Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-10
ECLI:NL:RBNHO:2025:7160
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,027 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5415
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.012. Gelijktijdig met de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 is aan eiser bij beschikking een verzuimboete van € 385 opgelegd en is bij beschikking een bedrag van € 89 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025 te Haarlem. Eiser is, zonder bericht aan de rechtbank, niet verschenen. De griffier van de rechtbank heeft eiser per aangetekende brief met dagtekening 20 januari 2025 uitgenodigd voor de zitting. Deze aangetekende brief is verzonden naar het adres [[...]] , welk adres sinds 10 januari 2014 het woonadres is van eiser, zoals blijkt uit het uittreksel uit de basisregistratie personen van 10 februari 2025. De aangetekende brief is onbestelbaar retour gekomen. Op grond van artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de griffier van de rechtbank vervolgens op 10 februari 2025 per reguliere post de uitnodiging voor de zitting nogmaals aan het woonadres van eiser verzonden. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan eiser is verzonden, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door twee medewerkers van de Belastingdienst. Verweerder heeft een verzoek ingediend tot het geheimhouden van de namen van degenen die namens verweerder op de zitting zullen verschijnen. Hij heeft daartoe een verzoek ex artikel 8:29 van de Awb ingediend. Dit verzoek is bij beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2025 toegewezen. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om kennis te nemen van de artikel 8:29-stukken. De rechtbank heeft daarom zelf voorafgaand aan de zitting aan de hand van de overgelegde legitimatiebewijzen vastgesteld dat de personen die namens verweerder ter zitting zijn verschenen de personen zijn die zijn genoemd in de geheimgehouden mandaatbesluiten.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser woont sinds 10 januari 2014 op het adres [[...]] te [woonplaats] . Eiser heeft in 2021 van twee werkgevers loon ontvangen waarop loonheffingen zijn ingehouden. Eiser heeft geen overige inkomsten.
2. Aan eiser is per brief met dagtekening 28 februari 2022 een uitnodiging tot het doen van aangifte verzonden. Deze uitnodiging is verzonden naar het woonadres van eiser.
3. Aan eiser is met dagtekening 10 juni 2022 een herinnering tot het doen van aangifte verzonden en met dagtekening 7 september 2022 een aanmaning tot het doen van aangifte. In de aanmaning wordt als uiterste datum voor het indienen van de aangifte 21 september 2021 genoemd. Tevens wordt eiser gewezen op het feit dat bij het niet tijdig indienen van de aangifte een verzuimboete van € 385 kan worden opgelegd.
4. Eiser dient ruim een jaar later, op 30 september 2023, een aangifte IB/PVV in. In deze aangifte heeft eiser in verband met zijn eigen woning hypotheekrente en een periodieke erfpachtbetaling in aftrek gebracht. Daarnaast heeft eiser in deze aangifte een periodieke gift opgenomen van € 10.750 met de omschrijving “Staat der Nederlanden”.
5. Per brief met dagtekening 4 januari 2024 verzoekt verweerder eiser om vóór 19 januari 2024 nadere informatie aan te leveren over de periodieke gift aan de Staat der Nederlanden welke is opgenomen in de aangifte 2021 (en ook in de aangifte 2022). Eiser levert geen nadere informatie aan.
6. Met dagtekening 29 januari 2024 stuurt verweerder aan eiser een ‘voornemen om af te wijken van de aangifte’, waarin wordt aangekondigd dat de persoonsgebonden aftrek in de vorm van de periodieke gift aan de Staat der Nederlanden niet in aftrek zal worden toegestaan. Eiser krijgt de mogelijkheid te reageren maar doet dit niet vóór de gestelde termijn van 12 februari 2024.
7. Met dagtekening 26 maart 2024 legt verweerder een primitieve aanslag IB/PVV over het jaar 2021 op. In de aanslag wordt de aftrek van de periodieke gift aan de Staat der Nederlanden gecorrigeerd. Naast de aanslag IB/PVV zijn een beschikking belastingrente en een beschikking verzuimboete voor het niet tijdig indienen van de aangifte opgelegd.
