Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-05
ECLI:NL:RBNHO:2026:3437
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
12,173 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3437 text/xml public 2026-04-14T11:09:00 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-05 12002767 AO VERZ 25-158 Uitspraak Beschikking NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3437 text/html public 2026-04-14T11:08:44 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3437 Rechtbank Noord-Holland , 05-03-2026 / 12002767 AO VERZ 25-158 Werknemersverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen, omdat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet is gebleken. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 12002767 \ AO VERZ 25-158 (HB) Beschikking van 5 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. K.L. Noordijk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEELS KOFFIE EN THEE SINDS 1863 B.V. , te Haarlem, verwerende partij, hierna te noemen: Geels, gemachtigde: mr. N.R. Schaap. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werkgever. De werknemer legt aan zijn verzoek ten grondslag – kort samengevat – dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve per 1 april 2026 moet eindigen, omdat de werkgever gedurende een lange periode ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de verplichtingen van goed werkgeverschap, de zorgplicht voor een veilige werkomgeving en de wettelijke re-integratieverplichtingen. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet is gebleken. 1 De procedure 1.1. [verzoeker] heeft op 3 december 2025 een verzoekschrift met producties ingediend. Geels heeft daarop gereageerd bij verweerschrift met producties. 1.2. Bij e-mail van 26 januari 2026 heeft [verzoeker] meegedeeld dat productie 5 is komen te vervallen. Bij brief van 31 januari 2026 heeft [verzoeker] aanvullende producties in het geding gebracht. Bij brief van 2 februari 2026 heeft ook Geels aanvullende producties overgelegd. 1.3. Op 5 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting heeft [verzoeker] de subsidiaire grondslag van zijn verzoek ingetrokken. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1959, is op 27 mei 2004 bij Geels in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. 2.2. De functie van [verzoeker] is office manager. 2.3. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 3.200,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en emolumenten. 2.4. De plaats van tewerkstelling was achtereenvolgens Amersfoort, Utrecht en (sinds 2015) Haarlem. 2.5. In februari 2023 is [verzoeker] ziek uitgevallen. Op 29 januari 2024 heeft [verzoeker] zich weer volledig hersteld gemeld. Sinds 15 oktober 2024 is [verzoeker] opnieuw arbeidsongeschikt wegens ziekte. 2.6. Op 22 mei 2025 hebben mevrouw [betrokkene 1] (HR-manager van Geels) en [verzoeker] , in aanwezigheid van de bedrijfsmaatschappelijk werkster, gesproken over een mogelijk vroegtijdig uittreden van [verzoeker] uit de organisatie. 2.7. Naar aanleiding van dat gesprek heeft [betrokkene 1] bij e-mail van 3 juli 2025 aan [verzoeker] meegedeeld dat zij helaas geen akkoord heeft gekregen voor een vervroegd pensioen of een afkoopregeling en dat zij samen met [verzoeker] wil kijken naar een ‘passende en zorgvuldige afronding’. 2.8. Vervolgens heeft [verzoeker] bij e-mail van diezelfde datum gevraagd wat Geels verstaat onder een passende en zorgvuldige afronding en (in reactie op een ontvangen Whatsapp- bericht van [betrokkene 1]) waarom er nu opeens een plan van aanpak gemaakt moet worden, terwijl dat in de voorgaande acht en een halve maand niet is gebeurd. 2.9. Bij e-mail van 4 juli 2025 heeft [betrokkene 1] aan [verzoeker] meegedeeld dat zij van hem heeft begrepen dat hij geen vertrouwen heeft in terugkeer en dat zij daarom spreekt over afronding: om een brug te slaan tussen nu en [verzoeker] pensioenleeftijd. Ook heeft zij in die e-mail aangegeven dat het plan van aanpak moet worden opgesteld omdat partijen daar niet langer omheen kunnen: zolang [verzoeker] in het traject met de bedrijfsmaatschappelijk werkster zat heeft [betrokkene 1] het ‘even zo gelaten’ omdat zij geen stress bij [verzoeker] wilde veroorzaken en omdat zij zocht naar een oplossing die zij niet in eigen hand heeft. [betrokkene 1] heeft in die e-mail ook voorgesteld om in de volgende week contact te hebben over een eerste opzet van het plan van aanpak. 2.10. Daarna zijn tussen partijen verschillende versies van het plan van aanpak uitgewisseld (van 7, 14 en 21 juli 2025). 2.11. Vervolgens heeft [verzoeker] zich tot zijn rechtsbijstandverlener gewend. 2.12. Bij e-mail van 19 augustus 2025 heeft [betrokkene 1] aan [verzoeker] meegedeeld dat zij niet akkoord gaat met de invulling van het plan van aanpak zoals dat er nu ligt, dat zij zich niet kan vinden in de beschuldigingen die [verzoeker] haar daarin toeschrijft en dat zij niets kwaads in de zin heeft, maar zijn welzijn boven alles heeft gesteld om hem niet te belasten. 2.13. Daarna heeft [verzoeker] (in december 2025) deze procedure aangespannen. 3 Het verzoek 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 april 2026 en om Geels te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding (€ 25.174,- bruto), een billijke vergoeding (€ 20.790,- bruto) en de juridische kosten (€ 10.100,65 netto), te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt [verzoeker] om een eindafrekening/loonspecificatie waaruit die betalingen blijken. