Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-03
ECLI:NL:RBNHO:2026:2855
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
14,180 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2855 text/xml public 2026-04-17T16:38:49 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-03 15/335113-24 en 15/390565-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2855 text/html public 2026-04-17T16:38:23 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2855 Rechtbank Noord-Holland , 03-03-2026 / 15/335113-24 en 15/390565-24 MK Jeugdstraf. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, heeft in vereniging een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen teweeggebracht en een boksbeugel en airsoft wapen voorhanden gehad. Niet-ontvankelijkheidsverklaring van (het immateriële deel van) de vorderingen van de slachtoffers van de ontploffing, wegens het ontbreken van een grondslag voor schadevergoeding. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie & Jeugd Locatie Haarlem Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummers: 15/390565-24 en 15/335113-24 (ttz. gev.) Uitspraakdatum: 3 maart 2026 Tegenspraak Vonnis (P) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 17 februari 2026 in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] . De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] . Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat: de verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar; [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad); [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering) naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is onder parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 7 december 2024 te Hoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan [adres] door bij voornoemd pand een vuurwerk-brandstof-combinatie, in elk geval een explosief tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand gelegen aan [adres] en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of de in de directe nabijheid van dat/die pand[en] geparkeerd staande voertuigen te duchten was. Aan de verdachte is onder parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Hoorn [de benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [de benadeelde partij 1] ; - een of meerdere malen bij de nek vast te pakken en/of op de grond te gooien en/of duwen en/of; - een of meerdere malen bij de keel vast te pakken en/of; - een of meerdere malen de keel dicht te knijpen; 2. hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere airsoft wapens voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen; 3. hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. 3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 15/390565-24 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de ten laste gelegde onderdelen ‘vuurwerk-brandstof-combinatie’ en ‘het gemeen gevaar voor aangrenzende panden en de in de directe nabijheid geparkeerd staande voertuigen’. Ook ten aanzien van de bewezenverklaring van alle onder het parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onder 1. ten laste gelegde onderdeel ‘een of meerdere malen de keel dicht te knijpen’. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van voornoemde onderdelen moet worden vrijgesproken. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/390565-24 en alle onder parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten. 3.3.2. Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 in zaak 15/335113-24 De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde feit en de door de verdediging bepleite partiële vrijspraak van het onderdeel ‘een of meerdere malen de keel dicht te knijpen’ het volgende. Aangeefster [de benadeelde partij 1] heeft bij de politie verklaard dat zij op 29 juli 2024 samen met haar vriendin, [vriendin] , in het skatepark zat, toen de verdachte uit het niets op haar af kwam gerend. De aangeefster probeerde tevergeefs weg te rennen voor de verdachte, maar kon niet voorkomen dat de verdachte haar bij de nek vastgreep. De aangeefster kwam hierdoor ten val. Terwijl de aangeefster op de grond lag, heeft de verdachte haar nek zo hard dichtgeknepen, dat zij licht werd in haar hoofd en niet meer helder kon nadenken. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [vriendin] . Zij heeft verklaard dat de verdachte de aangeefster aan de voorkant van haar nek vastpakte, haar op de grond gooide en zijn hand – toen de aangeefster op de grond lag – nog steeds op haar keel had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de keel van de aangeefster heeft dichtgeknepen en niet, zoals hij zelf verklaard heeft, slechts een duw ter hoogte van haar nek of borst heeft gegeven. Dat de aangeefster geen schrammen of ander letsel aan de voorkant van haar nek heeft opgelopen, doet niet af aan de verklaring van de aangeefster en wat [vriendin] heeft gezien. Het verweer van de verdediging hieromtrent houdt dan ook geen stand. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij op 7 december 2024 te Hoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand (woning), gelegen aan [adres] door bij voornoemd pand een explosief tot ontsteking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand gelegen aan [adres] en het in de directe nabijheid van dat pand geparkeerd staande voertuig te duchten was. De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat 1. hij op 29 juli 2024 te Hoorn, [de benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [de benadeelde partij 1] ; bij de nek vast te pakken en op de grond te gooien en duwen en; bij de keel vast te pakken en; de keel dicht te knijpen; 2. hij op 30 juli 2024 te gemeente Hoorn, een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een airsoft wapen voorhanden heeft gehad; 3. hij op 30 juli 2024 te gemeente Hoorn, een wapen, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders aan de verdachte ten laste is gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2855 text/xml public 2026-04-17T16:38:49 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-03 15/335113-24 en 15/390565-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2855 text/html public 2026-04-17T16:38:23 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2855 Rechtbank Noord-Holland , 03-03-2026 / 15/335113-24 en 15/390565-24 MK Jeugdstraf. