Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:7191
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
1,061 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10939658 \ CV FORM 24-1208
Uitspraakdatum: 8 januari 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker]
, wonende te [plaats] (Rusland)
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
procederend in persoon
tegen
KLM Royal Dutch Airlines,
gevestigd te Amstelveen
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. G.D. Baboolal (Van Traa Advocaten N.V.)
1Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A);
het antwoordformulier (formulier C).
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier moest vervoeren van Kuala Lumpur (Maleisië), via Singapore en Amsterdam, naar Buenos Aires (Argentinië). De passagier is geweigerd op vlucht KL836 van Singapore naar Amsterdam, (hierna: de vlucht).
2.2.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 600,00; - de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.
3.2.
De passagier baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de weigering van de passagier op de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00.
3.4.
De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of hier sprake is van een grensoverschrijdende zaak als bedoeld in artikel 2 e.v. van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening EG 861/2007, hierna: EPGV-Vo).
4.2.
Ingevolge artikel 2 lid 1 van de EPGV-Vo is deze verordening in grensoverschrijdende zaken van toepassing in burgerlijke en handelszaken indien de waarde – kort gezegd – niet meer bedraagt dan € 5.000,00. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de EPGV-Vo wordt in deze verordening onder een grensoverschrijdende zaak verstaan ‘een zaak waarin ten minste een van de partijen haar woonplaats heeft of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat in het onderhavige geval geen sprake is van een grensoverschrijdende zaak. De EPGV-Vo is bedoeld om de goede werking van de interne markt van de Europese gemeenschap te bevorderen en dat is hier niet aan de orde. De passagier is namelijk niet woonachtig in een lidstaat. De kantonrechter concludeert dat het door de passagier ingediende verzoek op grond van artikel 4 lid 4 de EPGV-Vo niet-ontvankelijk is.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
verklaart de passagier niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open