Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-03-13
ECLI:NL:RBNHO:2026:2394
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1235 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser, en de Minister van Financiën, verweerder, (gemachtigden: mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof en L. Woudenberg). Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over een afwijzing bij brief van 10 oktober 2024 op een verzoek om schadevergoeding van eiser van 25 juni 2021 voor de schade die hij vanaf 2012 tot heden heeft geleden door de registratie van zijn gegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak aan een beoordeling van de beslissing op bezwaar en de beroepsgronden van eiser niet toe. Dat komt omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat over voornoemd verzoek om schadevergoeding reeds een volledige procedure is doorlopen die is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 juli 2024 . Dit heeft verweerder bij de brief van 10 oktober 2024 en de beslissing op bezwaar van 10 januari 2025 ten onrechte niet onderkend. Het beroep is daarom wel gegrond. Hierna zal de rechtbank na een weergave van het procesverloop van de eerdere procedure over het verzoek tot schadevergoeding (onder 2) en een weergave van het procesverloop van de huidige procedure over hetzelfde verzoek (onder 3) vervolgens (onder 4 en volgende) uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop De eerdere procedure over het verzoek om vergoeding van schade van 25 juni 2021 2.1 Eiser heeft de Belastingdienst bij brief van 25 juni 2021 verzocht om vergoeding van de schade die hij vanaf 2012 tot heden heeft geleden door de registratie van zijn gegevens in de FSV. 2.2 De staatssecretaris van Financiën heeft bij brief van 28 september 2021 het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2.3 Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.4 Op 2 december 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op dat bezwaar. 2.5 Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen de brief van 28 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard. In het besluit is vermeld dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om te beslissen op verzoeken om schadevergoeding tot en met € 25.000,-- en dat bij hogere bedragen enkel de civiele rechter bevoegd is. Omdat het verzoek van eiser ziet op een hoger bedrag, is de bestuursrechter niet bevoegd en kan de staatssecretaris niet anders dan het (bestuursrechtelijke) bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. 2.6 De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 juli 2023 (HAA 21/6615) het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar nog niet was verstreken toen eiser op 2 december 2021 zijn beroepschrift indiende. De rechtbank heeft het verzoek van eiser (dat op de zitting is beperkt tot € 25.000,-.) aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 82 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het verzoek afgewezen. 2.7 Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. 2.8 De Afdeling heeft met de uitspraak van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891) het hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat titel 8.4 van de Awb en daarmee artikel 8:88 van de Awb niet van toepassing is en het verzoek van eiser ten onrechte is getoetst aan artikel 8:88 van de Awb. De Afdeling heeft voorts overwogen dat de rechtbank ook op grond van het oude recht niet bevoegd was te oordelen over het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling heeft zelf in de zaak voorzien en heeft de rechtbank onbevoegd verklaard om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. De huidige proced