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, heeft in vereniging een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen teweeggebracht en een boksbeugel en airsoft wapen voorhanden gehad. Niet-ontvankelijkheidsverklaring van (het immateriële deel van) de vorderingen van de slachtoffers van de ontploffing, wegens het ontbreken van een grondslag voor schadevergoeding. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie & Jeugd Locatie Haarlem Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummers: 15/390565-24 en 15/335113-24 (ttz. gev.) Uitspraakdatum: 3 maart 2026 Tegenspraak Vonnis (P) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 17 februari 2026 in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] . De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] . Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat: de verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar; [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad); [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering) naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is onder parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 7 december 2024 te Hoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan [adres] door bij voornoemd pand een vuurwerk-brandstof-combinatie, in elk geval een explosief tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand gelegen aan [adres] en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of de in de directe nabijheid van dat/die pand[en] geparkeerd staande voertuigen te duchten was. Aan de verdachte is onder parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Hoorn [de benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [de benadeelde partij 1] ; - een of meerdere malen bij de nek vast te pakken en/of op de grond te gooien en/of duwen en/of; - een of meerdere malen bij de keel vast te pakken en/of; - een of meerdere malen de keel dicht te knijpen; 2. hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere airsoft wapens voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen; 3. hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Zwaag, gemeente Hoorn, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. 3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 15/390565-24 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de ten laste gelegde onderdelen ‘vuurwerk-brandstof-combinatie’ en ‘het gemeen gevaar voor aangrenzende panden en de in de directe nabijheid geparkeerd staande voertuigen’. Ook ten aanzien van de bewezenverklaring van alle onder het parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onder 1. ten laste gelegde onderdeel ‘een of meerdere malen de keel dicht te knijpen’. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van voornoemde onderdelen moet worden vrijgesproken. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/390565-24 en alle onder parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten. 3.3.2. Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 in zaak 15/335113-24 De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde feit en de door de verdediging bepleite partiële vrijspraak van het onderdeel ‘een of meerdere malen de keel dicht te knijpen’ het volgende. Aangeefster [de benadeelde partij 1] heeft bij de politie verklaard dat zij op 29 juli 2024 samen met haar vriendin, [vriendin] , in het skatepark zat, toen de verdachte uit het niets op haar af kwam gerend. De aangeefster probeerde tevergeefs weg te rennen voor de verdachte, maar kon niet voorkomen dat de verdachte haar bij de nek vastgreep. De aangeefster kwam hierdoor ten val. Terwijl de aangeefster op de grond lag, heeft de verdachte haar nek zo hard dichtgeknepen, dat zij licht werd in haar hoofd en niet meer helder kon nadenken. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [vriendin] . Zij heeft verklaard dat de verdachte de aangeefster aan de voorkant van haar nek vastpakte, haar op de grond gooide en zijn hand – toen de aangeefster op de grond lag – nog steeds op haar keel had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de keel van de aangeefster heeft dichtgeknepen en niet, zoals hij zelf verklaard heeft, slechts een duw ter hoogte van haar nek of borst heeft gegeven. Dat de aangeefster geen schrammen of ander letsel aan de voorkant van haar nek heeft opgelopen, doet niet af aan de verklaring van de aangeefster en wat [vriendin] heeft gezien. Het verweer van de verdediging hieromtrent houdt dan ook geen stand. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij op 7 december 2024 te Hoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand (woning), gelegen aan [adres] door bij voornoemd pand een explosief tot ontsteking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand gelegen aan [adres] en het in de directe nabijheid van dat pand geparkeerd staande voertuig te duchten was. De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat 1. hij op 29 juli 2024 te Hoorn, [de benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [de benadeelde partij 1] ; bij de nek vast te pakken en op de grond te gooien en duwen en; bij de keel vast te pakken en; de keel dicht te knijpen; 2. hij op 30 juli 2024 te gemeente Hoorn, een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een airsoft wapen voorhanden heeft gehad; 3. hij op 30 juli 2024 te gemeente Hoorn, een wapen, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders aan de verdachte ten laste is gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Volledig
