Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-02
ECLI:NL:RBNHO:2025:7544
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,339 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11133853 \ CV EXPL 24-3544
Uitspraakdatum: 2 april 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Turk Havayollari A.O.
gevestigd te Istanboel (Turkije)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Kloot (LVH advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk slecht weer met als gevolg restricties van de luchtverkeersleiding. De vervoerder heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen of te beperken. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 20 mei 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Ankara Esenboga Airport (Turkije), naar Antalya Airport (Turkije), met vluchtcombinatie TK7801 en TK7034.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht TK7801 van Amsterdam naar Ankara (hierna: de vlucht in kwestie) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht en zijn met een vertraging van meer dan 3 uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraagde aankomst van de vlucht, althans de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk slecht weer met als gevolg restricties van de luchtverkeersleiding. Dit kon ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid.
4.3.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder niet voldoende heeft aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. De vervoerder stelt dat hij de omstandigheid niet kon voorkomen, hij dient de besluiten van de luchtverkeersleiding op te volgen. Hij heeft de passagiers omgeboekt op de eerst beschikbare vlucht en zij zijn binnen 24 uur aangekomen op de eindbestemming. Gelet op de korte duur van de vertraging was het inzetten van een reservetoestel economisch onaanvaardbaar. De omboeking was dus een redelijke maatregel. De passagiers betwisten dit. De vervoerder heeft niet de verplichte bijstand verleend. Hij moest hen terugbetaling van de ticketprijs aanbieden, maar dit heeft hij nagelaten. Daarnaast heeft hij ook geen hotelaccommodatie verzorgd. En hij handelde daarom in strijd met de bijstandsplicht. De vervoerder brengt hiertegen in dat hij de passagiers wel bijstand heeft verleend. Passagiers worden altijd per e-mail geïnformeerd. Indien en voor zover de passagiers deze e-mail niet ontvangen hebben, betekent niet zij recht hebben op compensatie. De passagiers hebben namelijk geen schade geleden, omdat zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat het betoog van de vervoerder niet slaagt, omdat hij dit niet onderbouwd heeft met stukken. De enkele omstandigheid dat de vervoerder de passagiers heeft omgeboekt op een alternatieve vlucht maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat de vervoerder hen een keuze heeft geboden tussen restitutie en een (redelijke) alternatieve vlucht en daarbij de passagiers alle informatie heeft verstrekt over de uit artikel 8, lid 1 van de Verordening voortvloeiende rechten. Gelet op het voorgaande heeft de vervoerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn verplichting om aan passagiers overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de Verordening bijstand te bieden, is nagekomen. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
4.5.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.6.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum had.
4.7.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 920,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 20 mei 2022, en over € 120,00 vanaf 7 mei 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 218,00;salaris gemachtigde € 270,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 6 lid 1 sub c jo. 8 lid 1 sub a van de Verordening.
Artikel 9 lid 1 sub b van de Verordening.