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag – kort samengevat – dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve per 1 april 2026 moet eindigen, omdat Geels gedurende een lange periode ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de verplichtingen van goed werkgeverschap, de zorgplicht voor een veilige werkomgeving en de wettelijke re-integratieverplichtingen. Vanaf 2011 is [verzoeker] namelijk geconfronteerd met slechte werkomstandigheden, zijn klachten werden genegeerd, hij werd uitgesloten en geïsoleerd en hij werd niet goed behandeld tijdens en rond zijn ziekte. Door dit handelen en nalaten van Geels heeft [verzoeker] ernstige fysieke en psychische klachten ontwikkeld. 3.3 Op het standpunt van [verzoeker] zal - zo nodig - hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 4 Het verweer 4.1. Geels verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt Geels de ontbinding pas uit te spreken tegen de AOW-datum van [verzoeker] , zonder toekenning van een transitievergoeding of billijke vergoeding. 4.2. Geels voert hiertoe aan – kort samengevat – dat de verwijten die [verzoeker] haar maakt niet op waarheid berusten. Die verwijten zijn ook niet met concrete stukken onderbouwd. 4.3. Ook wijst Geels er op dat [verzoeker] ontbinding verzoekt per 1 april 2026, terwijl hij op [geboortedatum] 2026 de AOW-leeftijd bereikt. Geels had de arbeidsovereenkomst op reguliere wijze willen laten doorlopen tot de wettelijke AOW-datum. Volgens Geels heeft het verzoek van [verzoeker] alleen tot doel om verzochte vergoedingen af te dwingen. 4.4. Op het standpunt van Geels zal - zo nodig - hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 5 De beoordeling Toetsingskader 5.1. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Voor de toewijsbaarheid van een werknemersverzoek tot ontbinding is vereist dat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. 5.2. [verzoeker] heeft gesteld dat die omstandigheden in dit geval bestaan uit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Geels.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3437 text/xml public 2026-04-14T11:09:00 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-05 12002767 AO VERZ 25-158 Uitspraak Beschikking NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3437 text/html public 2026-04-14T11:08:44 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3437 Rechtbank Noord-Holland , 05-03-2026 / 12002767 AO VERZ 25-158 Werknemersverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen, omdat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet is gebleken. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 12002767 \ AO VERZ 25-158 (HB) Beschikking van 5 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. K.L. Noordijk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEELS KOFFIE EN THEE SINDS 1863 B.V. , te Haarlem, verwerende partij, hierna te noemen: Geels, gemachtigde: mr. N.R. Schaap. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werkgever. De werknemer legt aan zijn verzoek ten grondslag – kort samengevat – dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve per 1 april 2026 moet eindigen, omdat de werkgever gedurende een lange periode ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de verplichtingen van goed werkgeverschap, de zorgplicht voor een veilige werkomgeving en de wettelijke re-integratieverplichtingen. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet is gebleken. 1 De procedure 1.1. [verzoeker] heeft op 3 december 2025 een verzoekschrift met producties ingediend. Geels heeft daarop gereageerd bij verweerschrift met producties. 1.2. Bij e-mail van 26 januari 2026 heeft [verzoeker] meegedeeld dat productie 5 is komen te vervallen. Bij brief van 31 januari 2026 heeft [verzoeker] aanvullende producties in het geding gebracht. Bij brief van 2 februari 2026 heeft ook Geels aanvullende producties overgelegd. 1.3. Op 5 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting heeft [verzoeker] de subsidiaire grondslag van zijn verzoek ingetrokken. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1959, is op 27 mei 2004 bij Geels in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. 2.2. De functie van [verzoeker] is office manager. 2.3. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 3.200,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en emolumenten. 2.4. De plaats van tewerkstelling was achtereenvolgens Amersfoort, Utrecht en (sinds 2015) Haarlem. 2.5. In februari 2023 is [verzoeker] ziek uitgevallen. Op 29 januari 2024 heeft [verzoeker] zich weer volledig hersteld gemeld. Sinds 15 oktober 2024 is [verzoeker] opnieuw arbeidsongeschikt wegens ziekte. 2.6. Op 22 mei 2025 hebben mevrouw [betrokkene 1] (HR-manager van Geels) en [verzoeker] , in aanwezigheid van de bedrijfsmaatschappelijk werkster, gesproken over een mogelijk vroegtijdig uittreden van [verzoeker] uit de organisatie. 2.7. Naar aanleiding van dat gesprek heeft [betrokkene 1] bij e-mail van 3 juli 2025 aan [verzoeker] meegedeeld dat zij helaas geen akkoord heeft gekregen voor een vervroegd pensioen of een afkoopregeling en dat zij samen met [verzoeker] wil kijken naar een ‘passende en zorgvuldige afronding’. 2.8. Vervolgens heeft [verzoeker] bij e-mail van diezelfde datum gevraagd wat Geels verstaat onder een passende en zorgvuldige afronding en (in reactie op een ontvangen Whatsapp- bericht van [betrokkene 1]) waarom er nu opeens een plan van aanpak gemaakt moet worden, terwijl dat in de voorgaande acht en een halve maand niet is gebeurd. 2.9. Bij e-mail van 4 juli 2025 heeft [betrokkene 1] aan [verzoeker] meegedeeld dat zij van hem heeft begrepen dat hij geen vertrouwen heeft in terugkeer en dat zij daarom spreekt over afronding: om een brug te slaan tussen nu en [verzoeker] pensioenleeftijd. Ook heeft zij in die e-mail aangegeven dat het plan van aanpak moet worden opgesteld omdat partijen daar niet langer omheen kunnen: zolang [verzoeker] in het traject met de bedrijfsmaatschappelijk werkster zat heeft [betrokkene 1] het ‘even zo gelaten’ omdat zij geen stress bij [verzoeker] wilde veroorzaken en omdat zij zocht naar een oplossing die zij niet in eigen hand heeft. [betrokkene 1] heeft in die e-mail ook voorgesteld om in de volgende week contact te hebben over een eerste opzet van het plan van aanpak. 