Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-28
ECLI:NL:RBNHO:2026:4245
Civiel recht; Insolventierecht
Rekestprocedure
3,296 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4245 text/xml public 2026-05-11T09:45:44 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-28 NL:TZ:2600781 Uitspraak Rekestprocedure NL Haarlem Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4245 text/html public 2026-05-11T09:45:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4245 Rechtbank Noord-Holland , 28-04-2026 / NL:TZ:2600781 Toewijzing wsnp met eerdere aanvangstermijn, waarbij 'verkorting' is gecompenseerd ivm niet maximale inspanning en afdracht tijdens minnelijk traject. RECHTBANK Noord-Holland Team Insolventie Zittingsplaats Haarlem Rekestnummer: NL:TZ:2600781:R-RK Vonnis van dinsdag 28 april 2026 op het verzoek van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats 1], wonende te [adres 1], [postcode] [plaats 2], verzoeker, hierna te noemen [verzoeker], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Samenvatting [verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe. De termijn van de schuldsaneringsregeling gaat lopen vanaf 28 januari 2026 en duurt 18 maanden tot 28 juli 2027. 1 De procedure 1.1. De procedure bestaat uit: - het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen; - de zitting van dinsdag 14 april 2026, waarbij aanwezig waren: - [verzoeker]; - [betrokkene] namens Kredietbank Nederland. 1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen. 3 De beoordeling 3.1. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)). 3.2. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. 3.3. [verzoeker] heeft de schuldregelingsovereenkomst ondertekend op 30 mei 2024 en heeft op 2 januari 2025 een minnelijk voorstel gedaan aan zijn gezamenlijke schuldeisers. [verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 30 mei 2024, omdat er toen al beslag lag op het inkomen van [verzoeker] en hij vanwege dat beslag tijdens het minnelijk voortraject niet ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers heeft kunnen aflossen. 3.4. Aflossing aan de beslaghebber kan gelden als aflossing op de schulden in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling wanneer deze aflossing heeft plaatsgevonden na datum ondertekening van de schuldregelingsovereenkomst dan wel na de datum waarop een akkoord is aangeboden aan schuldeisers. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener meegedeeld dat er al ‘lange tijd’ beslag lag op het inkomen. Of er zonder beslaglegging nog voldoende afloscapaciteit was, kon de schuldhulpverlener niet zeggen omdat de inhoudingen door de beslaglegger nogal varieerden. 3.5. Uit de door de rechtbank ontvangen betaalspecificaties van het inkomen van [verzoeker] blijkt dat in augustus 2024 eenmalig een bedrag van € 374,90 is ingehouden en vervolgens een bedrag van € 54,90 in de maanden oktober, november en december 2024. De afloscapaciteit volgens de berekening van het vrij te laten bedrag in deze periode was € 117,05 per maand. In de maanden oktober, november en december 2024 heeft [verzoeker] het resterende bedrag van zijn afloscapaciteit niet gespaard. Verder zijn er volgens de betaalspecificaties inhoudingen geweest van € 74,67 in de maanden januari, februari en maart 2025 en in november en december 2025 nog een bedrag van € 441,01. In die periode was de afloscapaciteit van [verzoeker] € 110,53. [verzoeker] heeft in de maanden januari, februari en maart 2025 niet het resterende bedrag van zijn afloscapaciteit gespaard. Daar komt bij dat [verzoeker] niet heeft gesolliciteerd of gewerkt, volgens de schuldhulpverlener omdat hij een Wajonguitkering geniet. De rechtbank is van oordeel dat het hebben van een Wajonguitkering niet zonder meer betekent dat [verzoeker] niet hoeft te solliciteren of te werken. Medische stukken waaruit blijkt dat [verzoeker] geheel arbeidsongeschikt is, dan wel een onderbouwde vrijstelling van de gemeente, ontbreekt. 3.6. De rechtbank concludeert dat [verzoeker] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn gezamenlijke schuldeisers. De rechtbank ziet aanleiding om bovengenoemde tekortkomingen te compenseren met de negen maanden inhoudingen wegens beslaglegging. De aanvangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling zal worden bepaald op drie maanden eerder dan de datum van toelating tot de schuldsaneringsregeling, te weten op 28 januari 2026. De looptijd van de wsnp duurt 18 maanden en eindigt dan op 28 juli 2027. