Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-06
ECLI:NL:RBNHO:2025:6935
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,658 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1945
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.M.F.W. Bitter),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, verweerder.
Procesverloop
Bij beschikking als bedoeld in artikel 10ei van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het UBLB) van 18 augustus 2023 (hierna: de beschikking) heeft verweerder het gezamenlijk verzoek van eiseres en [naam 1] (hierna: werkneemster) om toepassing van de 30%-bewijsregel als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB), gelezen in verbinding met artikel 10ea van het UBLB (hierna: de 30%-regeling), toegewezen met startdatum 1 juni 2023 en einddatum 29 februari 2024.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres daartegen gegrond verklaard en bij uitspraak op bezwaar de beschikking gewijzigd, in die zin dat als startdatum van de 30%-regeling 20 februari 2023 is gehanteerd en als einddatum 19 april 2026.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2024 te Haarlem. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Werkneemster is met ingang van 20 februari 2023 werkzaam bij eiseres.
2. Volgens het aanvraagformulier voor een beschikking 30%-regeling verbleef werkneemster gedurende de volgende perioden fysiek in Nederland:
- 1 september 2019 tot en met 1 maart 2020;
- 1 oktober 2020 tot en met 15 december 2020;
- 1 februari 2021 tot en met 1 augustus 2021;
- 13 september 2021 tot en met 15 maart 2022.
3. Verweerder heeft bij het afgeven van de beschikking rekening gehouden met eerder verblijf van werkneemster in Nederland en is bij de looptijd uitgegaan van een startdatum op 1 juni 2023 en een einddatum op 29 februari 2024.
4. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de looptijd van de beschikking gewijzigd van 20 februari 2023 (startdatum) tot en met 19 april 2026 (einddatum). De maximale looptijd van 5 jaar is daarbij door verweerder gekort met 22 maanden in verband met eerder verblijf in Nederland.
5. Op 31 januari 2024 heeft er alsnog een hoorgesprek plaatsgevonden tussen partijen.
Geschil
6. In geschil is of de looptijd van de 30%-regeling door verweerder juist is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de looptijd terecht met 22 maanden is gekort in verband met eerder verblijf in Nederland.
Overwegingen
Schending hoorplicht
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres ten onrechte niet tijdig is gehoord in de bezwaarfase. Eiseres wenst (evenals verweerder) geen terugwijzing van de zaak naar verweerder en verbindt aan de schending van de hoorplicht alleen de conclusie dat de proceskosten dienen te worden vergoed. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor terugwijzing en komt dan ook toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Wettelijk kader inzake de looptijd van de 30%-regeling
8. In de artikelen 10e en verder van het UBLB wordt uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers.
9. Op grond van artikel 10ec eerste lid UBLB bedraagt de looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers maximaal 5 jaar, ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige en eindigende op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin die tewerkstelling is beëindigd.
10. Artikel 10ef UBLB bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende:
“1 Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige, in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven, wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf.
2 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijfentwintig jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd, worden niet in aanmerking genomen.
(…)
4 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden, waarbij in de periode van vijfentwintig jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen.
(…)”
11. Artikel 10eh van het UBLB (voorheen artikel 9g UBLB) bepaalt dat bij vermindering van de looptijd van de 30%-regeling elke periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven wordt afgerond op gehele kalendermaanden. De Nota van toelichting bij artikel 9g UBLB (Stb. 2000, 640, blz. 23) vermeldt – voor zover van belang – het volgende:
“Door artikel 9g worden de eventuele verminderingen van de looptijd altijd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden. De reden hiervoor is dat hoofdstuk 3, evenals dat bij de oude 35%-regeling het geval was, uit praktische overwegingen een maandbenadering kent. Het gevolg hiervan is bijvoorbeeld dat indien de looptijd ingevolge een van de genoemde artikelen met enkele dagen zou moeten worden gekort, de looptijd volgens artikel 9g met een maand wordt gekort. Moet de looptijd tevens met een andere periode worden gekort, dan wordt deze periode eveneens naar boven afgerond op gehele kalendermaanden, enzovoort. Deze benadering voorkomt onzekerheid over de toepassing van de korting in bijvoorbeeld het geval waarin een werknemer in het verleden bijvoorbeeld een jaar lang één dag per week vanuit het buitenland in Nederland is tewerkgesteld geweest. In dat geval behoren 52 weken (dus 12 maanden) te worden gekort en niet 52 dagen. Het gaat hier om een bestendiging van het bestaande regime.”
Opmerkingen vooraf
12. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkneemster van eiseres voldeed aan alle voorwaarden voor de toepassing van de 30%-regeling. Tussen partijen is slechts de looptijd van de 30%-regeling in geschil.
13. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de periode van 1 oktober 2020 tot en met 15 december 2020 (in totaal afgerond drie maanden) op de voet van artikel 10ef, vierde lid, UBLB niet als korting op de looptijd in aanmerking dient te worden genomen. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat deze bepaling op grond van beleid ook wordt toegepast als in dat ene kalenderjaar in totaal meer dan drie maanden in Nederland is verbleven. Verweerder beroept zich vervolgens (voor een korting van twee maanden) op interne compensatie omdat in de uitspraak op bezwaar bij het berekenen van de korting op de looptijd ten onrechte geen rekening is gehouden de afronding naar boven van het verblijf in de maanden maart 2020 en augustus 2021. In totaal resteert volgens verweerder dan een korting van 21 maanden (en niet 22 maanden, zoals bij uitspraak op bezwaar gehanteerd).
14. Gelet op het door verweerder toegepaste beleid, wordt een periode van drie maanden (van 1 oktober 2020 tot en met 15 december 2020) niet in aanmerking genomen als periode van eerder verblijf. Ten aanzien van de overige perioden van eerder verblijf overweegt de rechtbank als volgt.
Perioden van eerder verblijf
15. Gelet op artikel 10ef UBLB komen de perioden van eerder verblijf van de werkneemster in Nederland in mindering op de looptijd van de 30%-regeling en worden die perioden naar boven afgerond op hele kalendermaanden op grond van artikel 10eh UBLB.
16. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling dat de gehele studietijd van werkneemster in dat kader als één periode zou moeten worden beschouwd. In de wettekst en in de – tevens door eiseres in de pleitnota aangehaalde – wetsgeschiedenis en jurisprudentie zijn voor de stelling van eiseres geen aanknopingspunten te vinden. Integendeel, daaruit leidt de rechtbank juist af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat iedere aaneengesloten periode van verblijf in Nederland afzonderlijk naar boven wordt afgerond op gehele maanden. Deze beroepsgrond van eiseres kan daarom niet slagen.
Reisdagen
17. Eiseres heeft in beroep de stelling ingenomen dat werkneemster in de periode vanaf 1 september 2019 in Nederland verbleef tot 1 maart 2020 en niet tot en met 1 maart 2020. In de periode vanaf 1 februari 2021 is werkneemster volgens eiseres in Nederland verbleven tot 1 augustus 2021 en niet tot en met 1 augustus 2021. Nu verweerder de stelling van eiseres heeft betwist en eiseres – die de bewijslast in dezen draagt – de stelling niet verder heeft onderbouwd, is deze niet aannemelijk geworden.
18. Eiseres heeft subsidiair aangevoerd dat 1 maart 2020 en 1 augustus 2021 reisdagen betreffen waarop werkneemster Nederland heeft verlaten en is afgereisd naar Spanje. Eiseres stelt voorts dat deze reisdagen als buitenlandse verblijfsdagen moeten worden beschouwd, waardoor in het geval van werkneemster de dagen 1 maart 2020 en 1 augustus 2021 buiten de reikwijdte van de afronding naar boven vallen. Verweerder bestrijdt niet als zodanig dat er door werkneemster gereisd werd op 1 maart 2020 en 1 augustus 2021, maar betwist wel dat de reisdagen niet hebben te gelden als verblijfsdagen in Nederland. Verweerder voert aan dat vanuit de achtergrond van de 30%-regeling bezien, er sprake is van een dag dat de werkneemster in Nederland was en zij zich op die dag in het Nederlandse uitgaven patroon bevond.
19. Onder de term verblijven als bedoeld in artikel 10ef UBLB dient te worden verstaan de plaats waar iemand fysiek aanwezig is (HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6820). De anders luidende opvatting van eiseres (met verwijzing naar andere wettelijke bepalingen) is onjuist. Aangezien in rechte is komen vast te staan dat werkneemster de bewuste dagen van Nederland naar Spanje is gereisd, was werkneemster dus (een gedeelte van) die dagen fysiek aanwezig in Nederland. Dat zij (een ander gedeelte van) die dagen ook fysiek aanwezig was in het buitenland, doet daar niet aan af. Uit het voorgaande volgt dat werkneemster ook op 1 maart 2020 en 1 augustus 2021 in Nederland is verbleven.
Conclusie
22. Gelet op de duur van het eerdere verblijf in Nederland bestaat voor de werkneemster aanspraak op toepassing van de 30%-regeling met een korting van 21 maanden, overeenkomstig het standpunt van verweerder in beroep.
23. Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de einddatum van de 30%-regeling op 19 mei 2026 te worden gesteld.
Proceskosten
24. In beroep hebben partijen zich op het standpunt gesteld dat eiseres ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft ontvangen voor de bezwaarfase. Tussen partijen is niet in geschil dat in het kader van de verrichte proceshandelingen een punt dient te worden toegekend voor het verschijnen ter hoorzitting (zie ook 7). De rechtbank ziet geen reden zich hier niet bij aan te sluiten.
25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking naar een beschikking met een einddatum van 19 mei 2026 en handhaaft de beschikking voor het overige;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding; van de proceskosten en het griffierecht vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).