2.10. Daarna zijn tussen partijen verschillende versies van het plan van aanpak uitgewisseld (van 7, 14 en 21 juli 2025). 2.11. Vervolgens heeft [verzoeker] zich tot zijn rechtsbijstandverlener gewend. 2.12. Bij e-mail van 19 augustus 2025 heeft [betrokkene 1] aan [verzoeker] meegedeeld dat zij niet akkoord gaat met de invulling van het plan van aanpak zoals dat er nu ligt, dat zij zich niet kan vinden in de beschuldigingen die [verzoeker] haar daarin toeschrijft en dat zij niets kwaads in de zin heeft, maar zijn welzijn boven alles heeft gesteld om hem niet te belasten. 2.13. Daarna heeft [verzoeker] (in december 2025) deze procedure aangespannen. 3 Het verzoek 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 april 2026 en om Geels te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding (€ 25.174,- bruto), een billijke vergoeding (€ 20.790,- bruto) en de juridische kosten (€ 10.100,65 netto), te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt [verzoeker] om een eindafrekening/loonspecificatie waaruit die betalingen blijken. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag – kort samengevat – dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve per 1 april 2026 moet eindigen, omdat Geels gedurende een lange periode ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de verplichtingen van goed werkgeverschap, de zorgplicht voor een veilige werkomgeving en de wettelijke re-integratieverplichtingen. Vanaf 2011 is [verzoeker] namelijk geconfronteerd met slechte werkomstandigheden, zijn klachten werden genegeerd, hij werd uitgesloten en geïsoleerd en hij werd niet goed behandeld tijdens en rond zijn ziekte. Door dit handelen en nalaten van Geels heeft [verzoeker] ernstige fysieke en psychische klachten ontwikkeld. 3.3 Op het standpunt van [verzoeker] zal - zo nodig - hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 4 Het verweer 4.1. Geels verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt Geels de ontbinding pas uit te spreken tegen de AOW-datum van [verzoeker] , zonder toekenning van een transitievergoeding of billijke vergoeding. 4.2. Geels voert hiertoe aan – kort samengevat – dat de verwijten die [verzoeker] haar maakt niet op waarheid berusten. Die verwijten zijn ook niet met concrete stukken onderbouwd. 4.3. Ook wijst Geels er op dat [verzoeker] ontbinding verzoekt per 1 april 2026, terwijl hij op [geboortedatum] 2026 de AOW-leeftijd bereikt. Geels had de arbeidsovereenkomst op reguliere wijze willen laten doorlopen tot de wettelijke AOW-datum. Volgens Geels heeft het verzoek van [verzoeker] alleen tot doel om verzochte vergoedingen af te dwingen. 4.4. Op het standpunt van Geels zal - zo nodig - hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 5 De beoordeling Toetsingskader 5.1. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Voor de toewijsbaarheid van een werknemersverzoek tot ontbinding is vereist dat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. 5.2. [verzoeker] heeft gesteld dat die omstandigheden in dit geval bestaan uit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Geels.
Volledig
De bewijslast daarvan ligt bij [verzoeker] . Geen grond voor ontbinding 5.3. De kantonrechter oordeelt dat er geen grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter maakt uit de processtukken en het verhandelde ter zitting op dat [verzoeker] het gevoel heeft dat hij, met name nadat hij begin 2023 ziek was uitgevallen, door Geels op een zijspoor is gezet en niet belangrijk meer werd gevonden. Zoals [verzoeker] ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld, is hij op zoek naar erkenning. Ter zitting heeft Geels uitdrukkelijk haar waardering voor het werk van [verzoeker] uitgesproken. Geels voert aan dat zij binnen de bestaande mogelijkheden herhaaldelijk heeft geprobeerd om aan de wensen van [verzoeker] tegemoet te komen en dat zij voor een deel heeft gehandeld zoals zij heeft gehandeld omdat [verzoeker] zelf had aangegeven dat hij rust prettig vond. De verwijten die [verzoeker] aan Geels maakt zijn naar het oordeel van de kantonrechter grotendeels niet aannemelijk geworden en voor zover deze wel aannemelijk zijn gemaakt leveren deze (ook tezamen) geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Geels op. De kantonrechter zal dat oordeel hieronder toelichten, waarbij zij de door [verzoeker] aan Geels gemaakte verwijten (eerst) afzonderlijk zal bespreken. Werkomstandigheden en negeren van klachten Bureaustoel 5.4. [verzoeker] stelt dat hij in 2023 moest werken op een bureaustoel waarvan de zitting en rugleuning los zaten en dat die stoel ondanks herhaald verzoek van de arbodienst pas na zes maanden is vervangen, terwijl hij ondertussen rugklachten klachten had ontwikkeld. Geels voert in reactie daarop aan dat er meerdere ergonomische bureaustoelen beschikbaar waren die [verzoeker] mocht pakken, maar dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij per se de stoel wilde houden die hij al had. Bovendien weigerde [verzoeker] de schroeven van zijn stoel vaster aan te draaien, aldus Geels. De visies van partijen (die beide met verklaringen van (ex-)medewerkers van Geels zijn ondersteund) lopen op dit punt uiteen. 