Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-08-05
ECLI:NL:RBNHO:2025:8947
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,245 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.081739-23
Uitspraakdatum: 5 augustus 2025
Tegenspraak
verkort strafvonnis (art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juli 2025 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Westzaan (PPC).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. C.J. Booij en van hetgeen door de verdachte en mr. A.D. Renshof, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2023 tot en met 23 maart 2023 te Hoorn, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer], - meerdere malen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek en/of het hoofd te steken en/of - met een kussen, althans met een voorwerp, op de neus en de mond te drukken en/of smorend geweld op de neus en de mond toe te passen, althans de adem te benemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2023 tot en met 23 maart 2023 te Hoorn, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer], - meerdere malen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek en/of het hoofd te steken en/of - met een kussen, althans met een voorwerp, op de neus en de mond te drukken en/of smorend geweld op de neus en de mond toe te passen, althans de adem te benemen.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Standpunten van partijen
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten tenlastegelegde (moord) en tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde (doodslag). Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het smorend geweld met een kussen zoals onder het tweede gedachtenstreepje ten laste is gelegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is geweest van voorbedachte raad, maar hooguit van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het smoren met een kussen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1 (
partiële) vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat sprake is geweest van voorbedachte raad.
Daarnaast bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte het slachtoffer heeft gesmoord met een kussen, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
3.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
3.3.3
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 23 maart 2023 te Hoorn, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met een mes in de hals te steken.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
doodslag
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Uitgangspunt voor strafoplegging bij voltooide doodslag is volgens de officier van justitie het opleggen van gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. In verband met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte heeft de officier van justitie vijftig procent strafkorting toegepast. Voor wat betreft de geringe overschrijding van de redelijke termijn kan volgens hem worden volstaan met de enkele constatering ervan.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte de geadviseerde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.
Ten aanzien van het opleggen van een gevangenisstraf heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt voor doodslag bij een volledig toerekeningsvatbare verdachte een gevangenisstraf is van zes tot acht jaren. Vervolgens moet rekening worden gehouden met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De raadsvrouw verwijst naar het “Rotterdamse” schaalmodel met betrekking tot de oriëntatiepunten toerekening, en zij is van mening dat het feit op grond hiervan 0 tot 33 procent kan worden toegerekend aan de verdachte. Voorts moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het feit dat hij van meet af aan heeft meegewerkt aan het onderzoek, verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad en berouw toont. Tenslotte moet rekening worden gehouden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn met een jaar, wat volgens de raadsvrouw moet leiden tot een strafkorting van vijftien procent.
De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat aan de verdachte, naast de tbs-maatregel, een gevangenisstraf van maximaal twintig maanden moet worden opgelegd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zijn vader op gewelddadige wijze van het leven beroofd. Toen zijn vader in bed lag, heeft de verdachte hem meerdere malen met een mes gestoken, onder meer in de hals, ten gevolge waarvan zijn vader in het ziekenhuis is overleden.
Met zijn handelen heeft de verdachte een einde gemaakt aan het leven van zijn vader en hiermee een onomkeerbaar verlies en leed toegebracht aan de nabestaanden. Zijn zus heeft dit op de zitting tijdens haar spreekrecht krachtig verwoord. Door dit familiedrama moet zij omgaan met de vreselijke wetenschap dat haar vader door toedoen van haar eigen broer niet meer in leven is. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het verdriet en de pijn, dat het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt, kan wegnemen. Het behoeft geen betoog dat dit misdrijf ook de rechtsorde ernstig heeft geschokt. Het brengt gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.
De aard en ernst van het door de verdachte gepleegde feit rechtvaardigt in beginsel een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om de maatregel tbs met dwangverpleging op te leggen.
Oplegging van de tbs-maatregel
De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 18 december 2024 van het Pieter Baan Centrum (PBC), opgemaakt door GZ-psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater], waarin wordt geadviseerd om de terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Deze rapportage houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
De verdachte functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau. Er is een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, in langdurige remissie door de huidige detentie. De verdachte is in zijn jeugd getraumatiseerd en ernstig pedagogisch en affectief verwaarloosd. Dit heeft sterk geïnterfereerd met het proces van hechting, sociaal-emotionele ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling.
In de aanloop naar het ten laste gelegde is een ernstige depressie ontstaan. Betrokkene stopte in die tijd ook met alcohol- en cannabisgebruik, kreeg last van somberheid, bezocht de huisarts en de huisartspost, onder andere in verband met 'black-outs'.
Tevens is bij de verdachte sprake van een functionele neurologische stoornis (FNS). Dit wordt geclassificeerd als een conversiestoornis (functioneel- neurologisch- symptoomstoornis). Bovengenoemde stoornissen waren tijdens het ten laste gelegde aanwezig.
De deskundigen concluderen dat de verdachte in aanloop naar en tijdens het tenlastegelegde ernstig was ontregeld, mogelijk ook door situationele factoren, bijvoorbeeld de bejegening door zijn vader. Door de ernstige ontregeling – en dientengevolge oordeels- en kritiekstoornissen – was hij nadrukkelijk verminderd in staat afwegingen over gedragskeuzes te maken, waardoor het tenlastegelegde hem ten minste in verminderde mate kan worden toegerekend.
Er komt een hoog recidiverisico naar voren als de verdachte nu, uit zorg alleen in de maatschappij moet functioneren. Weliswaar neemt hij zijn medicatie trouw in, maar dat heeft tot dusverre weinig effect. Er zijn nauwelijks beschermende factoren aanwezig en er zijn slechts zeer beperkte effectieve copingvaardigheden aanwezig. De deskundigen stellen dat bij de verdachte een hoog risico is op toekomstig geweld en een hoog risico op ernstig lichamelijk letsel, indien hij buiten zorg, alleen in de maatschappij moet functioneren. De verdachte heeft langdurige, intensieve behandeling nodig op meerdere gebieden en daarna zal hij ook nog langdurig begeleid moeten worden met toezicht. Bovendien is door de ernstige psychische ontregeling, alsook de onzekerheden in het delictscenario, niet uit te sluiten dat de verdachte opnieuw ernstig agressief zal worden, bijvoorbeeld naar een hulpverlener. In eerste instantie is het hoogste beveiligingsniveau aangewezen (niveau 4; FPC). Om bovengenoemde redenen resteert als advies enkel een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
De rechtbank kan zich verenigen met de inhoud en conclusies van de rapportage en neemt deze over.
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de formele vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Verder eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel.
De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte van overheidswege moet worden verpleegd omdat de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.
De rechtbank zal, nu het bewezenverklaarde een misdrijf betreft dat gericht was tegen en gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, de maatregel ongemaximeerd opleggen.
Gevangenisstraf
De rechtbank stelt voorop dat voor doodslag, een van de zwaarste feiten in het strafrecht, geen landelijke oriëntatiepunten bestaan.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.2 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.3.2 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro), bestaande als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade), en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. V.J.A. de Weerd, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 augustus 2025.