Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:687
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,216 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/359440 / JU RK 24-1771
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D.E. Oud, kantoorhoudende te Krommenie,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 27 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Hierbij waren aanwezig en gehoord:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De moeder is bijgestaan door een tolk in de [taal] taal.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [de maatschappelijk werker/begeleider] , de maatschappelijk werker/begeleider van de vader vanuit Buurts Wijkteam Centrum en Rozenprieel, om als toehoorder aanwezig te zijn ter zitting.
1.5.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder, maar feitelijk verblijft zij bij een begeleid wonen groep in [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 27 september 2010 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna steeds is verlengd en heeft voortgeduurd tot 27 september 2013.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 26 oktober 2015 is [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd en heeft voortgeduurd tot 26 april 2018.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een woongroep of accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van één jaar. Ter zitting heeft de Raad het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing gewijzigd, op die wijze dat de machtiging enkel wordt verzocht voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, omdat ook een woongroep daaronder valt. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek mondeling en schriftelijk als volgt toegelicht. Al vanaf [de minderjarige] ’s eerste levensjaar wordt zij geconfronteerd met een hevige strijd tussen de ouders. De ouders communiceren nauwelijks en zij staan lijnrecht tegenover elkaar, waardoor [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders. Als gevolg hiervan heeft [de minderjarige] sinds eind 2021 nauwelijks contact met de vader en ook het contact met de moeder verloopt al langere tijd moeizaam. Hierdoor heeft [de minderjarige] geen vangnet en ervaart zij gevoelens van afwijzing. [de minderjarige] en de vader drijven steeds verder uit elkaar, waardoor de vader (nog) geen ondersteunende vaderrol kan vervullen. In het vrijwillig kader is het niet gelukt om concrete afspraken te maken met de vader over het contact met [de minderjarige] , omdat de vader dwingend is en zich niet kan aanpassen. Daarnaast heeft de moeder aangegeven niet langer de zorg voor [de minderjarige] te kunnen dragen. [de minderjarige] is de woning uitgezet door de partner van de moeder. Zij heeft daardoor bijna één jaar alleen in de woning naast de moeder gewoond. Sinds oktober 2024 verblijft [de minderjarige] met mondelinge toestemming van beide ouders op de begeleid wonen groep/meidengroep met 24/7 toezicht. Ondanks de ingezette hulpverlening van onder andere het jeugdteam en het veiligheidsteam, zijn de ouders fysiek en emotioneel niet beschikbaar voor [de minderjarige] . Ook zijn zij onvoldoende in staat om haar de benodigde veiligheid, ondersteuning en verzorging te bieden. Er bestaan ook zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] , omdat er sinds 2024 sprake is van veel schoolverzuim, waarvan een melding is gemaakt bij de leerplichtambtenaar. Volgens de school lijdt [de minderjarige] onder de thuissituatie.
3.3.
Het gedwongen kader is noodzakelijk, omdat de hulpverlening in het vrijwillig kader tot op heden onvoldoende effectief is geweest en de moeder geen hulpverlening (meer) wil accepteren. Ook de vader staat wisselend tegenover het accepteren van hulpverlening. De komende periode is het van belang dat wordt gewerkt aan relatie- en contactherstel tussen [de minderjarige] en de ouders – specifiek tussen [de minderjarige] en de vader – waarbij duidelijk wordt welke (opvoed)rol de ouders vervullen. Daarnaast zal [de minderjarige] gebaat zijn bij individuele hulpverlening, zodat zij de negatieve gebeurtenissen uit het verleden kan verwerken en zich kan richten op de toekomst. Verder zal het schoolverzuim van [de minderjarige] moeten verminderen. Gelet op voorgaande moet dan ook een jeugdbeschermer betrokken worden, zodat de juiste hulpverlening in gang gezet en geborgd kan worden en de belangen van [de minderjarige] worden behartigd.
3.4.
Naast een ondertoezichtstelling is ook een uithuisplaatsing nodig, omdat [de minderjarige] op dit moment zonder machtiging bij een begeleid wonen groep verblijft. [de minderjarige] kan (nog) niet bij een van haar ouders wonen en bij de begeleid wonen groep wordt haar de nodige veiligheid, rust en structuur geboden. Het is dan ook van belang dat deze situatie voor de komende periode geborgd blijft, omdat van daaruit gewerkt kan worden aan de hiervoor genoemde doelen en kan worden bezien waar een passend toekomstperspectief ligt voor [de minderjarige] . De Raad merkt daarbij op dat als er een jeugdbeschermer wordt aangewezen deze ook vervangende toestemming kan verlenen, zodat [de minderjarige] niet afhankelijk is van de ouders – met name de vader – om op bepaalde momenten de begeleid wonen groep kort te kunnen verlaten.
4De standpunten
4.1.