5.5. Wel stelt de kantonrechter vast dat de bedrijfsarts in de probleemanalyse van 21 april 2023 heeft geadviseerd de werkplek van [verzoeker] ergonomisch goed te laten inrichten door een ergonoom en dat dit niet is gebeurd. Dat valt aan Geels te verwijten. Ook staat vast dat [verzoeker] uiteindelijk na enige maanden (volgens [verzoeker] zes, volgens Geels minder) als enige werknemer een andere nieuwe stoel heeft mogen uitzoeken. Dit had weliswaar sneller gekund en gemoeten, maar een en ander is naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig verwijtbaar aan Geels dat dit als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten moet worden aangemerkt. Kleine, drukke kantoorruimte 5.6. Ook stelt [verzoeker] dat hij een kantoorruime van 16m2 heeft moeten delen met zes collega’s, waarvan er twee luidruchtig waren. Geels heeft hierop geen actie ondernomen. Hierdoor heeft [verzoeker] naar hij stelt concentratieproblemen en hoofdpijnklachten ontwikkeld. 5.7. Geels betwist dat de kantoorruimte zo klein was. Bovendien zaten er volgens Geels slechts drie medewerkers tegelijk in de ruimte. Zodra de mogelijkheid er was heeft [verzoeker] op zijn verzoek een kamer van 78m2 gekregen waar hij gemiddeld met één of twee andere collega’s zat, zodat hij rustig kon werken. 5.8. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] dit verweer van Geels onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter neemt wel aan dat de werksituatie niet ideaal zal zijn geweest, maar niet gebleken is dat Geels op dit punt verwijtbaar heeft gehandeld. Glazen deur 5.9. [verzoeker] stelt dat hij in 2023, nadat Geels een nieuw bedrijfspand had betrokken, hard tegen een glazen deur is aangelopen die eerder vijf weken open had gestaan. [verzoeker] is toen door collega’s uitgelachen en Geels heeft pas na zeven maanden folie op de deuren aangebracht, aldus [verzoeker] . 5.10. Geels voert in reactie hierop aan dat het vast beleid was dat de deuren gesloten bleven, dat ook zonder folie goed te zien was dat de deuren gesloten waren door de duidelijk aanwezige deurklinken en dat de folie naderhand alleen uit privacy overwegingen is aangebracht. Bovendien betwist Geels dat [verzoeker] is uitgelachen door zijn collega’s: eerst schrokken de collega’s, maar nadat [verzoeker] had aangegeven okay te zijn lachten zij met hem mee. 5.11. De door Geels geschetste gang van zaken is door [verzoeker] niet meer weersproken, zodat de kantonrechter deze voor juist houdt. Ook op dit punt is dus niet gebleken van verwijtbaar handelen of nalaten van Geels. Zonwering 5.12. [verzoeker] stelt voorts dat aan de zijde van het (nieuwe) kantoorpand waar hij werkte geen zonwering was aangebracht, waardoor hij hoofdpijn kreeg. Hoewel hij hierover herhaaldelijk heeft geklaagd heeft Geels hierop geen actie ondernomen. 5.13. Geels voert in reactie hierop aan dat het plaatsen van zonwering op die plaats niet mogelijk was en dat zij [verzoeker] een andere plek heeft aangeboden, maar dat [verzoeker] zelf niet wilde verplaatsen. 5.14. [verzoeker] heeft dat verweer van Geels niet weersproken, zodat de kantonrechter dat verweer voor juist houdt. Van verwijtbaar handelen van Geels op dit punt is daarom onvoldoende gebleken. Hoge werkdruk en technische/organisatorische problemen, negeren van klachten 5.15. [verzoeker] stelt dat hij aanhoudend is geconfronteerd met hoge werkdruk en technische en organisatorische problemen, waartegen het management van Geels onvoldoende optrad. Zijn vele klachten bleven onbeantwoord en toen hij desondanks bleef klagen (over een printprobleem) kreeg hij te horen dat hij zich niet negatief over Geels mocht uitlaten, aldus [verzoeker] . 5.16. Geels erkent dat er sprake is geweest van technische en organisatorische problemen, waaronder een niet functionerende printer. Geels heeft op zichzelf ook niet betwist dat sprake is geweest van hoge werkdruk. Niet gebleken is echter dat Geels op die punten een verwijt kan worden gemaakt. Dat legt de kantonrechter hieronder uit. 5.17. [verzoeker] heeft er in zijn brieven aan Zorg aan de Zaak van 23 februari 2023 en 31 mei 2023 (waarvan een kopie aan [betrokkene 1] is gezonden) weliswaar op gewezen dat de werkdruk op de afdeling stijgt, maar in die brieven geeft hij niet duidelijk aan dat de werkdruk voor hem niet meer te hanteren is en welke maatregelen van Geels hij op dat punt wenst. Evenmin is gebleken dat hij dat anderszins voldoende concreet bij Geels heeft aangekaart. 5.18. Bovendien heeft Geels naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij - mede naar aanleiding van de klachten van [verzoeker] - haar best heeft gedaan om de opgetreden organisatorische en technische problemen op te lossen, maar dat deze niet eenvoudig te verhelpen waren. 5.19. Verder is het niet juist dat [verzoeker] ten onrechte is berispt naar aanleiding van zijn aanhoudende klachten over de niet functionerende printer. [verzoeker] is - bij brief van 11 maart 2024 - door Geels terechtgewezen omdat hij (na eerst binnen Geels over een printprobleem te hebben geklaagd) over dit probleem contact heeft opgenomen met de aandeelhouder van de leverancier van Geels (Götz), met wie Geels op dat moment een gespannen relatie had. In de brief wijst Geels er op dat zij [verzoeker] frustratie over het printprobleem goed begrijpt en zijn inzet en betrokkenheid bij Geels waardeert, maar dat hij zich voor printproblemen tot het management van Geels moet wenden, omdat (gezien de bestaande gespannen relatie) direct contact met Götz de organisatie van Geels geen goeddoet. Deze mededeling komt de kantonrechter niet onredelijk voor. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat hij niet had begrepen dat Götz niet zijn werkgever was. Uitsluiting en isolement Afgezonderde werkplek 5.20. [verzoeker] stelt dat hij na de verhuizing van de organisatie van Geels naar Utrecht vijf jaar lang volledig alleen en zonder aansturing heeft gewerkt.