8. Per brief met dagtekening 8 april 2024, door verweerder ontvangen op 10 april 2024, stelt eiser een aantal vragen aan verweerder over de rechtsgeldigheid van de aan hem toegezonden ‘aanslag/factuur/vordering’, met als bijlage een algemene vragenbrief over verschillende aspecten van de ‘premie volksverzekering/BTW’ en de rechtsgeldigheid daarvan.
9. Verweerder vat deze brief op als een bezwaarschrift en met dagtekening 26 april 2024 zendt verweerder aan eiser een ‘voorgenomen uitspraak op bezwaar’, waarin wordt gereageerd op de diverse vragen van eiser. Ook wordt eiser gewezen op zijn hoorrecht en wordt eiser gevraagd om een reactie vóór 13 mei 2024. Eiser reageert niet vóór de gestelde datum.
10. Verweerder wijst bij uitspraak op bezwaar van 17 mei 2024 het bezwaar af.
11. Per brief met dagtekening 17 mei 2024, door verweerder ontvangen op 22 mei 2024, reageert eiser alsnog op de voorgenomen uitspraak op bezwaar van 26 april 2024. Nu deze brief is ontvangen na de uitspraak op bezwaar, vat verweerder deze brief op als een beroepschrift en heeft verweerder deze brief doorgezonden aan de rechtbank.
Geschil
12. In geschil is of de door eiser in zijn aangifte opgenomen periodieke gift aan de Staat der Nederlanden in aftrek kan worden gebracht. Tevens is in geschil of de belastingrente terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld en of de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
13. Eiser stelt dat de Staat der Nederlanden staat geregistreerd als algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) en dat alle bedragen die aan de Staat worden betaald aftrekbaar zijn als giften. Daarnaast neemt eiser nog een aantal andere stellingen in ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de opgelegde aanslag. Deze stellingen zien onder andere op de rechtsgeldigheid van de mandatering aan de inspecteur, het ontbreken van een naam en natte handtekening onder de correspondentie van de Belastingdienst, het niet bestaan van de Grondwet en het ontbreken van de inschrijving van de functionaris van de Belastingdienst bij de Kamer van Koophandel.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
14. Verweerder stelt dat de betalingen van belasting geen giften zijn in de zin van artikel 6:33, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) aangezien de vereiste vrijgevigheid ontbreekt. Verweerder wijst alle andere stellingen van eiser ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de opgelegde aanslag af.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Overwegingen
15. Op grond van artikel 6.33, onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Giften zijn ingevolge artikel 6.34 en 6.35 van de Wet IB 2001 aftrekbaar indien ze, voor zover hier van belang, worden voldaan aan instellingen als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet IB 2001 (hierna: ANBI’s). Partijen zijn het erover eens dat de Staat der Nederlanden een ANBI is.
16. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de door eiser gedane betalingen van uit de wet voorvloeiende belastingen en heffingen van overheidsorganen geen sprake is van een bevoordeling uit vrijgevigheid. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot de voorganger van artikel 6.33, onderdeel a, van de Wet IB 2001 dat belastingen en heffingen niet als ‘verplichte bijdragen’ in de zin van artikel 6.33, onderdeel a, van de Wet IB 2001 moeten worden gezien (vgl. Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, blz. 266 en Kamerstukken II 1989-1990, 21 335, nr. 3, blz. 2-3). Daar komt bij dat de betalingen ook niet voldoen aan de vereisten om te worden aangemerkt als periodieke gift in de zin van artikel 6:34, van de Wet IB 2001. De door eiser betaalde belastingen en premies komen daarom niet voor aftrek in aanmerking. De rechtbank verwijst naar de vaste jurisprudentie over dit geschilpunt, waar de giftenaftrek telkenmale is afgewezen (zie bijv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 januari 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:11, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 maart 2024 ECLI:NL:RBZWB:2024:1716, Gerechtshof s’-Hertogenbosch 9 januari 2020 ECLI:NL:GHSHE:2020:69). Het bezwaar van eiser tegen de aanslag IB/PVV 2021 is dan ook terecht door verweerder afgewezen.
