Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-18
ECLI:NL:RBNHO:2026:2671
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,477 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNHO:2026:2671 text/xml public 2026-04-02T08:09:36 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-18 11858842 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2671 text/html public 2026-04-02T08:09:10 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2671 Rechtbank Noord-Holland , 18-03-2026 / 11858842 Medische behandelingsovereenkomst. Vordering tot betaling van factuur wordt toegewezen. De gedaagde partij heeft onderbouwd dat hij ten tijde van de behandelingen voor de kosten daarvan verzekerd was RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11858842 \ CV EXPL 25-5682 Vonnis van 18 maart 2026 in de zaak van de stichting , STICHTING OLVG , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: OLVG, gemachtigde: LAVG BV (Groningen), tegen [gedaagde] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. Partijen hebben een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [gedaagde] op 23 en 30 januari 2023 een medische behandeling bij OLVG heeft ondergaan. 2.2. OLVG heeft op 5 juni 2023 een bedrag van € 1.555,01 aan [gedaagde] gefactureerd. 2.3. [gedaagde] heeft de factuur van OLGV, ondanks aanmaningen, onbetaald gelaten. 3 Het geschil 3.1. OLVG vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.765,48, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.555,01 en de proceskosten. OLVG heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij op 23 en 30 januari 2023 in opdracht en voor rekening van [gedaagde] medische handelingen heeft verricht. De kosten worden niet door de zorgverzekeraar van [gedaagde] vergoed, aangezien [gedaagde] ten tijde van de behandelingen niet verzekerd was. [gedaagde] is in zijn betalingsverplichting tekortgeschoten. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van OLVG. Volgens [gedaagde] was hij tegen ziektekosten verzekerd bij CZ, zodat de verzekeraar de kosten van de medische handelingen dient te betalen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de gefactureerde behandelingen heeft ondergaan. In deze zaak ligt de vraag voor of [gedaagde] gehouden is de factuur te voldoen, dan wel of OLVG zich daarvoor tot een andere partij (de verzekeraar) dient te wenden. Tussen partijen is niet in geschil dat dit het geval is indien vast komt te staan dat [gedaagde] ten tijde van de behandelingen verzekerd was. De bewijslast ter zake rust op [gedaagde]. 4.2. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de behandelingen op 23 en 30 januari 2023 voor de kosten daarvan verzekerd was bij CZ onder relatienummer [nummer]. CZ heeft op 13 januari van dat jaar de zorgpremie van € 161,10 van zijn bankrekening afgeschreven. Wel is het zo dat CZ in maart van datzelfde jaar de premiebetaling heeft teruggedraaid, omdat zij niet op de hoogte was van het verblijf van [gedaagde] in het ziekenhuis. Daardoor is volgens [gedaagde] een misverstand ontstaan, waar de litigieuze factuur op berust. [gedaagde] zou de medische behandeling niet zijn ondergaan als hij op dat moment niet verzekerd was geweest. 4.3. OLVG heeft bij conclusie van repliek een schermafdruk uit het systeem ‘Vecozo’ overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] tussen 23 oktober 2022 en 22 mei 2023 niet verzekerd was. De kantonrechter is van oordeel dat OLVG daarmee de stelling van [gedaagde] dat hij ten tijde van de behandelingen verzekerd was voldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op 23 en 30 januari 2023 wél verzekerd was. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij ten tijde van de behandelingen voor de kosten daarvan verzekerd was. De kantonrechter gaat aan het bewijsaanbod van [gedaagde] voorbij, omdat [gedaagde] voldoende gelegenheid heeft gehad om de bewijsstukken bij conclusie van antwoord of bij conclusie van dupliek over te leggen. 4.4. De conclusie is dat [gedaagde] de factuur van OLVG moet betalen. De kantonrechter overweegt nog dat OLVG buiten het (eventuele) ‘misverstand’ tussen [gedaagde] en CZ staat. Indien [gedaagde] vindt dat CZ de kosten van de behandelingen desondanks aan hem dient te vergoeden, zal hij zich hiervoor zelf tot CZ moeten richten. Naast de in de dagvaarding berekende rente, zal de verdere (wettelijke) rente worden toegewezen zoals onder de beslissing vermeld. 4.5. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van OLVG worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 385,00 - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.073,64 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan OLVG te betalen een bedrag van € 1.765,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.555,01, met ingang van 15 juli 2025, tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.073,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op18 maart 2026. De griffier De kantonrechter