Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:6789
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,379 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11188399 \ CV EXPL 24-4561
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], wonende te [plaats 1]
2. [eiser 2]wonende te [plaats 2]
3. [eiser 3]
4. [eiser 4]
beiden wonende te [plaats 3]
5. [eiser 5]wonende te [plaats 2]6. [eiser 6], wonende te [plaats 3]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. J. Nooij & mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk opgelegde beperkingen door de luchtverkeersleiding op de voorgaande vlucht. Het betoog van de vervoerder faalt. De passagiers zouden de aansluitende vlucht namelijk, ook als er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, niet hebben gehaald. De vordering van de passagiers wordt daarom (grotendeels) toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 19 oktober 2022 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Franz Josef Strauß Airport (München, Duitsland) naar Rome Fiumicino Airport (Italië), met de vluchtcombinatie LH2303 en LH1868.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht LH2303 van Amsterdam naar München (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 272,25, althans een in redelijke justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier.
3.3.
Ook verzoeken de passagiers de kantonrechter om een certificaat af te geven zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening 1215/2012 (hierna: de Brussel I bis-Verordening.
3.4.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
Het toestel dat de vlucht zou uitvoeren stond gepland om eerst vlucht LH2302 van München naar Amsterdam uit te voeren. Vlucht LH2302 is met een vertraging van 51 minuten uitgevoerd wegens opgelegde beperkingen door de luchtverkeersleiding. Dat deze vlucht ook te maken kreeg met andere vertragingsoorzaken is in het onderhavige geval niet van belang. De restricties werden namelijk al voor de geplande vertrektijd opgelegd. De vertraging van vlucht LH2302 werkt voor 45 minuten door op de vlucht. Ten aanzien van de overige vertragingsoorzaak van de vlucht doet de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden. De vlucht is met een vertraging van 48 minuten te München gearriveerd, aldus de vervoerder.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat het opleggen van een nieuwe vertrektijd door de luchtverkeersleiding in beginsel kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid. Uit de slothistorie van vlucht LH2302 volgt dat het toestel reeds om 05:01 uur UTC een gewijzigde vertrektijd van 07:22 uur UTC opgelegd heeft gekregen. Deze werd vervolgens meerdere keren herzien. Het toestel is uiteindelijk binnen het laatst opgelegde slot van 07:51 uur UTC vertrokken: “Airborne (FTD) 07:50”. Met de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat het toestel, ook bij voldoende personeel, niet eerder had kunnen vertrekken. De passagiers hebben de door de vervoerder gestelde feiten en omstandigheden over de doorwerking van de vertraging van vlucht LH2302 niet betwist, zodat dit is komen vast te staan. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vertraging van de vlucht voor de duur van 45 minuten te wijten is aan (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden.
4.5.
De vertraging van de vlucht is deels door buitengewone omstandigheden en deels door andere omstandigheden veroorzaakt. Er moet dan ook worden vastgesteld of de passagiers hun aansluitende vlucht wel zouden hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheden. De passagiers hebben zich bij repliek op het standpunt gesteld dat de vervoerder onvoldoende buffer in de overstaptijd tussen de aansluitende vluchten heeft ingeruimd. De vervoerder heeft dit niet betwist, zodat dit is komen vast te staan. Dit betekent dat de passagiers hun aansluitende vlucht, ook als er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, niet hadden gehaald. Daarom is de uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming niet het gevolg van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. De kantonrechter komt derhalve niet toe aan de bespreking van alle redelijke maatregelen. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.7.
De vervoerder zal (grotendeels) in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.8.
De gevorderde afgifte van het certificaat ex artikel 53 EEX-Vo 1215/2012 wordt vooralsnog bij gebrek aan belang afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2022 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 408,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
10 minuten (code 15S) en 9 minuten (code 81Y)