Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-08-06
ECLI:NL:RBNHO:2025:9210
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,678 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11536533 \ CV FORM 25-804
Uitspraakdatum: 6 augustus 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1
[verzoeker 1]
2. [verzoeker 2]
3. [verzoeker 3]
4. [verzoeker 4]
5. [verzoeker 5]
allen wonende te [plaats] verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Air France
gevestigd te Roissy (Frankrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD)
1Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 7 februari 2025;
het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 juni 2025.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 11 augustus 2023 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Charles de Gaulle Airport (Parijs, Frankrijk) naar Tanger Ibn Battouta Airport (Marokko), met de vluchtcombinatie AF8229 en AF1074.
2.2.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met een vermeende annulering van vlucht AF1074 van Parijs naar Tanger (hierna: de vlucht).
2.3.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 augustus 2023;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier.
3.3.
De vervoerder betwist het verzochte. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of de passagiers in hun verzoek kunnen worden ontvangen. Vast staat dat passagiers sub 2 t/m sub 4 op het moment van het indienen van het verzoek niet bekwaam waren om zelfstandig in rechte op te treden, omdat zij minderjarig waren. De passagiers hebben ook niet in het vorderingsformulier vermeld dat iemand als wettelijk vertegenwoordiger voor deze minderjarigen optreedt. Een eventuele proceskostenveroordeling mag niet ten laste komen van minderjarige passagiers. Daarom zal de kantonrechter passagiers sub 2 t/m sub 4 in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Het gedeelte van de hoofdsom dat betrekking heeft op de compensatie voor passagiers sub 2 t/m sub 4, zal daarom worden afgewezen.
4.3.
Vast staat dat de passagiers zijn omgeboekt op vlucht AF1074 met vertrekdatum 9 augustus 2023. De vervoerder voert aan dat hij de passagiers vier maanden voor de geplande vertrektijd van de vlucht heeft geïnformeerd over deze wijziging in hun reisschema. De vervoerder verwijst in dit kader naar door hem gestuurde e-mails naar het door de passagiers opgegeven e-mailadres. Nu de passagiers tijdig van de vervoerder mededeling van de omboeking(en) hebben ontvangen, komt hen geen recht op compensatie toe. Dat zij pas op 31 juli 2023 over de wijziging(en) zijn geïnformeerd door reisagent ‘lastminute’, maakt dit niet anders.
4.4.
De vervoerder heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat hij óók in het minnelijke traject heeft gecommuniceerd wat zijn verweer was. Dat hij zijn verweer toen niet met stukken heeft onderbouwd, leidt er niet per definitie toe dat de passagiers daardoor nodeloos zijn gedwongen een procedure te starten. De passagiers konden, mede gelet op de overige omstandigheden, verwachten dat de vervoerder in deze procedure eenzelfde verweer zou aanvoeren en dit nader zou onderbouwen. Het verzoek van de passagiers zal daarom worden afgewezen.
4.5.
De passagiers worden, gelet op het doel en het karakter van de EPGV-procedure, niet meer in de gelegenheid gesteld om op het verweer van de vervoerder te reageren. Bovendien oordeelt de kantonrechter dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt.
4.6.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking. 5. De beslissingDe kantonrechter:
5.1.
verklaart passagiers sub 2 t/m sub 4 niet-ontvankelijk;
5.2.
wijst het verzochte af;
5.3.
veroordeelt de overige passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt hen tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open
Artikel 7 van de Verordening.
Productie 2 bij het verweerschrift.
Artikel 5 lid 1 van de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007.