Volledig
De bewijslast daarvan ligt bij [verzoeker] . Geen grond voor ontbinding 5.3. De kantonrechter oordeelt dat er geen grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter maakt uit de processtukken en het verhandelde ter zitting op dat [verzoeker] het gevoel heeft dat hij, met name nadat hij begin 2023 ziek was uitgevallen, door Geels op een zijspoor is gezet en niet belangrijk meer werd gevonden. Zoals [verzoeker] ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld, is hij op zoek naar erkenning. Ter zitting heeft Geels uitdrukkelijk haar waardering voor het werk van [verzoeker] uitgesproken. Geels voert aan dat zij binnen de bestaande mogelijkheden herhaaldelijk heeft geprobeerd om aan de wensen van [verzoeker] tegemoet te komen en dat zij voor een deel heeft gehandeld zoals zij heeft gehandeld omdat [verzoeker] zelf had aangegeven dat hij rust prettig vond. De verwijten die [verzoeker] aan Geels maakt zijn naar het oordeel van de kantonrechter grotendeels niet aannemelijk geworden en voor zover deze wel aannemelijk zijn gemaakt leveren deze (ook tezamen) geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Geels op. De kantonrechter zal dat oordeel hieronder toelichten, waarbij zij de door [verzoeker] aan Geels gemaakte verwijten (eerst) afzonderlijk zal bespreken. Werkomstandigheden en negeren van klachten Bureaustoel 5.4. [verzoeker] stelt dat hij in 2023 moest werken op een bureaustoel waarvan de zitting en rugleuning los zaten en dat die stoel ondanks herhaald verzoek van de arbodienst pas na zes maanden is vervangen, terwijl hij ondertussen rugklachten klachten had ontwikkeld. Geels voert in reactie daarop aan dat er meerdere ergonomische bureaustoelen beschikbaar waren die [verzoeker] mocht pakken, maar dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij per se de stoel wilde houden die hij al had. Bovendien weigerde [verzoeker] de schroeven van zijn stoel vaster aan te draaien, aldus Geels. De visies van partijen (die beide met verklaringen van (ex-)medewerkers van Geels zijn ondersteund) lopen op dit punt uiteen. 5.5. Wel stelt de kantonrechter vast dat de bedrijfsarts in de probleemanalyse van 21 april 2023 heeft geadviseerd de werkplek van [verzoeker] ergonomisch goed te laten inrichten door een ergonoom en dat dit niet is gebeurd. Dat valt aan Geels te verwijten. Ook staat vast dat [verzoeker] uiteindelijk na enige maanden (volgens [verzoeker] zes, volgens Geels minder) als enige werknemer een andere nieuwe stoel heeft mogen uitzoeken. Dit had weliswaar sneller gekund en gemoeten, maar een en ander is naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig verwijtbaar aan Geels dat dit als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten moet worden aangemerkt. Kleine, drukke kantoorruimte 5.6. Ook stelt [verzoeker] dat hij een kantoorruime van 16m2 heeft moeten delen met zes collega’s, waarvan er twee luidruchtig waren. Geels heeft hierop geen actie ondernomen. Hierdoor heeft [verzoeker] naar hij stelt concentratieproblemen en hoofdpijnklachten ontwikkeld. 5.7. Geels betwist dat de kantoorruimte zo klein was. Bovendien zaten er volgens Geels slechts drie medewerkers tegelijk in de ruimte. Zodra de mogelijkheid er was heeft [verzoeker] op zijn verzoek een kamer van 78m2 gekregen waar hij gemiddeld met één of twee andere collega’s zat, zodat hij rustig kon werken. 5.8. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] dit verweer van Geels onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter neemt wel aan dat de werksituatie niet ideaal zal zijn geweest, maar niet gebleken is dat Geels op dit punt verwijtbaar heeft gehandeld. Glazen deur 5.9. [verzoeker] stelt dat hij in 2023, nadat Geels een nieuw bedrijfspand had betrokken, hard tegen een glazen deur is aangelopen die eerder vijf weken open had gestaan. [verzoeker] is toen door collega’s uitgelachen en Geels heeft pas na zeven maanden folie op de deuren aangebracht, aldus [verzoeker] . 5.10. Geels voert in reactie hierop aan dat het vast beleid was dat de deuren gesloten bleven, dat ook zonder folie goed te zien was dat de deuren gesloten waren door de duidelijk aanwezige deurklinken en dat de folie naderhand alleen uit privacy overwegingen is aangebracht. Bovendien betwist Geels dat [verzoeker] is uitgelachen door zijn collega’s: eerst schrokken de collega’s, maar nadat [verzoeker] had aangegeven okay te zijn lachten zij met hem mee. 5.11. De door Geels geschetste gang van zaken is door [verzoeker] niet meer weersproken, zodat de kantonrechter deze voor juist houdt. Ook op dit punt is dus niet gebleken van verwijtbaar handelen of nalaten van Geels. Zonwering 5.12. [verzoeker] stelt voorts dat aan de zijde van het (nieuwe) kantoorpand waar hij werkte geen zonwering was aangebracht, waardoor hij hoofdpijn kreeg. Hoewel hij hierover herhaaldelijk heeft geklaagd heeft Geels hierop geen actie ondernomen. 5.13. Geels voert in reactie hierop aan dat het plaatsen van zonwering op die plaats niet mogelijk was en dat zij [verzoeker] een andere plek heeft aangeboden, maar dat [verzoeker] zelf niet wilde verplaatsen. 5.14. [verzoeker] heeft dat verweer van Geels niet weersproken, zodat de kantonrechter dat verweer voor juist houdt. Van verwijtbaar handelen van Geels op dit punt is daarom onvoldoende gebleken. Hoge werkdruk en technische/organisatorische problemen, negeren van klachten 5.15. [verzoeker] stelt dat hij aanhoudend is geconfronteerd met hoge werkdruk en technische en organisatorische problemen, waartegen het management van Geels onvoldoende optrad. Zijn vele klachten bleven onbeantwoord en toen hij desondanks bleef klagen (over een printprobleem) kreeg hij te horen dat hij zich niet negatief over Geels mocht uitlaten, aldus [verzoeker] . 5.16. Geels erkent dat er sprake is geweest van technische en organisatorische problemen, waaronder een niet functionerende printer. Geels heeft op zichzelf ook niet betwist dat sprake is geweest van hoge werkdruk. Niet gebleken is echter dat Geels op die punten een verwijt kan worden gemaakt. Dat legt de kantonrechter hieronder uit. 5.17. [verzoeker] heeft er in zijn brieven aan Zorg aan de Zaak van 23 februari 2023 en 31 mei 2023 (waarvan een kopie aan [betrokkene 1] is gezonden) weliswaar op gewezen dat de werkdruk op de afdeling stijgt, maar in die brieven geeft hij niet duidelijk aan dat de werkdruk voor hem niet meer te hanteren is en welke maatregelen van Geels hij op dat punt wenst. Evenmin is gebleken dat hij dat anderszins voldoende concreet bij Geels heeft aangekaart. 5.18. Bovendien heeft Geels naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij - mede naar aanleiding van de klachten van [verzoeker] - haar best heeft gedaan om de opgetreden organisatorische en technische problemen op te lossen, maar dat deze niet eenvoudig te verhelpen waren. 5.19. Verder is het niet juist dat [verzoeker] ten onrechte is berispt naar aanleiding van zijn aanhoudende klachten over de niet functionerende printer. [verzoeker] is - bij brief van 11 maart 2024 - door Geels terechtgewezen omdat hij (na eerst binnen Geels over een printprobleem te hebben geklaagd) over dit probleem contact heeft opgenomen met de aandeelhouder van de leverancier van Geels (Götz), met wie Geels op dat moment een gespannen relatie had. In de brief wijst Geels er op dat zij [verzoeker] frustratie over het printprobleem goed begrijpt en zijn inzet en betrokkenheid bij Geels waardeert, maar dat hij zich voor printproblemen tot het management van Geels moet wenden, omdat (gezien de bestaande gespannen relatie) direct contact met Götz de organisatie van Geels geen goeddoet. Deze mededeling komt de kantonrechter niet onredelijk voor. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat hij niet had begrepen dat Götz niet zijn werkgever was. Uitsluiting en isolement Afgezonderde werkplek 5.20. [verzoeker] stelt dat hij na de verhuizing van de organisatie van Geels naar Utrecht vijf jaar lang volledig alleen en zonder aansturing heeft gewerkt.