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: 15/335113-24: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; 15/390565-24 feit 1: mishandeling; 15/390565-24 feit 2: handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid van de Wet wapens en munitie; 15/390565-24 feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 6 Motivering van de sanctie 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 100 (honderd) dagen, waarvan 78 (achtenzeventig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, subsidiair 40 (veertig) dagen jeugddetentie. 6.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat oplegging van een werkstraf van 80 (tachtig) uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 36 (zesendertig) uren voorwaardelijk, in dit geval passend is. De verdediging vreest dat de oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf de positieve ontwikkelingen van de verdachte zal doorkruizen en ook geen pedagogisch effect op hem zal hebben. 6.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen sanctie rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. 6.3.1. Aard en ernst van het feit De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. Daartoe is de verdachte op de vroege ochtend van 7 december 2024 met anderen naar de woning van de aangevers gefietst om aldaar een cobra tot ontploffing te brengen, kennelijk vanwege een ogenschijnlijk gering conflict. Het lijkt erop dat de verdachte niets met dat conflict te maken had, maar toch reden heeft gezien om zich op deze nare wijze met het conflict te bemoeien. De ontploffing heeft schade aan de woning veroorzaakt en gevoelens van onrust en onveiligheid bij de bewoners van de woning teweeggebracht, zoals blijkt uit hun vorderingen tot schadevergoeding. Dat de verdachte hieraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd, rekent de rechtbank hem aan. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-vriendin op klaarlichte dag in een park. Dat is niet alleen (fysiek) pijnlijk en vernederend, maar het heeft ook geleid tot angst en paniekaanvallen bij het slachtoffer, zoals blijkt uit haar vordering tot schadevergoeding. Voor deze gevolgen is de verdachte verantwoordelijk. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel en een airsoft wapen. Hij had daarmee wapens in zijn bezit waarmee ernstige vrees kan worden veroorzaakt en potentieel aanzienlijk letsel kon worden toegebracht. 6.3.2. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de rechtbank is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 9 februari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Hij is recent begonnen aan een fulltime baan en heeft de afgelopen periode met de hulpverlening van El Caminar onder meer gewerkt aan het vergroten van zijn vaardigheden en inzicht in de gevolgen van zijn acties. Op de meeste vlakken gaat het dan ook veel beter met de verdachte. Wel vindt de Raad het belangrijk dat aandacht blijft voor de vaardigheden en dagbesteding van de verdachte en dat hij een consequentie ervaart van zijn delictgedrag. De Raad adviseert daarom tot oplegging van jeugddetentie voor de duur gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf. Gelet op de positieve ontwikkelingen van de verdachte, zijn medewerking aan de geboden begeleiding en hulpverlening en de omstandigheid dat hij gedurende de periode dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst niet opnieuw in beeld is gekomen bij politie en justitie, ziet de Raad geen meerwaarde in het continueren van het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering. De Raad heeft zijn advies op de terechtzitting gehandhaafd. Namens de jeugdreclassering is op de terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte het afgelopen jaar, mede door de hulp van El Caminar, een voor hem te hanteren copingmechanisme heeft ontwikkeld, waardoor hij zich op zijn manier staande kan houden in de maatschappij. Daarmee heeft de verdachte zijn doelen binnen het reclasseringstoezicht behaald. De jeugdreclassering schaart zich dan ook achter het advies van de Raad. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank verder ten voordele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij in de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank weegt ook mee dat de redelijke termijn in de zaak met parketnummer 15/335113-24 met drie maanden is overschreden. 6.3.3. Op te leggen sanctie De rechtbank merkt op dat de officier van justitie met haar strafeis, gebaseerd op het (naar de rechtbank begrijpt) Amsterdamse uitgangspunt, kennelijk een ander vertrekpunt dan de rechtbank hanteert. Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank voor wat betreft het veroorzaken van de ontploffing als vertrekpunt aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken voor brandstichting (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) met aanzienlijke schade voor goederen. Daarbij heeft de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden meegenomen dat het feit in vereniging is gepleegd en dat de verdachte daarbij, door het aansteken van het vuurwerk bij de woning, een cruciale rol heeft gespeeld. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal ook bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van deze werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht. De rechtbank zal voorts bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 18 (achttien) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid. 6.3.4. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal het geschorste bevel tot gevangenhouding van de verdachte opheffen. 7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel 7.1.