Namens en door de moeder is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek tot ondertoezichtstelling staat, omdat de verstandhouding en communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord en [de minderjarige] daarmee wordt belast. Daarnaast meent de moeder dat de uithuisplaatsing nodig is om [de minderjarige] te beschermen. De ouders kunnen het niet eens worden over gezagskwesties. Door het heftige handelen van de vader wordt de moeder in onmogelijke posities gebracht. Daardoor wordt haar gezin belast en keert [de minderjarige] zich tegen de moeder. Dit was dan ook een van de redenen waarom [de minderjarige] niet meer bij de moeder kon wonen. De belangrijkste reden dat [de minderjarige] niet meer bij de moeder kon wonen is echter dat [de minderjarige] niet naar school ging. Zelfs nu [de minderjarige] bij de woongroep verblijft, krijgt de moeder nog meldingen van schoolverzuim. Het is dan ook van belang dat [de minderjarige] ’s schoolgang verbetert. De moeder staat open voor hulpverlening, waarbij zij benadrukt dat de hulpverlening zich met name moet richten op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders.
4.2.
De vader meent dat een ondertoezichtstelling nodig is, omdat de situatie onhoudbaar is en hij [de minderjarige] al twee jaar niet heeft gezien. De vader maakt zich al lange tijd zorgen over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft volgens de vader een trauma opgelopen als gevolg van het handelen van de moeder en de situatie bij de moeder thuis is onoverzichtelijk en onhoudbaar. De vader meent daarom dat ook een uithuisplaatsing nodig is. De vader is bereid om persoonlijke hulpverlening te accepteren, al meent hij wel dat ook de moeder persoonlijke hulpverlening moet accepteren. Verder meent de vader dat hij er ten onrechte van wordt beschuldigd de intentie te hebben gehad om hevige ruzie te maken voor het huis van de moeder. Tot slot wil de vader het liefst dat hij belast wordt met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
4.3.
De vertegenwoordiger van de GI heeft ter zitting aangegeven dat zij de zaak de eerste periode zal monitoren. Zij verwacht volgende week een gesprek te kunnen inplannen met de ouders en met [de minderjarige] .
5De mening van de minderjarige
5.1.
[de minderjarige] verwacht niet dat de hulp binnen een ondertoezichtstelling gaat helpen om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te verbeteren, omdat dit in het verleden ook niet is gelukt vanwege de houding van de vader. De reden dat [de minderjarige] uit huis is geplaatst, is dat zij niet naar school ging. [de minderjarige] hoopt dat de uithuisplaatsing kan worden opgeheven, omdat zij op dit moment gemotiveerd is om haar schoolgang te verbeteren. Zij wil overgaan naar het volgende schooljaar en wil graag weer bij de moeder wonen.
Beoordeling
Rechtsmacht
6.1.
Omdat de vader de [nationaliteit] nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek. De gewone verblijfplaats van [de minderjarige] is in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II ter. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Beoordeling
6.2.
Uit de stukken en de zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan eruit dat er sprake is van een langdurige en diepgewortelde hevige strijd tussen de ouders, waarmee [de minderjarige] wordt belast. De ouders kunnen nauwelijks met elkaar communiceren en zijn niet in staat om gezamenlijke beslissingen te nemen in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] komt hierdoor klem te zitten tussen de ouders. Er zijn tevens zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Ook is het contact met beide ouders – met name met de vader – verslechterd. Zo heeft [de minderjarige] haar vader al meerdere jaren niet tot nauwelijks gezien. Verder is het zorgelijk dat er bij [de minderjarige] sprake is van ernstig schoolverzuim. Het lukt de moeder niet om [de minderjarige] hierin voldoende te ondersteunen en begrenzen. Het is dan ook van belang dat de ouders zowel gezamenlijke als individuele hulpverlening krijgen, gericht op verbetering van hun communicatie, zodat zij tot afspraken kunnen komen en inzicht krijgen in hun (opvoed)rol. Bij de moeder zou deze hulp ook kunnen bestaan uit opvoedondersteuning, zodat zij leert om grenzen te stellen en [de minderjarige] structuur te bieden. Daarnaast is het van groot belang dat [de minderjarige] individuele begeleiding/hulpverlening krijgt, zodat haar schoolgang wordt hervat en zij de gebeurtenissen uit het verleden kan verwerken.
6.3.
Ook blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Hoewel het positief is dat de ouders ter zitting hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening, is de hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend gebleken. Daarnaast staan de ouders en [de minderjarige] wisselend tegenover de hulpverlening. Het is dan ook noodzakelijk dat hulpverlening in het gedwongen kader plaatsvindt, zodat er een regiehouder komt die de juiste hulpverlening inzet en borgt.
6.4.
Ten slotte blijkt dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
6.5.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek, de in te zetten hulpverlening en de gestelde of te stellen doelen, stelt de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van één jaar.
6.6.
Uit de stukken en de zitting is ook gebleken dat [de minderjarige] sinds 17 oktober 2024 verblijft bij een begeleid wonen groep. Bij deze groep wordt haar de nodige rust, veiligheid en structuur geboden, wat de ouders haar op dit moment (nog) niet kunnen bieden. Gelet op de onder 6.2. genoemde problematiek is het niet de verwachting dat [de minderjarige] op korte termijn weer bij de moeder dan wel bij de vader kan wonen. Om te kunnen werken aan de genoemde problematiek en de daarbij gestelde doelen, is het van belang dat [de minderjarige] voorlopig bij de begeleid wonen groep verblijft. Vanuit daar kan op den duur – nadat de hulpverlening voor de ouders en [de minderjarige] in gang is gezet – worden bekeken waar het woonperspectief van [de minderjarige] ligt.
6.7.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 9 januari 2025 tot 9 januari 2026;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 januari 2025 tot 9 januari 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.