Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-13
ECLI:NL:RBNHO:2025:6802
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,951 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.038330.25 (P)
Uitspraakdatum: 13 mei 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 april 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres]
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Rademacher en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. F.F. Kool, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 februari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de vraag of het ten laste gelegde feit kan worden bewezen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
(…)
De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 5 februari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest van de verdachte. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan schuldhulpverlening te worden verbonden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de zorg voor zijn kinderen en zijn financiële situatie. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaren, gecombineerd met de maximaal op te leggen taakstraf van 240 uren.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van 2401,08 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gezien de hoeveelheid, moet de ingevoerde cocaïne bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. Daarnaast plegen gebruikers van cocaïne geregeld strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook om die reden worden forse straffen opgelegd voor de invoer van harddrugs.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 23 april 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Het strafblad weegt daarom noch in het voordeel noch in het nadeel van de verdachte mee.
Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport van 15 april 2025. De reclassering merkt op dat de financiële situatie en het psychosociaal functioneren van de verdachte delictgerelateerde risicofactoren lijken. De verdachte heeft momenteel geen dagbesteding of inkomen en rookt dagelijks cannabis. De verdachte heeft schulden en hij stelt dat hij ondoordacht heeft gehandeld om er financieel beter van te worden. Het is voor de reclassering onduidelijk in hoeverre zijn sociaal netwerk en houding risicofactoren vormen. Hoewel er volgens de reclassering indicaties zijn voor een meldplicht, staat de verdachte niet open voor hulpverlening. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte – anders dan bij de reclassering – aangegeven dat hij wel inziet dat hij hulp nodig heeft en dat hij eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden wil nakomen.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van 27 maanden passend en geboden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte daarnaast hulp krijgt bij het inzichtelijk maken en het verbeteren van zijn financiële situatie, nu deze ten grondslag heeft gelegen aan het gepleegde feit. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard open te staan voor hulpverlening. De rechtbank zal daarom bepalen dat een strafdeel van negen maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank twee bijzondere voorwaarden verbinden, namelijk verplicht contact met de reclassering en meewerken aan schuldhulpverlening.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 14 a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zegge: zevenentwintig) maanden;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 (zegge: negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de veroordeelde zich binnen vijf dagen na detentie meldt bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60 te Haarlem. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde dient de reclassering inzicht te geven in zijn financiën en schulden;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J.A. de Weerd, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2025.