Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:7188
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11407474 \ CV FORM 24-8170
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1
[verzoeker 1],
2. [verzoeker 2],beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], allen wonende te [plaats]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: B. Floris
tegen
Aegean Airlines,
gevestigd te Kifissia (Griekenland)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J. Croon
1Het verdere procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
de beschikking van 5 maart 2025;
de akte van de passagiers, ingekomen ter griffie op 2 april 2025;
het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 14 mei 2025.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 20 oktober 2023 moest vervoeren van Amsterdam naar Rhodos (Griekenland), via Athene (Griekenland).
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar Athene (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagiers hun aansluitende vlucht naar Rhodos hebben gemist. De passagiers zijn met een vertraging van 10 uur en 5 minuten aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
2.4.
Passagiers sub 1 en sub 2 hebben Yource B.V. gemachtigd om de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren.
3. Het verzoek en het verweer
3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 290,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen tot een bedrag van € 400,00 per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.
3.4.
De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
De beschikking van 5 maart 2025 zal – gelet op de onjuiste betekening van het vorderingsformulier van 18 november 2024 – nietig worden verklaard.
4.3.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de passagiers om een vordering in te stellen namens hun minderjarige kinderen, wordt als volgt overwogen. De passagiers hebben geen document overgelegd waaruit blijkt dat zij door de kantonrechter gemachtigd zijn om deze procedure te voeren namens hun minderjarige kinderen. Daarom zal de kantonrechter de passagiers niet-ontvankelijk verklaren voor zover het verzoek betrekking heeft op de minderjarige kinderen. Het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt
4.4.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
4.5.
Volgens de vervoerder was de aan de vlucht voorafgaande vlucht (met vluchtnummer A3626) later dan gepland vertrokken door toedoen van restricties van de luchtverkeersleiding. Vlucht A3626 is met 1 uur en 57 minuten vertraging uitgevoerd, waarbij uit het overgelegde vluchtrapport van die vlucht volgt dat deze vertraging is veroorzaakt door de opgelegde CTOT wegens vertragingscode 81. Deze code staat voor “ATFM due to ATC EN-ROUTE DEMAND/CAPACITY, standard demand/capacity problems”. Deze vertraging werkte voor de duur van 1 uur en 49 minuten door op de vlucht in kwestie. Daarnaast kreeg de vlucht in kwestie ook te maken met restricties van de luchtverkeersleiding, waarbij vertragingscode 81 is afgegeven. De vertraging van de vlucht in kwestie wegens vertragingscode 81 bedraagt 11 minuten, zo volgt uit het overgelegde vluchtrapport van de vlucht.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd dat de vertraging van (vlucht A3626 en) de vlucht het gevolg was van (doorwerking van) beperkingen door de luchtverkeersleiding. Als een toestel een latere vertrektijd krijgt opgelegd door de luchtverkeersleiding, heeft deze niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten namelijk altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Daarom was de vertraging van de vlucht het gevolg van buitengewone omstandigheden. Vast staat dat de passagiers door deze vertraging de aansluitende vlucht hebben gemist. Daarom was de langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg van buitengewone omstandigheden.
4.7.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken. Niet in geschil is dat tussen de twee aansluitende vluchten een overstaptijd van 1 uur en 25 minuten was gepland en dat de minimale connectietijd te Athene 40 minuten bedraagt. Dit houdt in dat de passagiers een buffer hadden van 45 minuten om de aansluitende vlucht te halen, hetgeen door de kantonrechter als voldoende wordt gekwalificeerd. De vervoerder voert verder aan dat hij de passagiers heeft omgeboekt naar de eerst mogelijke beschikbare vlucht, wat niet door de passagiers wordt betwist. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering tot betaling van compensatie zal dan ook worden afgewezen.
4.8.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
verklaart de beschikking van 5 maart 2025 nietig;
5.2.
verklaart de passagiers niet-ontvankelijk voor zover het verzoek ziet op de minderjarige kinderen; 5.3. wijst het verzochte af;
5.4.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open
Conform artikel 7 van de Verordening.
Als bedoeld in artikel 1:349 lid 1 BW in verbinding met artikel 1:253k BW.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.