden door middel van het dienstboekje.
5.4.
In de gronden van bezwaar hebben eisers gesteld dat [naam 3] ongeveer een week na de controle op 5 november 2015 de kwalificatie van stuurman kreeg en dat [naam 3] op 5 november 2015 de facto al als stuurman was gekwalificeerd, ook al was dit nog niet in zijn dienstboekje genoteerd.
5.5.
De rechtbank overweegt dat eisers hun stelling in het bezwaarschrift niet nader hebben onderbouwd, bijvoorbeeld door een bewijsstuk over te leggen. Om die reden oordeelt de rechtbank dat verweerder door te verwijzen naar het boeterapport in het bestreden besluit het dragend bewijs van de overtreding heeft geleverd.
5.6.
Op 11 januari 2017, gedurende de procedure van beroep, heeft de gemachtigde van eisers in de samenhangende zaak LEE 16/3220 een kopie van het dienstboekje van [naam 3] overgelegd. Op 29 maart 2017 hebben eisers in de onderhavige procedure een beter leesbare kopie van het dienstboekje overgelegd. Op de pagina over de bekwaamheid van de houder staat als hoogste bekwaamheid vermeld stuurman. Deze kwalificatie geldt vanaf 6 september 2015. Door een functionaris van de SAB is een stempelafdruk geplaatst, maar het is niet leesbaar op welke datum dit is gebeurd.
5.7.
In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat van belang is het moment van controle. In het verweerschrift heeft verweerder over de alsnog door eisers overgelegde kopie van het dienstboekje opgemerkt dat onduidelijk is wanneer de bevoegdheid stuurman in het dienstboekje van [naam 3] is aangetekend, dat dit nog niet het geval was ten tijde van de controle en dat het daarom, gezien artikel 2.11, aanhef en onder b, van de Bvr, vaststaat dat [naam 3] ten tijde van de controle niet over de bevoegdheid stuurman beschikte.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat ten tijde van de controle in het dienstboekje niet de bekwaamheid stuurman stond vermeld en dat er dus sprake was van onderkwalificatie.
5.8.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 6, tweede lid, van het EVRM volgt dat de rechterlijke toetsing van een punitieve sanctie, zoals de boete in kwestie, volledig dient te zijn. Dit betekent onder meer dat de rechtbank dient vast te stellen of de gestelde overtreding is begaan. Om die reden kan ook bewijsmateriaal bij de beoordeling worden betrokken dat pas in de procedure van beroep naar voren wordt gebracht. In dit verband verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 2.3.1. van de uitspraak van de AbRS van 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4186.
In de onder 2.1. genoemde uitspraak van 29 maart 2017 heeft de AbRS onder rechtsoverweging 5.1. een situatie besproken waarin een bemanningslid het standpunt inneemt dat hij weliswaar tijdens de controle, gezien zijn dienstboekje, niet over de benodigde bekwaamheid beschikte, maar dat hij wel op dat moment reeds aan de vereisten van deze bekwaamheid voldeed.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, stelt de bestuurlijke boete vast op € 7.500 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 742,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.