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats 1], wonende te [adres 1], [postcode] [plaats 2];, 4.2. stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 28 januari 2026 en eindigend op 28 juli 2027; 4.3. benoemt tot rechter-commissaris mr. M.W. Koenis; 4.4. benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2]; 4.5. geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden; 4.6. bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is; 4.7. stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen; 4.8. wijst af het meer of anders verzochte. Dit is de beslissing van mr. A.J. Wolfs, rechter, in samenwerking met de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 april 2026. Hoger beroep Tegen de beslissing over de aanvangstermijn van de wsnp kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4245 text/xml public 2026-05-11T09:45:44 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-28 NL:TZ:2600781 Uitspraak Rekestprocedure NL Haarlem Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4245 text/html public 2026-05-11T09:45:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4245 Rechtbank Noord-Holland , 28-04-2026 / NL:TZ:2600781 Toewijzing wsnp met eerdere aanvangstermijn, waarbij 'verkorting' is gecompenseerd ivm niet maximale inspanning en afdracht tijdens minnelijk traject. RECHTBANK Noord-Holland Team Insolventie Zittingsplaats Haarlem Rekestnummer: NL:TZ:2600781:R-RK Vonnis van dinsdag 28 april 2026 op het verzoek van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats 1], wonende te [adres 1], [postcode] [plaats 2], verzoeker, hierna te noemen [verzoeker], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Samenvatting [verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe. De termijn van de schuldsaneringsregeling gaat lopen vanaf 28 januari 2026 en duurt 18 maanden tot 28 juli 2027. 1 De procedure 1.1. De procedure bestaat uit: - het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen; - de zitting van dinsdag 14 april 2026, waarbij aanwezig waren: - [verzoeker]; - [betrokkene] namens Kredietbank Nederland. 1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen. 3 De beoordeling 3.1. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)). 3.2. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. 3.3. [verzoeker] heeft de schuldregelingsovereenkomst ondertekend op 30 mei 2024 en heeft op 2 januari 2025 een minnelijk voorstel gedaan aan zijn gezamenlijke schuldeisers. [verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 30 mei 2024, omdat er toen al beslag lag op het inkomen van [verzoeker] en hij vanwege dat beslag tijdens het minnelijk voortraject niet ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers heeft kunnen aflossen. 3.4. Aflossing aan de beslaghebber kan gelden als aflossing op de schulden in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling wanneer deze aflossing heeft plaatsgevonden na datum ondertekening van de schuldregelingsovereenkomst dan wel na de datum waarop een akkoord is aangeboden aan schuldeisers. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener meegedeeld dat er al ‘lange tijd’ beslag lag op het inkomen. Of er zonder beslaglegging nog voldoende afloscapaciteit was, kon de schuldhulpverlener niet zeggen omdat de inhoudingen door de beslaglegger nogal varieerden. 3.5. Uit de door de rechtbank ontvangen betaalspecificaties van het inkomen van [verzoeker] blijkt dat in augustus 2024 eenmalig een bedrag van € 374,90 is ingehouden en vervolgens een bedrag van € 54,90 in de maanden oktober, november en december 2024. De afloscapaciteit volgens de berekening van het vrij te laten bedrag in deze periode was € 117,05 per maand. In de maanden oktober, november en december 2024 heeft [verzoeker] het resterende bedrag van zijn afloscapaciteit niet gespaard. Verder zijn er volgens de betaalspecificaties inhoudingen geweest van € 74,67 in de maanden januari, februari en maart 2025 en in november en december 2025 nog een bedrag van € 441,01. In die periode was de afloscapaciteit van [verzoeker] € 110,53. [verzoeker] heeft in de maanden januari, februari en maart 2025 niet het resterende bedrag van zijn afloscapaciteit gespaard. Daar komt bij dat [verzoeker] niet heeft gesolliciteerd of gewerkt, volgens de schuldhulpverlener omdat hij een Wajonguitkering geniet. De rechtbank is van oordeel dat het hebben van een Wajonguitkering niet zonder meer betekent dat [verzoeker] niet hoeft te solliciteren of te werken. Medische stukken waaruit blijkt dat [verzoeker] geheel arbeidsongeschikt is, dan wel een onderbouwde vrijstelling van de gemeente, ontbreekt. 3.6. De rechtbank concludeert dat [verzoeker] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn gezamenlijke schuldeisers. De rechtbank ziet aanleiding om bovengenoemde tekortkomingen te compenseren met de negen maanden inhoudingen wegens beslaglegging. De aanvangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling zal worden bepaald op drie maanden eerder dan de datum van toelating tot de schuldsaneringsregeling, te weten op 28 januari 2026. De looptijd van de wsnp duurt 18 maanden en eindigt dan op 28 juli 2027. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats 1], wonende te [adres 1], [postcode] [plaats 2];, 4.2. stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 28 januari 2026 en eindigend op 28 juli 2027; 4.3. benoemt tot rechter-commissaris mr. M.W. Koenis; 4.4. benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2]; 4.5. geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden; 4.6. bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is; 4.7. stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen; 4.8. wijst af het meer of anders verzochte. Dit is de beslissing van mr. A.J. Wolfs, rechter, in samenwerking met de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 april 2026. Hoger beroep Tegen de beslissing over de aanvangstermijn van de wsnp kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.