Volledig
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: 15/335113-24: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; 15/390565-24 feit 1: mishandeling; 15/390565-24 feit 2: handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid van de Wet wapens en munitie; 15/390565-24 feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 6 Motivering van de sanctie 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 100 (honderd) dagen, waarvan 78 (achtenzeventig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, subsidiair 40 (veertig) dagen jeugddetentie. 6.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat oplegging van een werkstraf van 80 (tachtig) uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 36 (zesendertig) uren voorwaardelijk, in dit geval passend is. De verdediging vreest dat de oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf de positieve ontwikkelingen van de verdachte zal doorkruizen en ook geen pedagogisch effect op hem zal hebben. 6.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen sanctie rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. 6.3.1. Aard en ernst van het feit De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. Daartoe is de verdachte op de vroege ochtend van 7 december 2024 met anderen naar de woning van de aangevers gefietst om aldaar een cobra tot ontploffing te brengen, kennelijk vanwege een ogenschijnlijk gering conflict. Het lijkt erop dat de verdachte niets met dat conflict te maken had, maar toch reden heeft gezien om zich op deze nare wijze met het conflict te bemoeien. De ontploffing heeft schade aan de woning veroorzaakt en gevoelens van onrust en onveiligheid bij de bewoners van de woning teweeggebracht, zoals blijkt uit hun vorderingen tot schadevergoeding. Dat de verdachte hieraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd, rekent de rechtbank hem aan. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-vriendin op klaarlichte dag in een park. Dat is niet alleen (fysiek) pijnlijk en vernederend, maar het heeft ook geleid tot angst en paniekaanvallen bij het slachtoffer, zoals blijkt uit haar vordering tot schadevergoeding. Voor deze gevolgen is de verdachte verantwoordelijk. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel en een airsoft wapen. Hij had daarmee wapens in zijn bezit waarmee ernstige vrees kan worden veroorzaakt en potentieel aanzienlijk letsel kon worden toegebracht. 6.3.2. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de rechtbank is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 9 februari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Hij is recent begonnen aan een fulltime baan en heeft de afgelopen periode met de hulpverlening van El Caminar onder meer gewerkt aan het vergroten van zijn vaardigheden en inzicht in de gevolgen van zijn acties. Op de meeste vlakken gaat het dan ook veel beter met de verdachte. Wel vindt de Raad het belangrijk dat aandacht blijft voor de vaardigheden en dagbesteding van de verdachte en dat hij een consequentie ervaart van zijn delictgedrag. De Raad adviseert daarom tot oplegging van jeugddetentie voor de duur gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf. Gelet op de positieve ontwikkelingen van de verdachte, zijn medewerking aan de geboden begeleiding en hulpverlening en de omstandigheid dat hij gedurende de periode dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst niet opnieuw in beeld is gekomen bij politie en justitie, ziet de Raad geen meerwaarde in het continueren van het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering. De Raad heeft zijn advies op de terechtzitting gehandhaafd. Namens de jeugdreclassering is op de terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte het afgelopen jaar, mede door de hulp van El Caminar, een voor hem te hanteren copingmechanisme heeft ontwikkeld, waardoor hij zich op zijn manier staande kan houden in de maatschappij. Daarmee heeft de verdachte zijn doelen binnen het reclasseringstoezicht behaald. De jeugdreclassering schaart zich dan ook achter het advies van de Raad. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank verder ten voordele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij in de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank weegt ook mee dat de redelijke termijn in de zaak met parketnummer 15/335113-24 met drie maanden is overschreden. 6.3.3. Op te leggen sanctie De rechtbank merkt op dat de officier van justitie met haar strafeis, gebaseerd op het (naar de rechtbank begrijpt) Amsterdamse uitgangspunt, kennelijk een ander vertrekpunt dan de rechtbank hanteert. Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank voor wat betreft het veroorzaken van de ontploffing als vertrekpunt aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken voor brandstichting (artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) met aanzienlijke schade voor goederen. Daarbij heeft de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden meegenomen dat het feit in vereniging is gepleegd en dat de verdachte daarbij, door het aansteken van het vuurwerk bij de woning, een cruciale rol heeft gespeeld. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal ook bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van deze werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht. De rechtbank zal voorts bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 18 (achttien) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid. 6.3.4. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal het geschorste bevel tot gevangenhouding van de verdachte opheffen. 7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel 7.1.
