Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:7340
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,213 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11572699 \ CV FORM 25-1420
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1
[verzoeker 1]
2. [verzoeker 2]
3. [verzoeker 3]
4. [verzoeker 4]
5. [verzoeker 5]
allen wonende te [plaats]
6. [verzoeker 6]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk vertraging die was opgelopen op eerdere vluchten. Hierdoor kon de vlucht in kwestie niet worden uitgevoerd zonder de nachtsluiting van Schiphol te schenden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat hij onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd in hoeverre de vertraging van de eerdere vluchten doorwerkte op de vlucht in kwestie. Daarom wordt het verzoek van de passagiers toegewezen.
1Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A);
het verweerschrift.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 9 oktober 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Praag, Tsjechië, met vlucht EC7927 dan wel EZY7927 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 225,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; - de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder betwist dat passagier sub 5 Aviclaim heeft gemachtigd om haar in deze procedure te vertegenwoordigen. Hij voert aan dat het door de passagiers overgelegde machtigingsformulier van passagiers sub 5 een andere achternaam vermeldt dan het vorderingsformulier en de kopie van het paspoort.
4.3.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. De kantonrechter overweegt dat de passagiers met het overleggen van de boekingsdocumenten en de kopie van het paspoort van passagier sub 5 en omdat de vervoerder niet heeft betwist dat passagier sub 5 een bevestigde boeking had voor de vlucht, voldoende hebben onderbouwd dat passagier sub 5 Aviclaim heeft gemachtigd om haar te vertegenwoordigen in deze procedure. Daarbij neemt de kantonrechter mede in overweging dat de geboortedatum op het machtigingsformulier overeenkomt met die in het paspoort van passagier sub 5 en dat de op het machtigingsformulier vermelde achternaam overeenkomt met die van passagiers sub 1, sub 3 en sub 4, zodat er hier sprake lijkt te zijn geweest van een verwisseling van een achternaam met een meisjesnaam.
4.4.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.5.
De vervoerder stelt dat de annulering van de vlucht het gevolg was van vertragingen op eerdere vluchten die met hetzelfde toestel zouden worden uitgevoerd. Door deze vertraging zou de vlucht in kwestie niet meer kunnen uitgevoerd voor het ingaan van de nachtsluiting van Schiphol. De passagiers betwisten dit.
4.6.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. Weliswaar heeft hij toegelicht dat de eerdere vluchten van Faro naar Amsterdam en van Amsterdam naar Birmingham vertraagd zijn uitgevoerd vanwege beperkingen van de luchtverkeersleiding en het moeten bieden van assistentie aan een passagier met beperkte mobiliteit, maar naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij heeft onvoldoende onderbouwd in hoeverre deze vertraging vervolgens heeft doorgewerkt op de vlucht in kwestie. Er moet immers ten minste één vlucht in het schema van de rotatie tussen de vlucht van Amsterdam naar Birmingham en de vlucht in kwestie zijn geweest, nu deze laatste ook vertrok vanaf Amsterdam. Omdat de vervoerder hier niets over heeft gesteld, heeft hij onvoldoende onderbouwd in hoeverre de vertraging van de vlucht van Amsterdam naar Birmingham doorwerkte naar de vlucht in kwestie en waarom het vervolgens noodzakelijk was om de vlucht in kwestie te annuleren.
4.7.
Daarom kan niet geoordeeld worden dat de annulering van de vlucht in kwestie het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
4.8.
Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. De passagiers hebben immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de passagiers vergoeding verzoeken, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.10.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.
Dictum
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 257,00 aan griffierecht en € 204,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.