Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-24
ECLI:NL:RBNHO:2026:2564
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,996 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2564 text/xml public 2026-04-28T13:41:59 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-24 AWB - 25 _ 199 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/652 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2564 text/html public 2026-04-20T14:13:43 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2564 Rechtbank Noord-Holland , 24-02-2026 / AWB - 25 _ 199 Motorrijtuigenbelasting. Terwijl het kenteken van de auto van belanghebbende was geschorst stond de auto op een parkeerplaats waarvan in geschil is of die behoort tot de openbare weg. Het desbetreffende parkeerterrein niet is voorzien van borden of hekken, slagbomen of andere fysieke barrières die een vrije toegang van het verkeer tot de parkeerplaats verhinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de parkeerplaats toegankelijk is voor het openbare rijverkeer en daarom behoort tot de openbare weg. De naheffingsaanslag is dus terecht opgelegd. Beroep ongegrond. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/199 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 711, alsmede bij beschikking een boete van € 355. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026 te Haarlem. Aldaar is de gemachtigde van belanghebbende verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Belanghebbende was van 27 oktober 2021 tot en met 20 juni 2024 houder van het voertuig (hierna: de bestelauto). Belanghebbende heeft het kenteken van de bestelauto drie keer geschorst van 23 februari 2023 tot 23 april 2023, van 4 juli 2023 tot 1 augustus 2023 en van 10 oktober 2023 tot 21 juni 2024. 2. Op 27 februari 2024 om 13.29 uur stond de bestelauto geparkeerd op een parkeerplaats naast [X] in [woonplaats] (hierna: de parkeerplaats), het parkeerterrein voor het Winkelcentrum [Y] . Verweerder heeft de naheffingsaanslag en de boete opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met het tijdsbestek in de naheffingsperiode dat de bestelauto niet was geschorst en waarvoor dus al motorrijtuigenbelasting is voldaan. 3. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd, maar de boete vanwege persoonlijke en financiële omstandigheden vernietigd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Geschil 4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat de bestelauto niet op de openbare weg stond. Belanghebbende ging er van uit dat deze parkeerplaats geen openbare weg is, maar een onderdeel van het particuliere parkeerterrein bij het winkelcentrum . Op de website www.parkopedia.nl staat dat het parkeerterrein ’s avonds ook is afgesloten. Verder kampt belanghebbende met psychische problemen, waarvoor hij na het moment van parkeren onder andere verplicht is opgenomen en onder bewind is geplaatst. Onder die omstandigheden acht belanghebbende het opleggen van een naheffingsaanslag in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. 6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en heeft daarvoor met verwijzing naar foto’s aangevoerd dat de parkeerplaats tot de openbare weg behoort omdat het desbetreffende parkeerterrein toegankelijk is voor het openbare rijverkeer. Dat de parkeerplaats particulier eigendom is maakt dit niet anders. De persoonlijke omstandigheden kunnen volgens verweerder geen reden zijn voor het achterwege laten van de heffing van motorrijtuigenbelasting. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 7. Aangaande de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd overweegt de rechtbank dat motorrijtuigenbelasting wordt geheven als het belastbare feit zich voordoet. Het belastbare feit voor de motorrijtuigenbelasting is in dit geval het houden van een bestelauto. De belasting wordt echter bij wijze van uitzondering niet geheven als het kenteken van het voertuig is geschorst, mits gedurende de schorsing met het voertuig geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. Wordt tijdens een schorsing toch gebruik gemaakt van de openbare weg, dan kan, op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet mrb), de belasting worden nageheven. De openbare weg is elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten (artikel 5 van de Wet mrb). Of de weg met genoemde aanhorigheden een particulier eigendom is, is daarbij niet van belang. 8. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat belanghebbende door zijn psychische problemen (grote) financiële aankopen doet waardoor hij onder andere is komen te beschikken over een groot wagenpark. Deze beroepsprocedure ziet op de naheffingsaanslag voor de onderhavige bestelauto. Belanghebbende heeft, zo blijkt uit de toelichting op zitting, de bestelauto rond de jaarwisseling van 2023 op 2024 naar de parkeerplaats gereden om daar te parkeren. Tussen partijen is niet in geschil dat dit parkeerterrein waarop belanghebbende de bestelauto had geparkeerd niet is voorzien van borden of hekken, slagbomen of andere fysieke barrières die een vrije toegang van het verkeer tot de parkeerplaats verhinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de parkeerplaats toegankelijk is voor het openbare rijverkeer. De parkeerplaats behoort dus tot de openbare weg. Niet alleen stond de bestelauto dus geparkeerd op de openbare weg, maar belanghebbende heeft daaraan voorafgaand ook tijdens deze schorsing met de bestelauto gereden op de openbare weg. Op grond van artikel 35 van de Wet mrb bestaat daarom aanleiding tot het naheffen van motorrijtuigenbelasting. Dat belanghebbende, toen hij de bestelauto op de parkeerplaats parkeerde, zich niet realiseerde dat de parkeerplaats volgens de Wet mrb behoort tot de openbare weg, is geen reden af te zien van naheffing. Dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, leidt ertoe dat belanghebbende als houder van de bestelauto in de heffing wordt betrokken. Verweerder heeft daarom terecht een naheffingsaanslag opgelegd. Weliswaar is artikel 35, eerste lid, van de Wet mrb een discretionaire bevoegdheid (zogenoemde “kan-bepaling”), maar naar verweerder op zitting terecht heeft aangevoerd wordt ter voorkoming van willekeur in een geval als het onderhavige altijd een naheffingsaanslag opgelegd. Dat verweerder dus niet heeft afgezien van het opleggen van de naheffingsaanslag, is niet onrechtmatig (zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 24 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11829, onder 14). 9. Belanghebbende heeft te kampen met psychische problemen. In dit kader heeft belanghebbende een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat de schorsingen van het kenteken en daarop volgende overtredingen van de schorsingsvoorwaarden hem vanwege zijn psychische problemen niet kunnen worden tegengeworpen, kan dit niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2564 text/xml public 2026-04-28T13:41:59 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-24 AWB - 25 _ 199 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/652 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2564 text/html public 2026-04-20T14:13:43 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2564 Rechtbank Noord-Holland , 24-02-2026 / AWB - 25 _ 199 Motorrijtuigenbelasting. Terwijl het kenteken van de auto van belanghebbende was geschorst stond de auto op een parkeerplaats waarvan in geschil is of die behoort tot de openbare weg. Het desbetreffende parkeerterrein niet is voorzien van borden of hekken, slagbomen of andere fysieke barrières die een vrije toegang van het verkeer tot de parkeerplaats verhinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de parkeerplaats toegankelijk is voor het openbare rijverkeer en daarom behoort tot de openbare weg. De naheffingsaanslag is dus terecht opgelegd. Beroep ongegrond. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/199 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 711, alsmede bij beschikking een boete van € 355. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026 te Haarlem. Aldaar is de gemachtigde van belanghebbende verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Belanghebbende was van 27 oktober 2021 tot en met 20 juni 2024 houder van het voertuig (hierna: de bestelauto). Belanghebbende heeft het kenteken van de bestelauto drie keer geschorst van 23 februari 2023 tot 23 april 2023, van 4 juli 2023 tot 1 augustus 2023 en van 10 oktober 2023 tot 21 juni 2024. 2. Op 27 februari 2024 om 13.29 uur stond de bestelauto geparkeerd op een parkeerplaats naast [X] in [woonplaats] (hierna: de parkeerplaats), het parkeerterrein voor het Winkelcentrum [Y] . Verweerder heeft de naheffingsaanslag en de boete opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met het tijdsbestek in de naheffingsperiode dat de bestelauto niet was geschorst en waarvoor dus al motorrijtuigenbelasting is voldaan. 3. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd, maar de boete vanwege persoonlijke en financiële omstandigheden vernietigd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Geschil 4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat de bestelauto niet op de openbare weg stond. Belanghebbende ging er van uit dat deze parkeerplaats geen openbare weg is, maar een onderdeel van het particuliere parkeerterrein bij het winkelcentrum . Op de website www.parkopedia.nl staat dat het parkeerterrein ’s avonds ook is afgesloten. Verder kampt belanghebbende met psychische problemen, waarvoor hij na het moment van parkeren onder andere verplicht is opgenomen en onder bewind is geplaatst. Onder die omstandigheden acht belanghebbende het opleggen van een naheffingsaanslag in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. 6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en heeft daarvoor met verwijzing naar foto’s aangevoerd dat de parkeerplaats tot de openbare weg behoort omdat het desbetreffende parkeerterrein toegankelijk is voor het openbare rijverkeer. Dat de parkeerplaats particulier eigendom is maakt dit niet anders. De persoonlijke omstandigheden kunnen volgens verweerder geen reden zijn voor het achterwege laten van de heffing van motorrijtuigenbelasting. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 7. Aangaande de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd overweegt de rechtbank dat motorrijtuigenbelasting wordt geheven als het belastbare feit zich voordoet. Het belastbare feit voor de motorrijtuigenbelasting is in dit geval het houden van een bestelauto. De belasting wordt echter bij wijze van uitzondering niet geheven als het kenteken van het voertuig is geschorst, mits gedurende de schorsing met het voertuig geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. Wordt tijdens een schorsing toch gebruik gemaakt van de openbare weg, dan kan, op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet mrb), de belasting worden nageheven. De openbare weg is elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten (artikel 5 van de Wet mrb). Of de weg met genoemde aanhorigheden een particulier eigendom is, is daarbij niet van belang. 8. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat belanghebbende door zijn psychische problemen (grote) financiële aankopen doet waardoor hij onder andere is komen te beschikken over een groot wagenpark. Deze beroepsprocedure ziet op de naheffingsaanslag voor de onderhavige bestelauto. Belanghebbende heeft, zo blijkt uit de toelichting op zitting, de bestelauto rond de jaarwisseling van 2023 op 2024 naar de parkeerplaats gereden om daar te parkeren. Tussen partijen is niet in geschil dat dit parkeerterrein waarop belanghebbende de bestelauto had geparkeerd niet is voorzien van borden of hekken, slagbomen of andere fysieke barrières die een vrije toegang van het verkeer tot de parkeerplaats verhinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de parkeerplaats toegankelijk is voor het openbare rijverkeer. De parkeerplaats behoort dus tot de openbare weg. Niet alleen stond de bestelauto dus geparkeerd op de openbare weg, maar belanghebbende heeft daaraan voorafgaand ook tijdens deze schorsing met de bestelauto gereden op de openbare weg. Op grond van artikel 35 van de Wet mrb bestaat daarom aanleiding tot het naheffen van motorrijtuigenbelasting. Dat belanghebbende, toen hij de bestelauto op de parkeerplaats parkeerde, zich niet realiseerde dat de parkeerplaats volgens de Wet mrb behoort tot de openbare weg, is geen reden af te zien van naheffing. Dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, leidt ertoe dat belanghebbende als houder van de bestelauto in de heffing wordt betrokken. Verweerder heeft daarom terecht een naheffingsaanslag opgelegd. Weliswaar is artikel 35, eerste lid, van de Wet mrb een discretionaire bevoegdheid (zogenoemde “kan-bepaling”), maar naar verweerder op zitting terecht heeft aangevoerd wordt ter voorkoming van willekeur in een geval als het onderhavige altijd een naheffingsaanslag opgelegd. Dat verweerder dus niet heeft afgezien van het opleggen van de naheffingsaanslag, is niet onrechtmatig (zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 24 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11829, onder 14). 9. Belanghebbende heeft te kampen met psychische problemen. In dit kader heeft belanghebbende een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat de schorsingen van het kenteken en daarop volgende overtredingen van de schorsingsvoorwaarden hem vanwege zijn psychische problemen niet kunnen worden tegengeworpen, kan dit niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.