Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-28
ECLI:NL:RBNHO:2026:4488
Civiel recht; Insolventierecht
Rekestprocedure
3,243 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4488 text/xml public 2026-05-11T10:09:14 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-28 NL:TZ:2504490:R-RK Uitspraak Rekestprocedure NL Haarlem Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4488 text/html public 2026-05-11T10:08:34 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4488 Rechtbank Noord-Holland , 28-04-2026 / NL:TZ:2504490:R-RK Nulaanbod geldt als aanvangsdatum looptijd wsnp. Geen afloscapaciteit. Gestelde arbeidsongeschiktheid aannemelijk. Overigens was er ook geen sprake van aflossing per maand voor alle schuldeisers, zoals gesteld door beschemringsbewindvoerder: het geld dat is opgebouwd voor aanvang MT was eenmalig ingelegd bij het doen van het nulaanbod. Spaarsaldo is inmiddels ook niet meer geheel aanwezig. Dus er is niet ten behoeve van de schuldeisers gespaard. RECHTBANK Noord-Holland Team Insolventie Zittingsplaats Haarlem Rekestnummer: NL:TZ:2504490:R-RK Vonnis van dinsdag 28 april 2026 op het verzoek van [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1961 te [plaats 1], Filipijnen, wonende te [adres 1] [plaats 2], verzoekster, hierna te noemen [verzoekster], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Samenvatting [verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en bepaalt dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling aanvangt op 10 juni 2025 en 18 maanden later eindigt op 10 december 2026. 1 De procedure 1.1. De procedure bestaat uit: - het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen; - de zitting van dinsdag 14 april 2026, waarbij aanwezig waren: - [verzoekster]; - [betrokkene 1] namens Verder Financiële Zorgverlening B.V.; - [betrokkene 2] namens MeerVida B.V., beschermingsbewindvoerder; 1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoekster] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen. 3 De beoordeling 3.1. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)). 3.2. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. 3.3. Voor wat betreft de vordering van € 47.225,89, die namens de neef van [verzoekster] is ingediend door gerechtsdeurwaarderskantoor [bedrijf], wijst de rechtbank de hierna te benoemen bewindvoerder op artikel 300 van de Faillissementswet. Deze vordering heeft namelijk betrekking op een lening bij Interbank waarvoor de neef borg stond. Deze schuld aan Interbank viel reeds onder een eerdere schuldsaneringsregeling van [verzoekster], die is geëindigd met een schone lei in 2012. 3.4. [verzoekster] verzoekt om een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen dan de datum van een te wijzen toelatingsvonnis. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op 10 juni 2025 heeft [verzoekster] een nulaanbod gedaan met een eenmalige inleg van € 2.385,05. Op basis van de berekening van het vrij te laten bedrag had [verzoekster] op het moment van het aanbod geen afloscapaciteit. In beginsel zou deze datum kunnen worden gezien als alternatieve aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling. [verzoekster] heeft echter gedurende het minnelijk traject niet gewerkt of gesolliciteerd en stelt inmiddels geheel arbeidsongeschikt te zijn. Hoewel medische stukken ontbreken, acht de rechtbank het aannemelijk dat [verzoekster] tijdens het minnelijk traject geheel arbeidsongeschikt was en geen afloscapaciteit heeft. [verzoekster] heeft sinds 2023 een WIA-uitkering en in de loop van 2025 is dat aangevuld met een WW-uitkering, toen [verzoekster] heeft moeten stoppen met werken in verband met haar ziekte. [verzoekster] heeft longkanker en is onder behandeling van een oncoloog, daarnaast heeft zij hartproblemen en wordt zij 65 jaar in september 2026. De kans dat [verzoekster] nog werk zal vinden acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de aanvangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 10 juni 2025. Overigens stelt de rechtbank vast dat het eenmalig ingelegd bedrag niet geldt als maandelijkse aflossingen ten behoeve van alle schuldeisers omdat de beschermingsbewindvoerder na de zitting heeft laten weten dat het volledige bedrag niet meer beschikbaar is. Dat (resterende) bedrag wordt aangemerkt als spaarsaldo bij aanvang van het minnelijk traject dat in beginsel bij toepassing van de schuldsaneringsregeling in het geheel dient te worden afgedragen aan de boedel. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1961 te [plaats 1], Filipijnen, wonende te [adres 1] [plaats 2];, 4.2. stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 10 juni 2025 en eindigt op 10 december 2026; 4.3. benoemt tot rechter-commissaris mr. M.P. de Valk; 4.4. benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2] [plaats 2]; 4.5. geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden; 4.6. bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is; 4.7. stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen. Dit is de beslissing van mr. A.J. Wolfs, rechter, in samenwerking met de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 april 2026. Tegen de uitspraak over de aanvangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4488 text/xml public 2026-05-11T10:09:14 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-28 NL:TZ:2504490:R-RK Uitspraak Rekestprocedure NL Haarlem Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4488 text/html public 2026-05-11T10:08:34 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4488 Rechtbank Noord-Holland , 28-04-2026 / NL:TZ:2504490:R-RK Nulaanbod geldt als aanvangsdatum looptijd wsnp. Geen afloscapaciteit. Gestelde arbeidsongeschiktheid aannemelijk. Overigens was er ook geen sprake van aflossing per maand voor alle schuldeisers, zoals gesteld door beschemringsbewindvoerder: het geld dat is opgebouwd voor aanvang MT was eenmalig ingelegd bij het doen van het nulaanbod. Spaarsaldo is inmiddels ook niet meer geheel aanwezig. Dus er is niet ten behoeve van de schuldeisers gespaard. RECHTBANK Noord-Holland Team Insolventie Zittingsplaats Haarlem Rekestnummer: NL:TZ:2504490:R-RK Vonnis van dinsdag 28 april 2026 op het verzoek van [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1961 te [plaats 1], Filipijnen, wonende te [adres 1] [plaats 2], verzoekster, hierna te noemen [verzoekster], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Samenvatting [verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en bepaalt dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling aanvangt op 10 juni 2025 en 18 maanden later eindigt op 10 december 2026. 1 De procedure 1.1. De procedure bestaat uit: - het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen; - de zitting van dinsdag 14 april 2026, waarbij aanwezig waren: - [verzoekster]; - [betrokkene 1] namens Verder Financiële Zorgverlening B.V.; - [betrokkene 2] namens MeerVida B.V., beschermingsbewindvoerder; 1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoekster] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen. 3 De beoordeling 3.1. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)). 3.2. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. 3.3. Voor wat betreft de vordering van € 47.225,89, die namens de neef van [verzoekster] is ingediend door gerechtsdeurwaarderskantoor [bedrijf], wijst de rechtbank de hierna te benoemen bewindvoerder op artikel 300 van de Faillissementswet. Deze vordering heeft namelijk betrekking op een lening bij Interbank waarvoor de neef borg stond. Deze schuld aan Interbank viel reeds onder een eerdere schuldsaneringsregeling van [verzoekster], die is geëindigd met een schone lei in 2012. 3.4. [verzoekster] verzoekt om een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen dan de datum van een te wijzen toelatingsvonnis. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op 10 juni 2025 heeft [verzoekster] een nulaanbod gedaan met een eenmalige inleg van € 2.385,05. Op basis van de berekening van het vrij te laten bedrag had [verzoekster] op het moment van het aanbod geen afloscapaciteit. In beginsel zou deze datum kunnen worden gezien als alternatieve aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling. [verzoekster] heeft echter gedurende het minnelijk traject niet gewerkt of gesolliciteerd en stelt inmiddels geheel arbeidsongeschikt te zijn. Hoewel medische stukken ontbreken, acht de rechtbank het aannemelijk dat [verzoekster] tijdens het minnelijk traject geheel arbeidsongeschikt was en geen afloscapaciteit heeft. [verzoekster] heeft sinds 2023 een WIA-uitkering en in de loop van 2025 is dat aangevuld met een WW-uitkering, toen [verzoekster] heeft moeten stoppen met werken in verband met haar ziekte. [verzoekster] heeft longkanker en is onder behandeling van een oncoloog, daarnaast heeft zij hartproblemen en wordt zij 65 jaar in september 2026. De kans dat [verzoekster] nog werk zal vinden acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de aanvangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 10 juni 2025. Overigens stelt de rechtbank vast dat het eenmalig ingelegd bedrag niet geldt als maandelijkse aflossingen ten behoeve van alle schuldeisers omdat de beschermingsbewindvoerder na de zitting heeft laten weten dat het volledige bedrag niet meer beschikbaar is. Dat (resterende) bedrag wordt aangemerkt als spaarsaldo bij aanvang van het minnelijk traject dat in beginsel bij toepassing van de schuldsaneringsregeling in het geheel dient te worden afgedragen aan de boedel. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1961 te [plaats 1], Filipijnen, wonende te [adres 1] [plaats 2];, 4.2. stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 10 juni 2025 en eindigt op 10 december 2026; 4.3. benoemt tot rechter-commissaris mr. M.P. de Valk; 4.4. benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2] [plaats 2]; 4.5. geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden; 4.6. bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is; 4.7. stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen. Dit is de beslissing van mr. A.J. Wolfs, rechter, in samenwerking met de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 april 2026. Tegen de uitspraak over de aanvangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.