Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-20
ECLI:NL:RBNHO:2026:379
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Strafrecht Zittingsplaats Alkmaar parketnummer : 96/156910-25 raadkamernummer : 25-022165 datum : 20 januari 2026 beslissing op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren op [datum] 1980 te [geboorteplaats], wonende op het adres [woonadres], hierna te noemen: de verzoeker. Feiten In de strafzaak met het hiervoor vermelde parketnummer heeft de officier van justitie beslist de verzoeker niet verder te vervolgen. De beslissing is bij brief van 22 mei 2025 aan de verzoeker medegedeeld. Procedure De rechtbank heeft het ondertekende verzoekschrift op 18 juli 2025 ontvangen. De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de bijzonder gevolmachtigde van de verzoeker (mr. A.C.M. Brom) en de officier van justitie op zitting gehoord. De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Verzoek Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.392,30 wegens: de kosten van een gemachtigde in de strafzaak tot een bedrag van € 712,30; de kosten van een gemachtigde voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek tot een bedrag van € 680,-. Standpunt verzoeker Namens de verzoeker stelt de bijzonder gevolmachtigde zich op het standpunt overeenkomstig de inhoud van een als bijlage I aan deze beslissing gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kostenvergoeding moet te worden afgewezen. Hiervoor verwijst zij naar een arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat overeenkomstig artikel 530 lid 2 Sv alleen kosten van een raadsman kunnen worden vergoed als een zaak zonder straf of maatregel eindigt, waarbij ‘raadsman’ alleen een advocaat betekent die is ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten dan wel volgens artikel 37 lid 2 Sv als raadsman is toegelaten. De kosten van een juridisch adviseur die geen advocaat is, zoals de bijzonder gevolmachtigde in deze zaak, komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Door bijzonder gevolmachtigde in onderhavige zaak wordt immers niet betwist dat er geen sprake is van een raadsman in de zin van artikel 530 lid 2 Sv dan wel artikel 37 lid 2 Sv en ook de bepleite kwaliteiten van de bijzonder gevolmachtigde laten dat onverlet. Beoordeling De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend. Als de strafzaak van een verdachte is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel) van het Wetboek van Strafrecht, kan die verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de kosten van zijn advocaat in verband met die zaak (artikel 530 Sv). In onderhavige procedure stelt de (bijzonder gevolmachtigde van de) verzoeker dat hij aanspraak maakt dan wel zou moeten maken op de verzochte kostenvergoeding alsmede de forfaitaire vergoedingen voor onderhavige procedure. Rechtsoverweging 3.5.1 uit het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2023 luidt als volgt: Aan het begrip ‘raadsman’ in artikel 530 lid 2 Sv komt geen andere betekenis toe dan dat begrip heeft in artikel 37 Sv. Onder de in artikel 530 lid 2 Sv bedoelde kosten van een raadsman kunnen daarom alleen worden begrepen de kosten die zijn gemaakt door een advocaat die is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten, of die overeenkomstig artikel 37 lid 2 Sv als raadsman is toegelaten. Deze regeling hangt ermee samen dat in strafzaken de verlening van rechtsbijstand plaatsvindt door een advocaat (vgl. artikel 28 Sv), waarbij die rechtsbijstandverlening is omgeven met waarborgen die er in het bijzonder in bestaan dat een advocaat is gebonden aan de wet- en regelgeving die op het optreden als advocaat van toepassing zijn en is onderworpen aan het tuchtrech