Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-08-07
ECLI:NL:RBNHO:2025:9460
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/095796-23 (P)
Uitspraakdatum: 7 augustus 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 juli 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Afghanistan),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De politierechter heeft op 13 mei 2024 deze zaak naar de meervoudige kamer verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. van Driel en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. T.P.A.M. Wouters, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 8 april 2023 te Velsen-Noord, gemeente Velsen openlijk, te weten, op de Dijckmansstraat en/of de Duinvlietstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegeneen persoon te weten [het slachtoffer] door [het slachtoffer]- aan te rijden met een bestelbus en/of- tegen het lichaam en/of hoofd te schoppen en/of- tegen het lichaam en/of hoofd te slaan en/of- in het gezicht te krabben en/ofeen goed te weten een voertuig toebehorende aan [het slachtoffer] door- tegen dat voertuig aan te rijden en/of- aanstekers tegen dat voertuig aan te gooien en/of- tegen dat voertuig aan te trappen.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Standpunten van partijen
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het ten laste gelegde trappen tegen het voertuig van [het slachtoffer].
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte zelf geen geweldshandelingen heeft gepleegd en ook geen bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de vechtpartij. Hij heeft ook geen opzet gehad op het geweld, uit getuigenverklaringen en de beelden volgt immers dat de verdachte zijn broer, medeverdachte [medeverdachte B], heeft tegengehouden en heeft geprobeerd hem en de aangever uit elkaar te halen en te houden.
3.3.
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat er op 8 april 2023 in Velsen-Noord op de openbare weg een confrontatie heeft plaatsgevonden, tussen onder andere [het slachtoffer], de verdachte en zijn broer, de medeverdachte [medeverdachte B]. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke rol de verdachte bij die confrontatie heeft gespeeld.
De verdachte heeft bij zijn verhoor bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij geen geweld heeft gepleegd tegen de aangever. Ook ter terechtzitting heeft hij dit verklaard; hij probeerde zijn broer juist tegen te houden en de situatie te sussen. Deze verklaring van de verdachte vindt steun in de beelden die ter terechtzitting zijn vertoond en in de verklaringen van getuigen [getuige A] en [getuige B]. Op de beelden is te zien dat de verdachte zijn broer om zijn middel vast heeft en dat hij de stok die zijn broer vast heeft afpakt. Ook is er een stem te horen die zegt ‘[voornaam medeverdachte B] laat’ en ‘[voornaam medeverdachte B] laat los’. De rechtbank gaat er van uit dat deze stem van de verdachte is en dat hij met ‘[voornaam medeverdachte B]’ zijn broer [medeverdachte B] bedoelt. Op de beelden is niet te zien dat de verdachte geweldshandelingen tegen de aangever of anderen pleegt. Daarnaast volgt uit de verklaringen van de getuigen [getuige A] en [getuige B] dat één van de aanrennende mannen de vechtende mannen uit elkaar trekt. De rechtbank gaat er, mede gelet op de inhoud van de beelden, van uit dat deze man de verdachte betreft.
Op basis van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de verdachte enige bijdrage heeft geleverd aan het richting de aangever uitgeoefende geweld, noch dat zijn opzet hierop was gericht. De overige inhoud van het dossier biedt evenmin concrete aanwijzingen dat verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de tegen de aangever uitgevoerde geweldshandelingen. De enkele aanwezigheid ter plaatse van de verdachte en het de-escalerende handelen is daartoe onvoldoende, zodat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.T. Sluis en mr. J.J. Idzenga,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2025.