Volledig
Na de verhuizing naar het nieuwe pand in Haarlem werd hij in zijn eentje ver weg van zijn collega’s van de commerciële afdeling geplaatst, wat de benodigde samenwerking bemoeilijkte en waardoor de met de bedrijfsarts gemaakte afspraak dat hij niet als eerste de telefoon zou aannemen niet uitvoerbaar was. Hierdoor is hij overbelast geraakt, aldus [verzoeker] . 5.21. De kantonrechter is van oordeel dat Geels het verweer dat [verzoeker] dat hij in Utrecht geïsoleerd moest werken voldoende heeft weersproken door overlegging van een verklaring van haar directeur [betrokkene 2]. In die verklaring staat dat [betrokkene 2] en zijn vader regelmatig in Utrecht kwamen en dat [verzoeker] nooit heeft aangegeven dat hij het een probleem vond om alleen te zitten. Dit verweer is door [verzoeker] niet weerlegd. 5.22. Ook blijkt uit de overgelegde verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] dat aan [verzoeker] in het nieuwe kantoorpand in Haarlem juist een rustige (van de commerciële afdeling afgezonderde) werkruimte is aangeboden om hem te ontlasten, aangezien [verzoeker] had aangegeven behoefte te hebben aan rust. Dat laatste blijkt ook uit de (als productie 1 bij het verweerschrift) overgelegde evaluatie van het plan van aanpak van 10 mei 2022 en de e-mail van [verzoeker] van diezelfde datum. Geels heeft ook gemotiveerd betwist dat het door de locatie van de werkplek onmogelijk was de telefoon niet als eerste op te nemen: op het telefoontoestel was namelijk goed te zien wie er wel of niet in gesprek was. [verzoeker] heeft dat niet weersproken, zodat de kantonrechter dat voor juist houdt. 5.23. Overigens blijkt uit het (door [verzoeker] stiekem opgenomen) audiogesprek van 1 februari 2024 met [betrokkene 1] (anders dan [verzoeker] heeft gesteld) niet dat hij zich geïsoleerd voelde en daarvoor een oplossing wilde. In dat gesprek geeft [verzoeker] juist aan dat de locatie van de werkplek geen stressfactor meer is. Uit niets blijkt dat [verzoeker] als gevolg van de afgelegen werkplek ziek is geworden. 5.24. De kantonrechter vindt de op dit punt door [verzoeker] aan Geels gemaakte verwijten daarom niet terecht. Appgroepen en werkoverleggen 5.25. [verzoeker] stelt dat Geels hem heeft geïsoleerd door hem niet toe te voegen aan interne appgroepen en niet meer uit te nodigen voor wekelijkse werkoverleggen. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat legt zij hierna uit. 5.26. Geels voert in dit verband aan dat [verzoeker] zelf - omdat hij rust wilde - een bepaalde WhatsApp-groep heeft verlaten en nog steeds in een andere WhatsApp-groep zit. [verzoeker] heeft dat verweer onvoldoende gemotiveerd weersproken. Weliswaar heeft [verzoeker] in zijn pleitnota gesteld dat hij herhaaldelijk heeft verzocht om toevoeging aan de actuele communicatiemiddelen, maar dat blijkt nergens uit. 5.27. Volgens Geels namen in het kader van de efficiëntie alleen nog teamleiders deel aan de wekelijkse overleggen en is [verzoeker] voor alle andere overleggen gewoon uitgenodigd, behoudens in perioden dat hij door zijn arbeidsongeschiktheid hierbij niet aanwezig kon zijn. [verzoeker] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dat anders is en heeft dat ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Functieomschrijving 5.28. [verzoeker] stelt dat alleen voor hem geen functieomschrijving is opgesteld. Geels heeft deze stelling afdoende weersproken door overlegging van de betreffende functieomschrijving. Weliswaar staat hier een andere functienaam boven, maar Geels heeft ter zitting uitgelegd dat er intern onduidelijkheid bestond over de functienaam en dat de beschreven werkzaamheden wel degelijk de functie van [verzoeker] betreffen. [verzoeker] heeft dat niet weersproken, zodat de kantonrechter dat voor juist houdt. Beloning en reiskosten 5.29. [verzoeker] stelt dat zijn beloningsontwikkeling bleef stilstaan: hij heeft slechts geringe salarisverhoging gekregen en zijn kilometervergoeding bleef ongewijzigd, hoewel zijn reisafstand door zijn verhuizing naar [plaats] groter werd. 5.30. [verzoeker] heeft zijn standpunt over de geringe salarisverhoging niet nader toegelicht. Bovendien is niet gebleken dat hij hierover heeft geklaagd. 5.31. Wat betreft de reiskostenvergoeding heeft Geels aangevoerd dat partijen een vaste reiskostenvergoeding zijn overeengekomen en dat [verzoeker] het maximum van die vergoeding al had bereikt. Weliswaar stelt [verzoeker] dat dit anders is, maar dit heeft hij slechts onderbouwd met een verklaring van hemzelf. Dat is onvoldoende. 5.32. De kantonrechter kan dus niet tot de conclusie komen dat [verzoeker] wat betreft zijn beloning of reiskostenvergoeding niet correct is behandeld door Geels. Wijzigingen in takenpakket 5.33. [verzoeker] stelt nog dat er zonder overleg of inspraak vooraf wijzigingen in zijn takenpakket werden doorgevoerd, maar die (betwiste) stelling heeft hij niet nader toegelicht, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Gang van zaken rond ziekte en re-integratie Bureaustoel 5.34. [verzoeker] stelt in het kader van het niet nakomen van re-integratieverplichtingen door Geels onder meer dat zijn bureaustoel niet tijdig is vervangen. De kantonrechter verwijst op dit punt naar wat zij hierover onder 5.5. al heeft overwogen. Geen contact tijdens de eerste ziektemaanden 5.35. [verzoeker] verwijt Geels dat zij, in strijd met het advies van de bedrijfsarts van 23 december 2024, gedurende de eerste vier maanden van zijn ziekteperiode geen contact met hem heeft onderhouden. Geels heeft dat betwist. 