Volledig
Vorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.041,96 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade van € 41,96 (buitenlamp), en wegens immateriële schade van € 3.000,-, die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. Daarnaast heeft de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. 7.1.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. 7.1.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] in hun respectievelijke vorderingen tot vergoeding van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, wegens een gebrek aan een direct causaal verband tussen het delict en een aantoonbare aantasting van de personen. Subsidiair is verzocht de gevorderde bedragen voor de immateriële schade fors te matigen. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] , heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, wegens onvoldoende onderbouwing. 7.1.3. Oordeel van de rechtbank 7.1.3.1. Materiële schade van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit (kort gezegd: het teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen). Dit deel van de vordering zal daarom tot een bedrag van € 41,96 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding voor dit deel van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. 7.1.3.2. Immateriële schade van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van beide benadeelde partijen voldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in hun geval van toepassing is. De rechtbank overweegt hierbij dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, het medeplegen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen. De omstandigheid dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde zijn geschrokken, stressklachten hebben ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid hebben gekregen waardoor zij hun woning eerder hebben verkocht – hoe voorstelbaar ook – vormt onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de ontploffing met gemeen gevaar voor goederen voor de benadeelden zodanig voor de hand liggen dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hoewel de ontploffing direct aan de woning van de benadeelde partijen heeft plaatsgevonden, zij hier pas de volgende ochtend wat van hebben gemerkt. Het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] zal daarom in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 7.2. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1] De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.211,24 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade van € 211,24 (Samsung telefoon) en immateriële schade van € 7.000,-, die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/335113-24 onder 1. ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. 7.2.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade moet worden afgewezen, nu geen sprake is van rechtstreekse schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens onvoldoende onderbouwing daarvan. 7.2.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien de benadeelde partij de vordering onvoldoende heeft onderbouwd en het gestelde causale verband tussen het tenlastegelegde en de gevorderde materiële schade niet is gebleken. Het lijkt er immers op dat de gestelde schade van de benadeelde partij niet slechts ziet op de bewezen verklaarde mishandeling, maar op andere feiten waarvan de benadeelde partij aangifte heeft gedaan. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Desgewenst kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 8 Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 157, 300 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13, 26, 54, 55 van de Wet wapens en munitie.
Volledig
Vorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.041,96 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade van € 41,96 (buitenlamp), en wegens immateriële schade van € 3.000,-, die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. Daarnaast heeft de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. 7.1.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. 7.1.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] in hun respectievelijke vorderingen tot vergoeding van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, wegens een gebrek aan een direct causaal verband tussen het delict en een aantoonbare aantasting van de personen. Subsidiair is verzocht de gevorderde bedragen voor de immateriële schade fors te matigen. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] , heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, wegens onvoldoende onderbouwing. 7.1.3. Oordeel van de rechtbank 7.1.3.1. Materiële schade van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit (kort gezegd: het teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen). Dit deel van de vordering zal daarom tot een bedrag van € 41,96 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding voor dit deel van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. 7.1.3.2. Immateriële schade van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van beide benadeelde partijen voldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in hun geval van toepassing is. De rechtbank overweegt hierbij dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, het medeplegen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen. De omstandigheid dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde zijn geschrokken, stressklachten hebben ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid hebben gekregen waardoor zij hun woning eerder hebben verkocht – hoe voorstelbaar ook – vormt onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de ontploffing met gemeen gevaar voor goederen voor de benadeelden zodanig voor de hand liggen dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hoewel de ontploffing direct aan de woning van de benadeelde partijen heeft plaatsgevonden, zij hier pas de volgende ochtend wat van hebben gemerkt. Het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] zal daarom in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 7.2. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1] De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.211,24 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade van € 211,24 (Samsung telefoon) en immateriële schade van € 7.000,-, die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/335113-24 onder 1. ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule. 7.2.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade moet worden afgewezen, nu geen sprake is van rechtstreekse schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering wegens onvoldoende onderbouwing daarvan. 7.2.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien de benadeelde partij de vordering onvoldoende heeft onderbouwd en het gestelde causale verband tussen het tenlastegelegde en de gevorderde materiële schade niet is gebleken. Het lijkt er immers op dat de gestelde schade van de benadeelde partij niet slechts ziet op de bewezen verklaarde mishandeling, maar op andere feiten waarvan de benadeelde partij aangifte heeft gedaan. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Desgewenst kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 8 Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 157, 300 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13, 26, 54, 55 van de Wet wapens en munitie.
Volledig
9 Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit en alle onder parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 190 (honderdnegentig) uren , bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 50 (vijftig) uren , bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren . Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht 2 (twee) uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht. Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 18 (achttien) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid. Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] geleden materiële schade tot een bedrag van € 41,96 , en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart niet-ontvankelijk het door de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] meer of anders als immateriële schade gevorderde. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade. Bepaalt dat de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade. Bepaalt dat de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Heft op het reeds geschorste bevel tot gevangenhouding van de verdachte. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Mireku, voorzitter, mrs. C.E. Voskens en T. Fuchs, allen (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026. Mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledig
9 Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15/390565-24 ten laste gelegde feit en alle onder parketnummer 15/335113-24 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 190 (honderdnegentig) uren , bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 50 (vijftig) uren , bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren . Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht 2 (twee) uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht. Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 18 (achttien) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid. Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] geleden materiële schade tot een bedrag van € 41,96 , en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart niet-ontvankelijk het door de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] meer of anders als immateriële schade gevorderde. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade. Bepaalt dat de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade. Bepaalt dat de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Heft op het reeds geschorste bevel tot gevangenhouding van de verdachte. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Mireku, voorzitter, mrs. C.E. Voskens en T. Fuchs, allen (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026. Mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.