Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:6763
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,150 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11564051 \ CV FORM 25-1341
Uitspraakdatum: 18 juni 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: A.E. Spaan (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
easyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie verzocht voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk een medische noodsituatie, storende passagier en de avondklok te Amsterdam. Het verweer van de vervoerder slaagt. Daarnaast heeft hij alle redelijke maatregelen genomen. Het verzoek van de passagier wordt daarom afgewezen.
1Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 26 februari 2025;
het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 mei 2025.
Feiten
2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem op 25 februari 2023 moest vervoeren van Ben Gurion International Airport (Israël) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EJU7934 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 60,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten.
3.2.
De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
Volgens de vervoerder was de vlucht onderdeel van de rotatievlucht Amsterdam – Tel Aviv – Amsterdam (vluchtnummers EZY7933 en EZY7934). Deze vluchten zijn volgens de vervoerder met hetzelfde toestel uitgevoerd. Vlucht EZY7933 is onder meer met 5 uur en 18 minuten vertraging uitgevoerd door het tijdens de uitvoering van deze vlucht onwel worden van een bemanningslid. De vervoerder had daardoor geen andere mogelijkheid dan uit te wijken naar Belgrado. Tijdens deze tussenlanding is de vertraging verder opgelopen door een storende passagier. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de vervoerder onder meer een medisch- en veiligheidsrapport overgelegd. Vlucht EZY7933 is uiteindelijk met een vertraging van 6 uur en 21 minuten te Tel Aviv gearriveerd. Deze vertraging werkt door op de vlucht in kwestie. De vlucht kon vervolgens niet meer worden uitgevoerd omdat deze de avondklok te Amsterdam zou schenden. Er is toen gekozen om de vlucht met één nacht te vertragen, aldus de vervoerder.
4.4.
Het Hof heeft geoordeeld dat de onverwachte afwezigheid wegens het plotseling ziek worden van een bemanningslid inherent is aan de uitoefening van de normale activiteiten van de vervoerder. Hij moet immers in de planning van de bemanning en de dienstregeling van het personeel rekening houden met dergelijke onvoorziene omstandigheden. In het onderhavige geval ontstond de noodzaak tot het inroepen van medische hulp pas tijdens de uitvoering van de voorafgaande vlucht. De (rotatie)vlucht is vervolgens, na de inzet van een stand-by bemanningslid, met vertraging uitgevoerd. Het onwel worden van een bemanningslid als zodanig is niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de vervoerder en deze heeft daar ook geen invloed op. Daarnaast heeft hij voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een medische noodsituatie aan boord van vlucht EZY7933 en dat dit van invloed is geweest op de uitvoering van de vlucht in kwestie. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vertraging van de vlucht voor de duur van 5 uur en 18 minuten te wijten is aan (de doorwerking van) een buitengewone omstandigheid.
4.5.
Dit geldt ook voor de vertraging ontstaan vanwege de lastige passagier en de avondklok te Amsterdam. Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet aannemelijk dat de vervoerder zelf heeft bijgedragen aan het storende gedrag van de passagier. Verder heeft hij niet op dit gedrag kunnen anticiperen, nu het zich pas tijdens de tussenlanding in Belgrado openbaarde. Al met al zijn dit omstandigheden die niet inherent zijn aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en deze heeft daar ook geen invloed op. De kantonrechter is daarom van oordeel dat ook de resterende vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden.
4.6.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om deze omstandigheden te voorkomen. Hij stelt in dit verband dat hij de passagier heeft omgeboekt naar een alternatieve vlucht de volgende dag. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer of anders had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen. Daarom heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen genomen. Het verzoek van de passagier zal daarom worden afgewezen.
4.7.
De passagier wordt, gelet op het doel en het karakter van de EPGV-procedure, niet meer in de gelegenheid gesteld om op het verweer van de vervoerder te reageren.
4.8.
De passagier zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover de vervoerder daadwerkelijk nakosten zal maken. De verzochte rente wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 82,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
verklaart deze beschikking – voor wat de proceskosten betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
HvJEU 11 mei 2023, C-156/22 – C-158/22, ECLI:EU:C:2023:393.
HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.