Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:690
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/359455 / FA RK 24-6036
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders,
advocaat van de ouders: mr. M. Verkijk, kantoorhoudende te Haarlem.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 27 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Hierbij waren aanwezig en gehoord:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De ouders zijn telefonisch bijgestaan door een tolk in de taal [taal] .
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat ingeschreven bij de ouders, maar feitelijk verblijft zij bij een netwerkouder in [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum] . Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin, netwerkgezin of een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum] . De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht. Al meerdere jaren bestaan er zorgen over verschillende levensgebieden van [de minderjarige] , waardoor haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Zo is er bij [de minderjarige] sprake van LVB-, gedrags- en gezinsproblematiek, is er sinds 2022 sprake van bovenmatig (en toenemend) schoolverzuim en is de verhouding met haar ouders verstoord, waardoor [de minderjarige] tijdelijk bij een netwerkouder verblijft. Gezien de situatie komen er veel verantwoordelijkheden bij [de minderjarige] te liggen, waardoor zij overvraagd raakt. [de minderjarige] laat sterk zelfbepalend (puber)gedrag zien, wat de ouders (en andere betrokkenen) onvoldoende kunnen begrenzen. Bovendien verschillen [de minderjarige] en de ouders van culturele normen en waarden. Daardoor is de relatie tussen [de minderjarige] en de ouders verstoord en een stabiele en veilige thuisbasis ontbreekt. Het is zorgelijk dat de afstand tussen [de minderjarige] en de ouders steeds groter wordt. Daarnaast is het zorgelijk dat het schoolverzuim nog altijd toeneemt en [de minderjarige] vroegtijdig ontslag heeft genomen bij haar stages. Het lukt de hulpverlening niet om zicht te krijgen op [de minderjarige] ’s dagelijkse bezigheden en contacten, terwijl zij mogelijk wel beïnvloedbaar is voor personen met verkeerde bedoelingen.
3.3.
Ondanks de bereidheid van de ouders, zijn zij op dit moment niet in staat om de zorgen weg te nemen. In het verleden is geprobeerd om hulpverlening in het vrijwillig kader in te zetten, maar door onduidelijkheid over de hulpvraag is dat ontoereikend gebleken. Daardoor is de situatie verslechterd en zowel de ouders als [de minderjarige] dreigen het vertrouwen in de hulpverlening te verliezen. Daarbij komt dat de bereidheid van [de minderjarige] om aan hulpverlening mee te werken wisselt. Hoewel zij gemotiveerd lijkt te zijn, laat zij vaak het tegenovergestelde zien. Het gedwongen kader is van belang om spoedig de nodige hulpverlening te starten, zodat [de minderjarige] weer naar school gaat of een dagbesteding vindt, het contact tussen [de minderjarige] en de ouders langzaamaan kan worden hersteld en er een stabiele en veilige woonplek voor [de minderjarige] wordt gevonden. De hulpverlening dient zich daarbij te richten op de wijze van communiceren tussen [de minderjarige] en de ouders, zodat zij elkaar beter kunnen begrijpen. Daarnaast dient opvoedondersteuning te worden ingezet voor de ouders, zodat zij leren om zelfbepalend (puber)gedrag te begrenzen en leren om te gaan met culturele normen- en waardenverschillen. Op die manier zullen zij uiteindelijk beter in staat zijn om aan te sluiten bij [de minderjarige] . Een jeugdbeschermer moet daarom bij het gezin worden betrokken, zodat de deze de juiste hulpverlening in gang kan zetten en borgen.
3.4.
Naast een ondertoezichtstelling is ook een uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk, omdat zij al meerdere maanden niet bij de ouders woont. De ouders kunnen [de minderjarige] op dit moment niet de nodige verzorging en opvoeding bieden. Het is daarom van belang dat er gezocht wordt naar een plek waar [de minderjarige] voldoende ondersteuning krijgt en zich verder kan ontwikkelen richting haar volwassenheid. Pas nadat er hulpverlening is ingezet en de relatie tussen [de minderjarige] en de ouders is verbeterd, kan overwogen worden of [de minderjarige] weer bij de ouders kan wonen.
3.5.
Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat er in november 2024 een jeugdreclasseringsmaatregel aan [de minderjarige] is opgelegd. Hoewel [de minderjarige] kort geleden definitief geschorst is van school, heeft zij wel dagbesteding gevonden. Vanuit daar wordt bekeken wanneer zij kan terugkeren naar school. Aangezien de plek bij de netwerkouder tijdelijk is, zal in de komende periode moeten worden gezocht naar een passende woonplek waarbij ook haar toekomstperspectief op de langere termijn een rol speelt.
4De standpunten
4.1.
Namens en door de ouders is naar voren gebracht dat zij menen dat een ondertoezichtstelling nodig is, omdat de hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond komt. [de minderjarige] heeft hulp nodig om de juiste (toekomst)keuzes te maken. Zij moet leren om te luisteren en zich aan regels te houden. De ouders wensen voor zichzelf ook al langere tijd hulpverlening, maar op dit moment ontvangen zij enkel hulp van hun begeleider, [begeleider] . De ouders zijn gebaat bij opvoedondersteuning, waaronder hulp bij het omgaan met cultuurverschillen en pubergedrag. Zij hopen dan ook dat de ondertoezichtstelling ertoe bijdraagt dat de hulp spoedig wordt ingezet. De ouders staan echter niet achter de verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat zij graag willen dat [de minderjarige] thuis woont en dat de hulpverlening vanuit daar plaatsvindt. Gezien de leeftijd van [de minderjarige] en de bereidheid van de ouders verzoeken zij dan ook om de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor de duur van drie maanden en – zoals de rechtbank begrijpt – voor het overige aan te houden, zodat daarna ter zitting kan worden bezien of de juiste hulpverlening is ingezet en waar het perspectief van [de minderjarige] ligt.
