Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-04-20
ECLI:NL:RBNHO:2026:4940
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/7289 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen Stichting Het Cuypersgenootschap, uit Zoetermeer, eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Koggenland (gemachtigde: S. Abdul). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] , uit Alkmaar (gemachtigde: W.J.M. Loomans), [derde-partij 2] , uit Spierdijk en [derde-partij 3] uit Goorn. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om zes panden (hierna ook: object 1 t/m 6) aan te wijzen als gemeentelijk monument. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een beroepsgrond aan. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze is voorbereid en niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling heeft verricht op grondslag van de Erfgoedverordening Koggenland 2012. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van het verzoek om zes panden als gemeentelijk monument aan te wijzen gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Als derden hebben zich desgevraagd gemeld: [derde-partij 1] uit Alkmaar (ten behoeve van een deel van object 3, gemachtigde: W.J.M. Loomans); [derde-partij 2] uit Spierdijk (ten behoeve van object 6); en [derde-partij 3] uit Goorn (ten behoeve van object 5). 2.3. De volgende (rechts)personen hebben zich niet gemeld, maar worden in beginsel wel door de rechtbank als derde-belanghebbenden aangemerkt: ten behoeve van object 1: [naam 1] en [naam 2] ; ten behoeve van object 2: het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, [naam 3] en [naam 4] ; ten behoeve van een deel van object 3: [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] ; en ten behoeve van object 4: [naam 9] , [naam 10] en [naam bedrijf] 2.4. Van de penningmeester van voornoemde [derde-partijen] is bij brief van 9 maart 2026 een reactie ingekomen. Van voornoemde gemachtigde Loomans is op 10 maart 2026 een reactie ingekomen. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 11] en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 heeft het college het besluit van 16 januari 2023 in stand gelaten. In dat besluit heeft het college de aanvraag van eiseres van 17 augustus 2020 afgewezen, omdat het aanwijzen van zes panden als gemeentelijk monument niet past in het bestaande beleid. De Omgevingswet (hierna: de Ow) biedt nieuwe kansen voor ruimtelijk beleid. Voor de zes objecten zijn door de erfgoedcommissie Mooi-Noord-Holland quickscans afgenomen. De panden moeten nog nader onderzocht en meegenomen worden in het omgevingsplan. In het bestreden besluit heeft het college deze motivering aangevuld. De gemeentelijke Erfgoedverordening Koggenland 2012 (hierna: de Erfgoedverordening) bepaalt in artikel 3, eerste lid, dat het college een pand kan aanwijzen tot gemeentelijk monument. Het college heeft hierbij een discretionaire bevoegdheid. Dit is door de komst van de Ow niet veranderd. Het college heeft nog steeds gemeentelijke beleidsvrijheid. Het college kan nog niet overgaan tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, omdat deze nog niet nader onderzocht zijn en nog niet als zodanig in het omgevingsplan zijn opgenomen. Daarnaast dienen de belangen van de eigenaren in de af Uiterlijk op 1 januari 2032 moet de gemeenteraad hebben geregeld dat een regeling over de aanwijzing tot gemeentelijke monumenten niet meer in een gemeentelijke erfgoedverordening is opgenomen. Niet is gebleken dat een dergelijke regeling in het omgevingsplan is opgenomen. Hieruit moet worden geconcludeerd dat tot 1 januari 2032 gemeentelijke monumenten nog kunnen worden aangewezen op grond van een erfgoedverordening. De raad van de gemeente Koggenland heeft de Erfgoedverordening vastgesteld met daarin de mogelijkheid, al dan niet expliciet, tot het doen van een aanvraag tot aanwijzing van een gemeentelijk monument. Weliswaar heeft het college beleidsruimte om te bepalen of een onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument moet worden aangewezen, maar het college heeft die ruimte niet bij de vraag of hij toepassing geeft aan de Erfgoedverordening. Het college weigert in dit geval feitelijk uitvoering te geven aan de Erfgoedverordening. In dat kader acht de rechtbank van belang dat het college na het positieve advies van de Erfgoedcommissie op 13 oktober 2021 geen vervolgtraject is gestart. Zo zijn de belangen van de eigenaren niet afgewogen, is er geen nader onderzoek gedaan en zijn er geen redengevende omschrijvingen opgesteld. Gelet op het vorenstaande en het verhandelde tijdens de zitting komt de rechtbank tot de conclusie dat het college ten onrechte een werkwijze voert die inhoudt dat een aanvraag om aanwijzing als gemeentelijk monument zonder inhoudelijke beoordeling wordt afgewezen. Het bestreden besluit berust daarmee niet op een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering ontbreekt. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten te nemen. Dit omdat er nog een inhoudelijk onderzoek verricht moet worden. Gelet op de daarmee gemoeide tijd is er ook geen aanleiding voor een zogenoemde bestuurlijke lus. 7.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit houdt in dat het college uitvoering moet geven aan de Erfgoedverordening door redengevende omschrijvingen op te (doen) stellen en het daaropvolgende traject te doorlopen. Het college krijgt hiervoor, zoals ter zitting besproken en met instemming van eiseres, negen maanden. Het ligt daarnaast in de rede dat het college de derde-belanghebbenden, zoals genoemd onder overweging 2.3, op de hoogte stelt van deze uitspraak. 7.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 3 oktober 2024; - draagt het college op binnen negen maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State