Belastingrente
17. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking belastingrente en de beschikking verzuimboete. Eiser heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Verzuimboete
18. Ten aanzien van de verzuimboete merkt de rechtbank het volgende op. Uit de gedingstukken volgt dat niet in geschil is dat verweerder aan eiser een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft verzonden, alsmede een herinnering en een aanmaning en dat deze stukken eiser ook hebben bereikt. Ook is niet in geschil dat de aangifte meer dan een jaar na de in de aanmaning genoemde uiterste datum is ingediend. Eiser was derhalve in verzuim in de zin van artikel 9, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) in samenhang met artikel 67a van de Awr en verweerder kan daarom een verzuimboete opleggen. Op grond van paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingrecht (hierna: BBBB) kan de inspecteur ingeval van een aangifteverzuim een verzuimboete opleggen van zeven procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de Awr. Voor 2024 is dit wettelijk maximum € 5.514, zodat de inspecteur een verzuimboete van € 385 kan opleggen. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de verzuimboete of de hoogte daarvan aangevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de beschikking verzuimboete en acht de boete passend en geboden.
Overige stellingen eiser
19. Eiser heeft een aantal andere stellingen ingenomen die zien op de rechtsgeldigheid van de aanslag. Eiser heeft onder andere gesteld dat hij kan onderbouwen dat er in Nederland geen Grondwet is. Eiser heeft aangegeven dat hij nog nadere bewijsstukken wil toevoegen aan de stukken die hij richting de Belastingdienst heeft verzonden. Eiser is niet op de zitting is verschenen en heeft geen nadere onderbouwing van deze stelling gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de Grondwet rechtsgeldig tot stand is gekomen en verwerpt deze grief van eiser.
20. Eiser heeft vragen gesteld over de rechtsgeldige mandatering van de personen die namens de inspecteur optreden. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting aan de hand van de overgelegde legitimatiebewijzen vastgesteld dat de personen die namens verweerder ter zitting zijn verschenen, de personen zijn die zijn genoemd in de mandaatbesluiten.
21. Eiser heeft ook vragen gesteld over het ontbreken van de naam van de medewerker van de Belastingdienst en het ontbreken van een natte handtekening onder de correspondentie van de Belastingdienst. Voor zover eiser hiermee bedoelt te stellen dat dit het rechtsgeldige karakter van besluiten van de Belastingdienst aantast, oordeelt de rechtbank als volgt. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uit die definitie volgt niet dat het voor een rechtsgeldig besluit een constitutief vereiste is dat het is voorzien van de naam en de handtekening van de medewerker van de Belastingdienst (vgl. Centrale Raad van Beroep 28 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:177, punt 4.1.1, en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:950, punten 3.5 en 4.1).
22. Eiser stelt dat het op grond van artikel 6, eerste lid, letter a, en letter c, van het Handelsregisterbesluit vereist is dat publiekrechtelijke rechtspersonen en functionarissen ingeschreven moeten staan in het handelsregister. Verweerder wijst op het feit dat het Ministerie van Financiën is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en dat alle locaties waarop de Belastingdienst een vestiging heeft als nevenvestiging staan ingeschreven. Voor zover een publiekrechtelijk rechtspersoon niet zou zijn ingeschreven in het handelsregister, zou dat van invloed kunnen zijn op de rechtsgeldigheid van privaatrechtelijke handelingen van het publiekrechtelijke rechtspersoon. Voor publiekrechtelijke handelingen, zoals het heffen en innen van belastingen, is een inschrijving in het handelsregister niet vereist aangezien deze publiekrechtelijke handelingen van rechtswege worden uitgevoerd. De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder.
23. Eiser heeft nog een aantal andere stellingen ingenomen en nog meer vragen gesteld, welke meer van algemene aard zijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar de gedingstukken. Wat eiser in dit verband heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel van de rechtbank.
Conclusie
24. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021, alsmede de beschikking belastingrente en de beschikking verzuimboete in stand blijven.
Proceskosten
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).