5.36. De kantonrechter stelt vast dat de bedrijfsarts op 23 december 2024 heeft geadviseerd dat partijen regelmatig contact met elkaar blijven houden vanuit sociaal oogpunt. Geels heeft haar verweer dat zij dit wel degelijk heeft gedaan onderbouwd met Whatsapp-berichten van 5 maart 2025 en 29 juli 2025. Dat zij in de periode tussen 23 december 2024 en 5 maart 2025 contact met [verzoeker] heeft onderhouden is echter uit niets gebleken, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat dit niet is gebeurd. Hiervan valt Geels weliswaar een verwijt te maken, maar van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Geels is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Datzelfde geldt voor zover er in de eerste maanden van de voorgaande ziekteperiode geen contact is onderhouden door Geels. Plan van aanpak 5.37. [verzoeker] verwijt Geels dat zij het plan van aanpak te laat heeft opgesteld en (met name onder nummer 20, versie 14 juli 2025) onjuist heeft ingevuld. 5.38. Geels voert aan dat het plan van aanpak weliswaar op papier te laat is ingediend, maar dat dit vanaf het begin duidelijk was: eerst zou [verzoeker] de tijd krijgen om te herstellen en vervolgens zou een gesprek tussen partijen worden gevoerd in bijzijn van een derde (het gesprek van 22 mei 2025). Daar is ook naar gehandeld. [verzoeker] heeft dat op zichzelf niet weersproken. 5.39. De kantonrechter is van oordeel dat Geels voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen kwade bedoelingen heeft gehad met het niet tijdig indienen van het plan van aanpak. Dat blijkt ook uit de e-mail van [betrokkene 1] van 4 juli 2025 (onder 2.9 van de feiten) waarin zij aangeeft dat zij geen stress bij [verzoeker] wilde veroorzaken en naar een oplossing zocht. 5.40. [verzoeker] heeft ook niet voldoende toegelicht of aannemelijk gemaakt dat Geels het plan van aanpak onjuist heeft ingevuld. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat het hem met name gaat om punt 20 van het plan van aanpak (versie 14 juli 2025), waarin staat dat [verzoeker] zich uit eigen beweging tot een zakenpartner (Götz) heeft gewend waarop hij een reprimande heeft ontvangen van het management. Deze passage in het plan van aanpak stemt echter overeen met de daadwerkelijke gang van zaken (zoals hiervoor beschreven onder 5.19.). Daarom kan niet worden gezegd dat Geels dit ten onrechte heeft opgeschreven. Ook is niet gebleken dat Geels (zoals [verzoeker] heeft aangevoerd) aanvankelijk (opzettelijk) een aantal in te vullen velden van het plan van aanpak had weggelaten. Naar Geels onweersproken heeft toegelicht werden bepaalde velden niet geopend als bij vragen een bepaald antwoord werd gegeven. 5.41.
Volledig
Na de verhuizing naar het nieuwe pand in Haarlem werd hij in zijn eentje ver weg van zijn collega’s van de commerciële afdeling geplaatst, wat de benodigde samenwerking bemoeilijkte en waardoor de met de bedrijfsarts gemaakte afspraak dat hij niet als eerste de telefoon zou aannemen niet uitvoerbaar was. Hierdoor is hij overbelast geraakt, aldus [verzoeker] . 5.21. De kantonrechter is van oordeel dat Geels het verweer dat [verzoeker] dat hij in Utrecht geïsoleerd moest werken voldoende heeft weersproken door overlegging van een verklaring van haar directeur [betrokkene 2]. In die verklaring staat dat [betrokkene 2] en zijn vader regelmatig in Utrecht kwamen en dat [verzoeker] nooit heeft aangegeven dat hij het een probleem vond om alleen te zitten. Dit verweer is door [verzoeker] niet weerlegd. 5.22. Ook blijkt uit de overgelegde verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] dat aan [verzoeker] in het nieuwe kantoorpand in Haarlem juist een rustige (van de commerciële afdeling afgezonderde) werkruimte is aangeboden om hem te ontlasten, aangezien [verzoeker] had aangegeven behoefte te hebben aan rust. Dat laatste blijkt ook uit de (als productie 1 bij het verweerschrift) overgelegde evaluatie van het plan van aanpak van 10 mei 2022 en de e-mail van [verzoeker] van diezelfde datum. Geels heeft ook gemotiveerd betwist dat het door de locatie van de werkplek onmogelijk was de telefoon niet als eerste op te nemen: op het telefoontoestel was namelijk goed te zien wie er wel of niet in gesprek was. [verzoeker] heeft dat niet weersproken, zodat de kantonrechter dat voor juist houdt. 5.23. Overigens blijkt uit het (door [verzoeker] stiekem opgenomen) audiogesprek van 1 februari 2024 met [betrokkene 1] (anders dan [verzoeker] heeft gesteld) niet dat hij zich geïsoleerd voelde en daarvoor een oplossing wilde. In dat gesprek geeft [verzoeker] juist aan dat de locatie van de werkplek geen stressfactor meer is. Uit niets blijkt dat [verzoeker] als gevolg van de afgelegen werkplek ziek is geworden. 5.24. De kantonrechter vindt de op dit punt door [verzoeker] aan Geels gemaakte verwijten daarom niet terecht. Appgroepen en werkoverleggen 5.25. [verzoeker] stelt dat Geels hem heeft geïsoleerd door hem niet toe te voegen aan interne appgroepen en niet meer uit te nodigen voor wekelijkse werkoverleggen. