Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-08-07
ECLI:NL:RBNHO:2025:8821
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
854 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1025
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
en
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, burgemeester.
gemachtigde Y. Kliphuis, advocaat te Hoofddorp.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van het (kraak-)pand op het adres [adres] te [plaats] waarin eiser woonachtig was (het pand).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Op 12 februari 2025 heeft de burgemeester het pand met toepassing van spoedbestuursdwang gesloten, omdat het pand volgens de burgemeester brandgevaarlijk is. Dit besluit is op 13 februari 2025 op schrift gesteld.
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij uitspraak van 13 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien voor het treffen van een ordemaatregel
Beoordeling
2. Verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening, omdat hij door de sluiting van het pand dakloos is geworden. Hij vraagt, zo begrijpt de voorzieningenrechter het verzoek, om schorsing van het besluit tot sluiting tot op het bezwaar is beslist, zodat hij in het pand kan terugkeren.
Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat het pand, waarop de door u gevraagde voorlopige voorziening ziet, inmiddels is afgebrand. De voorzieningenrechter heeft verzoeker daarom op 8 juli 2025 gevraagd om een nadere onderbouwing van zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
3. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen procesbelang meer heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Redengevend hiervoor is dat verzoeker met het verzoek niet meer kan bereiken dat hij kan terugkeren naar het pand, omdat het pand is afgebrand. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Via deze procedure kan verzoeker niet bewerkstelligen dat hij onderdak in het afgebrande pand of elders kan verkrijgen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem , voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Willemse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.