4.2.
De GI heeft ter zitting aangegeven dat [vertegenwoordiger van de GI] direct beschikbaar is als jeugdbeschermer en de GI direct stappen zal ondernemen. Desondanks benadrukt de GI dat de periode tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige] kort is en er sprake is van wachtlijsten voor de hulpverlening. Ook heeft de GI tijd nodig om te onderzoeken welke hulpverlening en woonplek passend zijn voor [de minderjarige] en het gezin. Het is dan ook nog onduidelijk wat er in de korte periode bereikt kan worden, maar de GI zet zich volop in voor het verbeteren van de situatie.
5De mening van de minderjarige
5.1.
[de minderjarige] heeft aangegeven dat zij graag hulp wil krijgen. Zij heeft behoefte aan iemand die haar kan helpen met praktische zaken en aan wie zij vragen kan stellen. [de minderjarige] is officieel uitgeschreven van school, al wil zij wel graag met een Mbo-opleiding starten. Op dit moment heeft [de minderjarige] goed contact met de vader, maar zij heeft geen contact met de moeder. [de minderjarige] weet niet zeker of zij weer bij de ouders wil wonen, omdat zij bang is dat er dan mogelijk opnieuw problemen ontstaan en zij ook niet weet of de ouders dit willen. [de minderjarige] meent wel dat er verandering moet komen in de situatie, omdat zij al te lang bij haar vriendin en netwerkouder verblijft. Als [de minderjarige] niet bij de ouders kan wonen en bij een begeleid wonen groep komt te wonen, vindt zij het belangrijk dat zij daar ook tot na haar meerderjarigheid kan blijven wonen.
Beoordeling
6.1.
Uit de stukken en de zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan eruit dat er bij [de minderjarige] sprake is van LVB-problematiek en langdurig schoolverzuim, wat heeft geleid tot een definitieve schorsing/uitschrijving van school. Het lukt de ouders niet om aan te sluiten bij [de minderjarige] en om haar zelfbepalende (puber)gedrag te begrenzen. Door het gebrek aan een stabiele en veilige opvoedomgeving komen er veel verantwoordelijkheden bij [de minderjarige] te liggen en raakt zij overvraagd. Daarnaast is er sprake een verstoorde band en beperkt contact tussen [de minderjarige] en de ouders, waarbij zij steeds verder uit elkaar drijven. Gelet op het voorgaande is het van belang dat de ouders spoedig hulpverlening krijgen, met name in de vorm van opvoedondersteuning, zodat [de minderjarige] en de ouders elkaar beter begrijpen en dichter tot elkaar kunnen komen. Daarbij dient ook aandacht te worden besteed aan de cultuurverschillen tussen [de minderjarige] en de ouders. Het is ook van belang dat [de minderjarige] individuele hulpverlening krijgt, bijvoorbeeld in de vorm van een coach, zodat haar schoolgang wordt opgepakt, zij geholpen wordt met het regelen van praktische zaken en zij haar problemen kan bespreken. Dit is ook de wens van [de minderjarige] . Aangezien de meerderjarigheid van [de minderjarige] nadert is het van belang dat spoedig wordt gewerkt aan de hiervoor genoemde doelen.
6.2.
Hoewel de hulpverlening die in verband met het wegenemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval voldoende lijkt te worden geaccepteerd, is gebleken dat de hulpverlening in het vrijwillig kader – ondanks de verzoeken daartoe – niet van de grond is gekomen. Het vertrouwen van de ouders in de hulpverlening in het vrijwillig kader is hierdoor geschaad. Daarbij komt dat [de minderjarige] wisselend staat tegenover het accepteren van hulpverlening. Gelet daarop, en gelet op de naderende meerderjarigheid van [de minderjarige] , is het noodzakelijk dat spoedig hulpverlening in het gedwongen kader wordt ingezet. Er dient een regiehouder te komen die de juiste hulpverlening inzet en borgt.
6.3.
Ten slotte blijkt dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
6.4.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek en de in te zetten hulpverlening, stelt de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht voor de periode tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum] .
6.5.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is ook gebleken dat [de minderjarige] sinds de zomer van 2024 bij een netwerkouder verblijft, omdat er sprake is van een onhoudbare thuissituatie. De ouders zijn niet in staat om het zelfbepalende (puber)gedrag van [de minderjarige] te begrenzen en de relatie met de ouders is verstoord. Aangezien de ouders [de minderjarige] op dit moment geen rust, veiligheid en stabiliteit kunnen bieden en [de minderjarige] al geruime tijd niet meer thuis woont, is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. In de komende periode moet spoedig onderzocht worden wat een stabiele, veilige en perspectief biedende woonplek voor [de minderjarige] kan zijn. Als dit niet bij de ouders is, dan dient te worden gekeken of de woonplek ook tot na de meerderjarigheid van [de minderjarige] geborgd kan worden.
6.6.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Gezien de problematiek en de leeftijd van [de minderjarige] , is de kinderrechter van oordeel dat een periode van drie maanden te kort is om duidelijkheid te verkrijgen over de meest passende woonplek voor [de minderjarige] . Het verzoek zal dan ook worden toegewezen tot aan de meerderjarigheid van [de minderjarige] .
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 januari 2025 tot aan de meerderjarigheid, te weten tot [datum] ;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin, netwerkgezin of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 januari 2025 tot aan de meerderjarigheid, te weten tot [datum] ;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.