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat legt zij hierna uit. 5.26. Geels voert in dit verband aan dat [verzoeker] zelf - omdat hij rust wilde - een bepaalde WhatsApp-groep heeft verlaten en nog steeds in een andere WhatsApp-groep zit. [verzoeker] heeft dat verweer onvoldoende gemotiveerd weersproken. Weliswaar heeft [verzoeker] in zijn pleitnota gesteld dat hij herhaaldelijk heeft verzocht om toevoeging aan de actuele communicatiemiddelen, maar dat blijkt nergens uit. 5.27. Volgens Geels namen in het kader van de efficiëntie alleen nog teamleiders deel aan de wekelijkse overleggen en is [verzoeker] voor alle andere overleggen gewoon uitgenodigd, behoudens in perioden dat hij door zijn arbeidsongeschiktheid hierbij niet aanwezig kon zijn. [verzoeker] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dat anders is en heeft dat ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Functieomschrijving 5.28. [verzoeker] stelt dat alleen voor hem geen functieomschrijving is opgesteld. Geels heeft deze stelling afdoende weersproken door overlegging van de betreffende functieomschrijving. Weliswaar staat hier een andere functienaam boven, maar Geels heeft ter zitting uitgelegd dat er intern onduidelijkheid bestond over de functienaam en dat de beschreven werkzaamheden wel degelijk de functie van [verzoeker] betreffen. [verzoeker] heeft dat niet weersproken, zodat de kantonrechter dat voor juist houdt. Beloning en reiskosten 5.29. [verzoeker] stelt dat zijn beloningsontwikkeling bleef stilstaan: hij heeft slechts geringe salarisverhoging gekregen en zijn kilometervergoeding bleef ongewijzigd, hoewel zijn reisafstand door zijn verhuizing naar [plaats] groter werd. 5.30. [verzoeker] heeft zijn standpunt over de geringe salarisverhoging niet nader toegelicht. Bovendien is niet gebleken dat hij hierover heeft geklaagd. 5.31. Wat betreft de reiskostenvergoeding heeft Geels aangevoerd dat partijen een vaste reiskostenvergoeding zijn overeengekomen en dat [verzoeker] het maximum van die vergoeding al had bereikt. Weliswaar stelt [verzoeker] dat dit anders is, maar dit heeft hij slechts onderbouwd met een verklaring van hemzelf. Dat is onvoldoende. 5.32. De kantonrechter kan dus niet tot de conclusie komen dat [verzoeker] wat betreft zijn beloning of reiskostenvergoeding niet correct is behandeld door Geels. Wijzigingen in takenpakket 5.33. [verzoeker] stelt nog dat er zonder overleg of inspraak vooraf wijzigingen in zijn takenpakket werden doorgevoerd, maar die (betwiste) stelling heeft hij niet nader toegelicht, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Gang van zaken rond ziekte en re-integratie Bureaustoel 5.34. [verzoeker] stelt in het kader van het niet nakomen van re-integratieverplichtingen door Geels onder meer dat zijn bureaustoel niet tijdig is vervangen. De kantonrechter verwijst op dit punt naar wat zij hierover onder 5.5. al heeft overwogen. Geen contact tijdens de eerste ziektemaanden 5.35. [verzoeker] verwijt Geels dat zij, in strijd met het advies van de bedrijfsarts van 23 december 2024, gedurende de eerste vier maanden van zijn ziekteperiode geen contact met hem heeft onderhouden. Geels heeft dat betwist. 5.36. De kantonrechter stelt vast dat de bedrijfsarts op 23 december 2024 heeft geadviseerd dat partijen regelmatig contact met elkaar blijven houden vanuit sociaal oogpunt. Geels heeft haar verweer dat zij dit wel degelijk heeft gedaan onderbouwd met Whatsapp-berichten van 5 maart 2025 en 29 juli 2025. Dat zij in de periode tussen 23 december 2024 en 5 maart 2025 contact met [verzoeker] heeft onderhouden is echter uit niets gebleken, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat dit niet is gebeurd. Hiervan valt Geels weliswaar een verwijt te maken, maar van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Geels is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Datzelfde geldt voor zover er in de eerste maanden van de voorgaande ziekteperiode geen contact is onderhouden door Geels. Plan van aanpak 5.37. [verzoeker] verwijt Geels dat zij het plan van aanpak te laat heeft opgesteld en (met name onder nummer 20, versie 14 juli 2025) onjuist heeft ingevuld. 5.38. Geels voert aan dat het plan van aanpak weliswaar op papier te laat is ingediend, maar dat dit vanaf het begin duidelijk was: eerst zou [verzoeker] de tijd krijgen om te herstellen en vervolgens zou een gesprek tussen partijen worden gevoerd in bijzijn van een derde (het gesprek van 22 mei 2025). Daar is ook naar gehandeld. [verzoeker] heeft dat op zichzelf niet weersproken. 5.39. De kantonrechter is van oordeel dat Geels voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen kwade bedoelingen heeft gehad met het niet tijdig indienen van het plan van aanpak. Dat blijkt ook uit de e-mail van [betrokkene 1] van 4 juli 2025 (onder 2.9 van de feiten) waarin zij aangeeft dat zij geen stress bij [verzoeker] wilde veroorzaken en naar een oplossing zocht. 5.40. [verzoeker] heeft ook niet voldoende toegelicht of aannemelijk gemaakt dat Geels het plan van aanpak onjuist heeft ingevuld. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat het hem met name gaat om punt 20 van het plan van aanpak (versie 14 juli 2025), waarin staat dat [verzoeker] zich uit eigen beweging tot een zakenpartner (Götz) heeft gewend waarop hij een reprimande heeft ontvangen van het management. Deze passage in het plan van aanpak stemt echter overeen met de daadwerkelijke gang van zaken (zoals hiervoor beschreven onder 5.19.). Daarom kan niet worden gezegd dat Geels dit ten onrechte heeft opgeschreven. Ook is niet gebleken dat Geels (zoals [verzoeker] heeft aangevoerd) aanvankelijk (opzettelijk) een aantal in te vullen velden van het plan van aanpak had weggelaten. Naar Geels onweersproken heeft toegelicht werden bepaalde velden niet geopend als bij vragen een bepaald antwoord werd gegeven. 5.41.