Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:7940
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11035412 \ CV EXPL 24-2252
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], wonende te [plaats 1],
2. [eiser 2], wonende te [plaats 2],
3. [eiser 3], wonende te [plaats 3]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Airline Company Limited
gevestigd te Londen Luton Airport
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Kumar
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 27 juli 2023 vervoeren van Amsterdam naar Kopenhagen, met vlucht EZY7939 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 136,12 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening.
3.3.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.4.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd, zodat de vervoerder in beginsel een compensatieplicht heeft. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.
4.3.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vlucht in kwestie (Amsterdam naar Kopenhagen) vanwege de doorwerking van buitengewone omstandigheden dusdanig was vertraagd, dat het niet langer mogelijk was om de opvolgende vlucht EZY7940 van Kopenhagen naar Amsterdam (vertraagd) uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van de luchthaven Schiphol te schenden. De kantonrechter overweegt dat wat daar ook van zij, niet is gebleken dat het onmogelijk was om de vlucht náár Kopenhagen (vertraagd) uit te voeren. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat de vervoerder niet van de verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Passagiers mogen niet de dupe worden van de bedrijfseconomische keuzes die de vervoerder maakt. Het verweer van de vervoerder dat bij het desondanks uitvoeren van vlucht EZY7939 het risico zou bestaan dat de kist in Kopenhagen zou stranden, treft dan ook geen doel. De conclusie is dat het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden faalt. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen.
4.4.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.5.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt de vervoerder ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de passagiers worden gemaakt.
4.6.
Het gevorderde certificaat wordt afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 juli 2023 tot de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 218,00;salaris gemachtigde € 270,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter